<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBGEL:2019:2114</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-02-24T17:16:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-05-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Gelderland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Gelderland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-04-29</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">05/881228-15 (ontneming)</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Arnhem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:GHARL:2020:8466" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#(Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan">Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2020:8466, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2019:2114">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2019:2114</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-05-21T13:24:33</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-05-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBGEL:2019:2114 Rechtbank Gelderland , 29-04-2019 / 05/881228-15 (ontneming)</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBGEL:2019:2114:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>De militaire kamer in Arnhem heeft een 38-jarige voormalige militair veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en daarnaast een taakstraf voor de duur van 180 uur onvoorwaardelijk ter zake van verduistering.</para>
        <para>De ex-militair en zijn echtgenote hebben tussen 2009 en 2015 de financiën van de oma van de echtgenote in beheer gehad. In die periode hebben zij  misbruik gemaakt van hun toegang tot de bankrekening van de oma door haar geld voor hen zelf te gebruiken. Het op die wijze verkregen voordeel voor beiden wordt geschat op € 40.000. De oma is inmiddels overleden. In een afzonderlijk vonnis is de man veroordeeld tot het betalen aan de Staat, ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, van de helft van dat bedrag, dus € 20.000. Zijn echtgenote is door de rechtbank Gelderland veroordeeld tot betaling van de andere helft.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para>De militaire kamer vindt het gedrag van de man onwaardig voor een officier bij de Landmacht. Hem wordt aangerekend dat er nog niets is terugbetaald van het verduisterde geld. Ook rekent de militaire kamer de man zwaar aan te zijn doorgegaan met het plunderen van de bankrekening van de oma, nadat hij en zijn vrouw in mei 2013 al door de familie werden geconfronteerd met vanaf 2009 verdwenen geld. Uiteindelijk liepen door deze verduisteringen, die de militaire kamer aanmerkt als een vorm van ouderenuitbuiting, de schulden van de oma zo hoog op dat zij uit haar woning dreigde te worden gezet. De militaire kamer trekt dan ook de conclusie dat de man en zijn echtgenote geen mededogen met de oma hadden en dat zij louter uit financieel winstbejag bezig zijn geweest om boven hun stand te kunnen leven. De opgelegde straf is fors gematigd vanwege het lange tijdsverloop.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBGEL:2019:2114:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">RECHTBANK GELDERLAND</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team strafrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Arnhem</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer	 : 05/881228-15</para>
      <para>Datum zitting	 : 8 en 15 april 2019</para>
      <para>Datum uitspraak: 29 april 2019</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">tegenspraak</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Uitspraak van de meervoudige militaire kamer</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de officier van justitie van het arrondissementsparket Oost-Nederland</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [veroordeelde]
        </emphasis>
      </para>
      <para>geboren op [geboortedag] 1977 te [geboorteplaats] , </para>
      <para>wonende te [adres] .</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>raadsvrouw	: mr. L.M.F. Aarts, advocaat te Amsterdam.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De inhoud van de vordering</title>
    <para>De officier van justitie vordert dat de militaire kamer, conform artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel, welk voordeel wordt geschat op € 40.000,--.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De procedure</title>
    <para>Ter terechtzitting van 8 april 2019 heeft de officier van justitie de ontnemingsvordering aanhangig gemaakt.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Het onderzoek ter terechtzitting</title>
