<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBGEL:2018:5820</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-24T10:25:07</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-03-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Gelderland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Gelderland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-10-19</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/05/336150 / FZ RK 18-981</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#beschikking">Beschikking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Zutphen</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_personenEnFamilierecht">Civiel recht; Personen- en familierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2018:5820">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2018:5820</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-24T10:24:44</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-03-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBGEL:2018:5820 Rechtbank Gelderland , 19-10-2018 / C/05/336150 / FZ RK 18-981</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBGEL:2018:5820:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Beschikking kinderalimentatie</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBGEL:2018:5820:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK GELDERLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team familie- en jeugdrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Zutphen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: 336150 FZ RK 18-981</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">beschikking van de enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken d.d. 19 oktober 2018</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [naam verzoekster]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende op een bij deze rechtbank bekend adres,</para>
      <para>verzoekster, verder te noemen de vrouw,</para>
      <para>advocaat: mr. M.C. Koetze te Arnhem,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>t e g e n</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [naam verweerder]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>verweerder, verder te noemen de man,</para>
      <para>advocaat: mr. M. van Haaf-Noot te Deventer.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Het procesverloop<?linebreak?></title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Dit verloop blijkt uit:</para>
      <orderedlist numeration="loweralpha">
        <listitem>
          <para>het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen op 13 april 2018;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het journaalbericht met bijlagen van mr. Koetze van 24 april 2018;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het verweerschrift met bijlagen, ingekomen op 14 juni 2018;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het journaalbericht met bijlagen van mr. Koetze van 24 september 2018;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het journaalbericht met bijlagen van mr. Van Haaf-Noot van 26 september 2018;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het journaalbericht met bijlage van mr. Van Haaf-Noot van 1 oktober 2018.</para>
        </listitem>
      </orderedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Gehoord ter gelegenheid van de mondelinge behandeling op 5 oktober 2018 zijn beide partijen, bijgestaan door hun advocaten. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De feiten<?linebreak?></title>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Uit de relatie van partijen is geboren de navolgende minderjarige: </para>
        <para>a) <emphasis role="bold">[naam minderjarige]</emphasis>, geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] . <?linebreak?></para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>De man heeft de minderjarige op 13 januari 2005 met toestemming van de moeder prenataal erkend. <?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Blijkens de aantekening van de griffier van deze rechtbank van 8 mei 2017 oefenen partijen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Het verzoek en het verweer </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>De vrouw verzoekt de rechtbank bij beschikking, te bepalen dat de man met ingang van 1 mei 2009 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] , telkens bij vooruitbetaling voor de 1e van de maand aan de vrouw dient te voldoen een bedrag van € 360,-- per maand, dan wel een dusdanig bedrag en met ingang van een dusdanige datum als de rechtbank in goede justitie mocht menen te behoren.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>De man verzoekt de rechtbank het verzoek van de vrouw af te wijzen voor zover de ingangsdatum is gelegen voor 12 april 2018 en voor zover deze het bedrag van € 25,-- althans een redelijke alimentatie, vastgesteld met inachtneming van ieders draagkracht, te boven gaat. <?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Op de standpunten van partijen wordt, voor zover voor de beoordeling van belang, hierna nader ingegaan. </para>
    </paragroup>
  </section>
  <para />
  <para />
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De beoordeling<?linebreak?></title>
