<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBGEL:2019:2871</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-05T08:46:42</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-06-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Gelderland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Gelderland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-06-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB - 18 _ 5247</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#mondelingeUitspraak">Mondelinge uitspraak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Arnhem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>V-N Vandaag 2019/1558</rdf:li>
          <rdf:li>V-N 2019/50.18</rdf:li>
          <rdf:li>Belastingblad 2019/426 met annotatie van M. Noordegraaf</rdf:li>
          <rdf:li>NLF 2019/1665</rdf:li>
          <rdf:li>NLF 2019/1665</rdf:li>
          <rdf:li>FutD 2019-1895</rdf:li>
          <rdf:li>Viditax (FutD) 2019070909</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2019:2871">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2019:2871</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-07-02T19:41:32</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBGEL:2019:2871 Rechtbank Gelderland , 26-06-2019 / AWB - 18 _ 5247</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBGEL:2019:2871:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>WOZ. Gebruikersbeschikking.</para>
        <para>Eiser is formeel belanghebbende, maar ook materieel, omdat de woning eigendom is van zijn fiscaal partner. Beide partijen hebben de waarde van de woning onvoldoende onderbouwd.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBGEL:2019:2871:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold caps">RechtbanK gelderland </emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Team belastingrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: AWB 18/5247</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juni 2019 </emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>in de zaak tussen</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>
      [X] , te [Z] , eiser</title>
    <para>(gemachtigde: [gemachtigde] ),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de heffingsambtenaar van Gemeentelijk Belastingkantoor Twente, verweerder.</title>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>De bestreden uitspraak op bezwaar </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak van verweerder van 10 augustus 2018 waarbij het bezwaar van eiser tegen na te noemen beschikking en aanslag ongegrond is verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Zitting </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juni 2019. </para>
      <para>Namens de gemachtigde van eiser is [A] verschenen. Namens verweerder is [gemachtigde] verschenen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep gegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>vernietigt de uitspraak op bezwaar;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>vermindert de WOZ-waarde tot € 360.000;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>vermindert de aanslag onroerendezaakbelasting dienovereenkomstig;  </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.532;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 46 aan eiser dient te vergoeden.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Eiser is op [1988] met [Y] (hierna: [Y] ) gehuwd onder huwelijke voorwaarden. In 1989 heeft [Y] het eigendomsrecht van de onroerende zaak, aan de [A-straat 1] te [Z] (hierna: de woning) verworven.</para>
    <para />
    <para>2. Verweerder heeft bij beschikking van 28 februari 2018 de waarde van de woning op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) per waardepeildatum 1 januari 2017 (waardepeildatum) voor het kalenderjaar 2018 vastgesteld op € 398.000. Verweerder heeft de beschikking op grond van 24, derde lid, van de Wet WOZ ook aan eiser als gebruiker van de woning bekendgemaakt.</para>
    <para />
    <para>3. De woning is een vrijstaande semibungalow van bouwjaar 1970 met berging/schuur en twee aangebouwde woonruimtes. De inhoud van de woning is zonder aanbouw 436 m³ en de oppervlakte van het perceel is ongeveer 2.192 m². </para>
    <para />
    <para>4. In geschil is de ontvankelijkheid van het bezwaar. Inhoudelijk is de waarde van de woning op de waardepeildatum in geschil.</para>
    <para />
    <para>5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder ten onrechte aangevoerd dat het bezwaar niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard. Er is een WOZ-beschikking op naam van eiser. Formeel is eiser dus belanghebbende. Hij kan op grond van artikel 26a, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen beroep instellen en daaraan voorafgaand dus bezwaar maken. Verweerder stelt dat eiser geen eigenaar is en materieel geen belang heeft. De rechtbank ziet aanleiding - in navolging van de uitspraak van Gerechtshof Den Haag van 1 juni 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:1637, dit materiële belang te toetsen.</para>
    <para />
    <para>6. Eiser heeft niet betwist dat hij geen eigenaar van de woning is. Ook daarvan uitgaand heeft eiser echter wel degelijk een belang in de zin van artikel 28, eerste lid, laatste zin, van de Wet WOZ. Eiser en zijn echtgenote wonen op hetzelfde adres. Zij zijn fiscaal partners. Dat brengt mee dat de WOZ-waarde relevant is voor de eigenwoningaftrek in de inkomstenbelasting (vanwege het huurwaardeforfait). Op grond van artikel 3.111 en 2.17 van de Wet Inkomstenbelasting 2001 komt het voordeel uit eigen woning ook bij eiser terecht. Dat betekent dat het waardegegeven op grond van een wettelijk voorschrift wordt gebruikt en dat eiser door bezwaar te maken tegen de WOZ-waarde in een betere positie kan komen te verkeren (vergelijk Rechtbank Gelderland 21 juni 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:3243).</para>
    <para />
    <para>7. De bewijslast van de juistheid van de aan de woning toegekende waarde ligt bij verweerder. Dit betekent dat hij aannemelijk moet maken dat de door hem vastgestelde waarde per 1 januari 2017 niet hoger is dan de waarde in het economische verkeer op die datum. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder hierin niet geslaagd. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.</para>
    <para />
    <para>8. Verweerder heeft - hoewel daartoe nog uitdrukkelijk uitgenodigd - geen inhoudelijk verweerschrift ingediend. Hij heeft niet inzichtelijk gemaakt of en hoe hij rekening heeft gehouden met de ligging van eisers woning in het buitengebied. Het is niet onaannemelijk dat eisers woning minder gunstiger is gelegen dan de drie in de bezwaarfase genoemde vergelijkingsobjecten, die niet in het buitengebied liggen. Daarnaast heeft verweerder de door eiser betwiste afmetingen van de aanbouwen niet met nadere gegevens weerlegd.</para>
    <para />
    <para>9. De rechtbank is van oordeel dat eiser evenmin de door hem bepleite waarde van € 300.000 aannemelijk gemaakt. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat verweerder de bruikbaarheid van [A-straat 2] heeft betwist vanwege de ligging van dat object, naar de rechtbank aanneemt vanwege de ligging nabij een drukke weg. Daarnaast heeft verweerder gewezen op het afwijkende bouwjaar van [A-straat 3] . Eiser heeft deze omstandigheden niet betwist. Gelet op de inhoud van [A-straat 3] en het ontbreken van een toelichting is bovendien niet zonder meer aannemelijk dat dit object een semibungalow is. Eiser heeft geen taxatierapport overgelegd en mede daardoor niet inzichtelijk gemaakt waarop hij de gestelde waarde van € 300.000 baseert.</para>
    <para />
    <para>10. Omdat geen van beide partijen de door hen bepleite waarde aannemelijk heeft gemaakt, heeft de rechtbank, alles in aanmerking nemende, de waarde van de woning in goede justitie bepaald op € 360.000. Het beroep is daarom gegrond verklaard. </para>
    <para />
    <para>11. De rechtbank is van oordeel dat er grond bestaat voor toekenning van een vergoeding van de kosten die eiser in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.532 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 254, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512 en een wegingsfactor 1). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Eskes, rechter, in aanwezigheid van mr. R.A. Jackson, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier						rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:</para>
    </parablock>
    <para>1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;</para>
    <para>2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:</para>
    <parablock>
      <para>	a. de naam en het adres van de indiener;</para>
      <para>	b. een dagtekening;</para>
      <para>	c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;</para>
      <para>	d. de gronden van het hoger beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>