    <para>De zaak is op 8 en 15 april 2019 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is veroordeelde verschenen. Veroordeelde is bijgestaan door mr. L.M.F. Aarts voornoemd.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie, mr. L. Grooters, heeft ter terechtzitting de vordering beperkt en aansluiting gezocht bij de ten laste gelegde periode van 1 mei 2013 tot en met 29 december 2014. Op grond daarvan vordert de officier van justitie de ontneming van een bedrag van 18.674,09 euro.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Veroordeelde en zijn raadsvrouw hebben het woord ter verdediging gevoerd en primair verzocht de vordering van de officier van justitie af te wijzen, primair gelet op de bepleite vrijspraak en subsidiair gelet op de civiele procedure die thans aanhangig is. Subsidiair is verzocht het te ontnemen bedrag te matigen tot een bedrag van 10.000 euro. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De beoordeling van de vordering</title>
    <para>Bij de beoordeling van de onderhavige vordering heeft de militaire kamer kennisgenomen van het op 29 april 2019 tegen veroordeelde gewezen vonnis in welk vonnis hij is veroordeeld ter zake medeplegen van verduistering, meermalen gepleegd<emphasis role="italic">.</emphasis></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De militaire kamer is van oordeel dat aannemelijk is dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten. De beslissing dat veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.<footnote-ref linkend="_c0d65c7b-4376-45e5-947c-63a207d582b4" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten behoeve van de leesbaarheid zal de militaire kamer [veroordeelde] (veroordeelde) verder aanduiden als [veroordeelde] en [medeverdachte] als [medeverdachte] . [veroordeelde] en [medeverdachte] zijn met elkaar gehuwd buiten gemeenschap van goederen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het hierboven aangehaald vonnis van 29 april 2019 is [veroordeelde] veroordeeld wegens het medeplegen van verduistering, meermalen gepleegd in de periode van 1 mei 2013 tot en met 29 december 2014. Uit voormeld vonnis volgt dat [medeverdachte] en [veroordeelde] al nagenoeg vanaf het moment dat het financieel beheer ten behoeve van [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) in februari 2009 door hen werd overgenomen, geld van [slachtoffer] hebben verduisterd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 6 mei 2015 heeft [bewindvoerder] , als bevoegd bewindvoerder van [slachtoffer] , aangifte gedaan van verduistering, gepleegd door [veroordeelde] en [medeverdachte] . Nadat [bewindvoerder] de financiën van [slachtoffer] op orde had gebracht, bleek dat vanaf 1 februari 2009 een bedrag van in totaal </para>
      <para>€ 63.892,63 was afgeschreven van de rekening van [slachtoffer] . Na aftrek van het leefgeld voor [slachtoffer] ten bedrage van € 20.580,00, een vliegticket voor [slachtoffer] ten bedrage van € 900,00 en diverse andere uitgaven ten behoeve van [slachtoffer] ten bedrage van € 2.825,71, resteert een ontvreemd bedrag van € 39.586,92. Wanneer de debetrente, € 413,08 daarbij opgeteld wordt, is het door [veroordeelde] en [medeverdachte] ontvreemde bedrag in totaal € 40.000,00.<footnote-ref linkend="_5343211a-fa5f-41d7-b14a-2a31ce0ec889" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie heeft de vordering beperkt tot een bedrag van € 18.674,09.</para>
      <para>De verdediging heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat hooguit een bedrag van </para>
      <para>€ 10.000 aan wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden vastgesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De militaire kamer overweegt als volgt.</para>
      <para>Op grond van het bepaalde in artikel 36e, derde lid van het Wetboek van Strafrecht zal de militaire kamer zich bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel niet beperken tot de bewezen verklaarde periode, zoals de officier van justitie voorstelt, maar uitgaan van het wederrechtelijk verkregen voordeel vanaf het moment dat [veroordeelde] samen met [medeverdachte] het beheer van de financiën van [slachtoffer] heeft overgenomen, te weten februari 2009. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [veroordeelde] en [medeverdachte] hebben het beheer over de financiën van [slachtoffer] begin februari 2009 overgenomen. Wanneer deze verantwoordelijkheid wordt aanvaard, mag in redelijkheid van de beheerders verwacht worden dat zij een deugdelijke administratie bijhouden van de inkomsten en uitgaven die ten behoeve van [slachtoffer] zijn gedaan. Omdat [veroordeelde] en [medeverdachte] niet een zodanige administratie hebben bijgehouden, terwijl zij wel misbruik hebben gemaakt van hun beschikkingsmacht over de financiële middelen van [slachtoffer] , komt het voor rekening en risico van [veroordeelde] en [medeverdachte] dat gedane uitgaven, waarvan niet direct duidelijk is dat die ten behoeve van [slachtoffer] zijn gedaan, als zijnde verduisterd te eigen bate worden aangemerkt. Uit de berekening van de bewindvoerder volgen de uitgaven die onmiskenbaar zijn gedaan ten behoeve van [slachtoffer] . Deze uitgaven worden niet in aanmerking gebracht bij de beoordeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De overige uitgaven zijn volgens de bewindvoerder niet te herleiden naar [slachtoffer] . </para>