    <bridgehead role="bold italic">ingangsdatum</bridgehead>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>De vrouw verzoekt om 1 mei 2009 als ingangsdatum te nemen. De man heeft hiertegen verweer gevoerd. <?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Artikel 1:402 van het Burgerlijk Wetboek (BW) laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het inleidend processtuk en de datum waarop de rechter beslist. De rechter dient van zijn bevoegdheid tot vaststelling van een bijdrage over een periode in het verleden een behoedzaam gebruik te maken. Nu de vrouw haar verzoek onvoldoende heeft gemotiveerd, zal de rechtbank aan haar verzoek voorbijgaan. De rechtbank acht het redelijk om 12 april 2018 als ingangsdatum voor de vast te stellen onderhoudsbijdrage ten behoeve van de minderjarige te hanteren, zijnde de datum van indiening van het verzoekschrift. De rechtbank is van oordeel dat de man vanaf dat moment rekening had kunnen en moeten houden met zijn onderhoudsverplichting. Indien de vrouw per een eerder gelegen datum een vaststelling had willen bewerkstelligen, had het op haar weg gelegen daartoe in een eerder stadium een verzoek te richten aan de rechtbank. Dat zij dat heeft nagelaten, komt voor haar rekening en risico. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">behoefte [de minderjarige]</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Partijen zijn verdeeld over de behoefte van [de minderjarige] . Volgens de vrouw bedraagt de geïndexeerde behoefte van [de minderjarige] € 491,-- en volgens de man € 113,-- per maand.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>De rechtbank overweegt als volgt. Uit de overgelegde stukken is gebleken dat de behoefte van [de minderjarige] niet eerder is vastgesteld en dat partijen formeel nimmer in gezinsverband hebben samengeleefd. Feitelijk hebben partijen echter wel samengeleefd. Net als partijen zal de rechtbank om die reden uitgaan van een gezinsinkomen ten behoeve van de behoefteberekening van [de minderjarige] . <?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>Nu de vrouw zich voor het eerst ter zitting op het standpunt heeft gesteld dat de behoefte van [de minderjarige] moet worden berekend aan de hand van het huidige inkomen en de man zich hier niet op heeft kunnen voorbereiden, passeert de rechtbank deze stelling als zijnde tardief. De financiële bescheiden van de man waren tijdig overgelegd, zodat de vrouw zich eerder op een dergelijk standpunt had kunnen beroepen.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <parablock>
        <para>De vrouw heeft gesteld dat haar netto besteedbaar inkomen in 2009 € 1.449,-- per maand bedroeg, hetgeen door de man niet is betwist. De man heeft ter onderbouwing van zijn inkomen in 2009 een inkomensverklaring overgelegd. Hieruit volgt dat de man een inkomen had van € 1.238,-- per jaar, zijnde afgerond € 103,-- per maand. Het netto gezinsinkomen bedroeg aldus € 1.552,-- per maand. Op basis daarvan berekent de rechtbank de behoefte van [de minderjarige] in 2009 op € 204,-- per maand. Geïndexeerd bedraagt de behoefte van [de minderjarige] afgerond € 231,-- per maand. <?linebreak?></para>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">draagkracht</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7.</nr>
      <para>In beginsel dienen de man en de vrouw naar rato van ieders draagkracht in deze behoefte te voorzien. De rechtbank zal daarom hierna - voor zover daar aanleiding voor bestaat - een vergelijking van ieders (beschikbare) draagkracht maken en de richtlijnen van de Expertgroep Alimentatienormen op het punt van de draagkracht volgen en de draagkracht vaststellen aan de hand van de zo geheten “draagkrachttabel”. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8.</nr>
      <para>Voor zover het netto besteedbare inkomen (hierna NBI) groter of gelijk is aan een bedrag van € 1.600,-- netto per maand zal de draagkracht worden bepaald aan de hand van de formule 70% [NBI – (NBI X 0,3 + 920 of toepasselijke forfaitaire bijstandsnorm + eventuele correctie)]. Bij een NBI kleiner dan € 1.600,-- netto per maand, maar groter dan € 1.350,-- netto per maand, gelden vaste tabelbedragen. Voor zover het NBI kleiner is dan een bedrag van € 1.350,-- netto per maand wordt uitgegaan van een minimumdraagkracht van € 25,-- per maand voor één kind en € 50,-- per maand voor twee of meer kinderen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">draagkracht man</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.9.</nr>
      <para>De man heeft een eigen onderneming, te weten [bedrijfsnaam] . De vrouw heeft vraagtekens gezet bij de overgelegde jaaropgaven, omdat de partner van de man sinds 2017 meewerkt in de onderneming van de man. Zij stelt dat er moet worden uitgegaan van een gecorrigeerd inkomen aan de zijde van de man. Anders dan door de vrouw betoogd, ziet de rechtbank geen aanleiding om uit te gaan van een gecorrigeerd inkomen aan de zijde van de man. De man heeft naar het oordeel van de rechtbank immers voldoende aannemelijk gemaakt dat zijn partner werkzaamheden in zijn onderneming verricht. Ook zal de rechtbank voorbijgaan aan de stelling van de vrouw dat voor de berekening van de draagkracht rekening moet worden gehouden met een procentuele stijging van de winst van de onderneming van de man. De rechtbank zal uitgaan van de gemiddelde resultaten van de man van de afgelopen drie jaren. In 2015 bedroeg de winst € 18.384,--, in 2016 € 11.243,-- en in 2017 € 24.656,--. Zijn gemiddelde winst bedraagt aldus afgerond € 18.094,-- per jaar. <?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.10.</nr>
      <parablock>
        <para>Daarnaast wordt rekening gehouden met de zelfstandigenaftrek (€ 7.280,--), de MKB Winstvrijstelling (€ 1.514,--), de algemene heffingskorting (€ 2.265,--), de arbeidskorting (€ 2.588,--) en de verschuldigde heffingskorting (€ 0,--). Op grond van het voorgaande bedraagt het netto besteedbaar inkomen van de man € 1.464,-- per maand. Nu het netto besteedbaar inkomen van de man kleiner is dan € 1.600,-- netto per maand, maar groter is dan € 1.350,-- netto per maand, gelden conform rechtsoverweging 4.8. vaste tabelbedragen. Op basis van de tabelbedragen heeft de man een draagkracht van € 116,-- per maand. <?linebreak?></para>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">draagkracht vrouw</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.11.</nr>
