<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBGEL:2018:2746</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-06-21T17:11:36</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-06-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Gelderland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Gelderland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-06-13</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL18.9633</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Arnhem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2018:2746">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2018:2746</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-06-21T17:10:19</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-06-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBGEL:2018:2746 Rechtbank Gelderland , 13-06-2018 / NL18.9633</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBGEL:2018:2746:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>KEI. Procesinleiding na oproeping ex art. 113 Rv. Niet onverwijld indienen van het exploot. Herstelexploot.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBGEL:2018:2746:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>vonnis</para>
    <bridgehead role="bold">_</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">RECHTBANK GELDERLAND</emphasis>
      </para>
      <para>Civiel  recht Zittingsplaats Arnhem zaaknummer: NL18.9633<emphasis role="bold" /></para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van 13 juni 2018</emphasis>
      </para>
      <para> in de zaak van</para>
      <para>de coöperatie</para>
      <para>COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.,</para>
      <para>gevestigd te Utrecht,</para>
      <para>eiseres, hierna te noemen: Rabobank, advocaat mr. S.K. Tuithof te Amsterdam,</para>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>
      [verweerder sub 1], zonder bekende woon- of verblijfplaats,</title>
    <para>2.	<emphasis role="bold">[verweerders sub 2]</emphasis>, wonende in de [gemeente],</para>
    <para>niet verschenen.</para>
    <bridgehead role="bold">1.	De procedure</bridgehead>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
        <para>- de procesinleidingen met producties.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Ten slotte is vonnis bepaald.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>De beoordeling</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Bij exploten van 8 februari 2018 heeft Rabobank op de voet van art. 113 Rv oproepingsberichten aan [verweerder sub 1] en [verweerders sub 2] laten betekenen. De exploten vermelden dat [verweerder sub 1] en [verweerders sub 2] ten laatste op 30 mei 2018 als verweerders kunnen verschijnen. Op 14 februari 2018 en op 15 mei 2018 heeft Rabobank aan [verweerders sub 2] herstelexploten laten betekenen waarin uiteindelijk aan [verweerders sub 2] op 15 mei 2018 een geldige code is verschaft om te verschijnen. Op 22 mei 2018 heeft Rabobank de exploten van betekening, de oproepingsberichten en de procesinleidingen bij de rechtbank ingediend. Vanaf dat moment was het geding aanhangig. [verweerder sub 1] noch [verweerders sub 2] is verschenen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Rabobank heeft in strijd met art. 113 lid 3 Rv en art. 2.1.6. van het Landelijk procesreglement civiele zaken rechtbanken en gerechtshoven KEI, de oproepingsexploten niet onverwijld, respectievelijk binnen 5 werkdagen na de betekening, bij de rechtbank</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>NL18.9633	2</para>
        <para>13 juni 2018</para>
        <para>
          <emphasis role="bold">_</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>ingediend. Niet valt uit te sluiten dat [verweerder sub 1] als gevolg van deze handelwijze tussen 8 februari en 22 mei 2018 heeft willen verschijnen maar heeft moeten constateren dat hij daartoe feitelijk niet in staat was omdat Rabobank het geding op dat moment nog niet aanhangig had gemaakt. Tegen [verweerder sub 1] wordt geen verstek verleend. Rabobank dient [verweerder sub 1] bij exploot een nieuwe uiterste verschijndag aan te zeggen die is gelegen ten minste 14 dagen na de dag van bekendmaking van een uittreksel van dit exploot in de Staatscourant.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Ook tegen [verweerders sub 2] kan geen verstek worden verleend. Zij is eerst bij herstelexploot van 15 mei 2018 rechtsgeldig opgeroepen tegen de uiterste verschijndatum van 30 mei 2018. Daarmee waren er tussen de datum van het uitbrengen van dat exploot en de uiterste verschijndag meer dan veertien dagen gelegen, maar de zaak is pas aanhangig geworden op 22 mei 2018 door indiening van de exploten. De ratio van de veertiendagentermijn is dat de verweerder minstens veertien dagen de tijd moet hebben gehad om zich te beraden of hij in de procedure wil verschijnen (HR 13 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2629, NJ 2017/420 r.o. 2.4.3). Gezien die ratio kan die termijn niet eerder ingaan dan op het moment waarop het geding aanhangig is. In geval van een betekening op de voet van art. 113 lid 1 Rv, zoals hier, wordt het geding pas aanhangig bij het indienen van het oproepingsexploot. De termijn van veertien dagen vangt daarom, anders dan in het geval van oproeping op de voet van art. 112 lid 1 Rv waarbij het geding ten tijde van de betekening al aanhangig is, bij een betekening op de voet van art. 113 lid 1 niet aan op het moment van betekening maar eerst op het moment van indiening van het exploot. Aangezien tussen de indiening op 22 mei 2018 en de uiterste verschijndatum van 30 mei 2018 minder dan veertien dagen zijn gelegen, zal de Rabobank aan [verweerders sub 2] bij exploot een nieuwe uiterste verschijndatum moeten aanzeggen die haar alsnog een termijn van ten minste veertien dagen geeft om te beslissen of zij wil verschijnen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <parablock>
        <para>Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.</para>
        <para>
          <emphasis role="bold">3.	De beslissing</emphasis>
        </para>
        <para>De rechtbank</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>bepaalt dat Rabobank uiterlijk op 27 juni 2018 de in 2.2. en 2.3 bedoelde exploten zal indienen,</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <parablock>
        <para>houdt iedere verdere beslissing aan.</para>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.B. Boonekamp en in het openbaar uitgesproken op 13 juni 2018.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>