      <para>De militaire kamer is dan ook van oordeel, gelet op het voorgaande, dat aannemelijk is dat [veroordeelde] en [medeverdachte] zich samen een bedrag van € 40.000,-- wederrechtelijk hebben toegeëigend. De militaire kamer zal het gezamenlijke wederrechtelijk verkregen voordeel dan ook vaststellen op dit bedrag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Enige grond om de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel te beperken, zoals door de officier van justitie en de verdediging is aangevoerd, is niet aannemelijk geworden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu [veroordeelde] en [medeverdachte] samen verantwoordelijk zijn voor de verduisteringen, en zij beiden in gelijke mate hiervan voordeel hebben gehad - hetzij door het genot van hetgeen is betaald met verduisterd geld, hetzij door besparing van eigen kosten - zal de militaire kamer het te ontnemen bedrag gelijkelijk verdelen en [veroordeelde] de verplichting opleggen een bedrag van 20.000 euro aan wederrechtelijk verkregen voordeel aan de Staat te betalen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Door de verdediging is nog aangevoerd dat een civielrechtelijke procedure aanhangig is en, bij toewijzing van beide vorderingen, de mogelijkheid bestaat dat [veroordeelde] dubbel moet betalen. De officier van justitie heeft hierop gereageerd door op te merken dat, bij toewijzing van beide vorderingen, [veroordeelde] zal worden gecompenseerd in de executiefase door het bedrag van de ontnemingsmaatregel te doen verminderen met het in de civielrechtelijke procedure eventueel toegewezen bedrag. De militaire kamer vertrouwt op deze toezegging en merkt hieromtrent nog het navolgende op.</para>
      <para>Indien de onderhavige ontnemingsuitspraak onherroepelijk is, staat het de officier van justitie niet vrij in de executiefase ‘zomaar’ het bedrag te verlagen indien de civiele rechter enig bedrag toewijst aan de eisers in de civielrechtelijke procedure. Een onherroepelijke ontnemingsuitspraak moet door de officier van justitie geëxecuteerd worden overeenkomstig de beslissing van de rechter. Wel staat in een dergelijk geval de weg open van artikel 577b, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering. In dit artikel is geregeld op welke wijze de rechter de onderhavige ontnemingsuitspraak kan wijzigen dan wel, indien veroordeelde heeft betaald, kan bepalen dat dit bedrag of een deel daarvan aan derden wordt uitgekeerd. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>De toegepaste wettelijke bepalingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De meervoudige militaire kamer:</para>
    </parablock>
    <para> stelt vast het bedrag waarop het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op een bedrag van <emphasis role="bold">€ 20.000,00  (zegge: twintigduizend euro)</emphasis>.</para>
    <para />
    <para> legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van <emphasis role="bold">€ 20.000,00  (zegge: twintigduizend euro)</emphasis>.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr. Y. van Wezel (voorzitter) en mr. P.C. Quak, rechters, </para>
      <para>en kapitein ter zee logistieke dienst mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, militair lid, </para>
      <para>in tegenwoordigheid van S.A. van Hout en R. van Dijk, griffiers en uitgesproken </para>
      <para>ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 april 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_c0d65c7b-4376-45e5-947c-63a207d582b4" label="1">
    <para> Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door een verbalisant van de Koninklijke Marechaussee, District Noord-Oost, Brigade Veluwe afdeling Recherche, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer 15-004020, gesloten op 7 juni 2016 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld alsmede een rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, rapportnummer 20160518.0900.5934, opgemaakt door [naam] , opperwachtmeester der Koninklijke Marechaussee, gesloten op 18 mei 2016.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5343211a-fa5f-41d7-b14a-2a31ce0ec889" label="2">
    <para> Een proces-verbaal van aangifte van [bewindvoerder] d.d. 6 mei 2015 (pag. 36);</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>