      <para>De vrouw ontvangt een ziektewetuitkering. De rechtbank is voor de berekening van de draagkracht van de vrouw uitgegaan van de laatste betaalspecificaties van de ziektewetuitkering van de vrouw, zijnde afgerond € 526,-- per week. <?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.12.</nr>
      <parablock>
        <para>Daarnaast wordt rekening gehouden met de toepasselijke algemene heffingskorting, de inkomensheffing alsmede het door de vrouw te ontvangen kindgebonden budget (inclusief de alleenstaande ouderkop) van circa € 4.023,-- per jaar, berekent de rechtbank het netto besteedbaar inkomen van de vrouw op € 1.916,-- per maand. Op basis van de draagkrachtformule heeft de vrouw een draagkracht van € 294,-- per maand.  <?linebreak?></para>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">draagkrachtvergelijking</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.13.</nr>
      <para>Partijen dienen in de behoefte van hun kind bij te dragen volgens de formule "eigen draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte van het kind". De totale draagkracht van partijen bedraagt € 410,-- per maand (de man € 116,-- en de vrouw € 294,--). De behoefte van [de minderjarige] is vastgesteld op € 231,-- per maand. Op grond van het voorgaande bedraagt:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>het aandeel van de man (draagkracht man/totale draagkracht x behoefte) € 65,-- per maand;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het aandeel van de vrouw (draagkracht vrouw/totale draagkracht x behoefte) € 166,-- per maand.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">zorgkorting</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.14.</nr>
      <para>Partijen zijn verdeeld over de toepasselijkheid van zorgkorting. De vrouw is van mening dat geen rekening moet worden gehouden met zorgkorting en de man is van mening dat rekening moet worden gehouden met een zorgkortingspercentage van 15%. <?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.15.</nr>
      <parablock>
        <para>Op dit moment is er geen sprake van contact tussen de man en [de minderjarige] . Echter, gelet op de omstandigheid dat man en de vrouw onderling en jegens [de minderjarige] het recht en de verplichting hebben tot contact en gegeven het feit dat niet is gebleken dat er op dit moment aan de zijde van de man onwil bestaat om met [de minderjarige] in contact te treden, gaat de rechtbank ervan uit dat er tussen de man en [de minderjarige] enige vorm van contact kan en moet zijn en dat de man in die situatie voor een deel in nature bijdraagt in de kosten van verzorging en opvoeding. Dit betekent dat de rechtbank op dit moment ten aanzien van de man een zorgkorting van afgerond € 12,-- (5% van € 231,--) in aanmerking neemt.<?linebreak?></para>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">resumé</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.16.</nr>
      <para>Het vorenstaande leidt ertoe dat de man maandelijks € 53,-- aan de vrouw dient te voldoen in het kader van de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] . Deze bijdrage acht de rechtbank in overeenstemming met de wettelijke maatstaven, om welke reden zij deze ten laste van de man zal bepalen zoals hierna vermeld.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">aanhechten draagkrachtberekeningen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.17.</nr>
      <para>De rechtbank voegt ter informatie de in het kader van deze procedure gemaakte draagkrachtberekeningen als bijlagen toe aan deze beschikking.</para>
      <para />
      <para />
      <para>
        <?linebreak?>
      </para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>	De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <parablock>
        <para>bepaalt dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van:</para>
        <para>a) <emphasis role="bold">[naam minderjarige]</emphasis>, geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]</para>
        <para>met ingang van 12 april 2018 een bedrag van <emphasis role="bold">€ 53,-- </emphasis>(zegge: drieënvijftig euro) per maand, (voor de toekomst) telkens bij vooruitbetaling, aan de vrouw dient te voldoen;<?linebreak?></para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>wijst af het meer of anders verzochte. </para>
      <para />
      <para />
      <informaltable>
        <tgroup cols="3">
          <colspec colname="colA" />
          <colspec colname="colB" />
          <colspec colname="colC" />
          <tbody>
            <row>
              <entry namest="colA" nameend="colC">
                <para>Deze beschikking is gegeven door mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, (kinder)rechter, in tegenwoordigheid van mr. S.P. van der Meer als griffier en in het openbaar uitgesproken op <?linebreak?>19 oktober 2018.</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry namest="colA" nameend="colC">
                <para>Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:</para>
                <para>- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,</para>
                <para>- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.</para>
                <para>Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.</para>
                <para />
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
          </tbody>
        </tgroup>
      </informaltable>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold underline">BIJLAGEN</emphasis>:</para>
        <para>
          <emphasis role="bold">[ Bijlagen verwijderd ter anonimisatie ]</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>