<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBGEL:2018:1752</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-05-01T14:08:39</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-04-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Gelderland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Gelderland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-04-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB - 17 _ 6741</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Zutphen</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2018:1752">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2018:1752</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-05-01T14:08:01</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-05-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBGEL:2018:1752 Rechtbank Gelderland , 17-04-2018 / AWB - 17 _ 6741</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBGEL:2018:1752:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Een maatwerkvoorziening expireert op de datum als neergelegd in de toekenningsbeschikking. De tekst van noch de toelichting op de Wmo 2015 leveren aanknopingspunten op voor het standpunt van eiseres dat verweerder (ambtshalve) moet beoordelen of eiseres wederom in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening. Integendeel, uit het systeem van de wet en dan met name de artikelen 2.3.2, negende lid, bezien in samenhang met artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 volgt dat een maatwerkvoorziening uitsluitend op aanvraag wordt verstrekt. Het had dan ook op de weg van eiseres gelegen om (tijdig) een aanvraag in te dienen, óók als er in haar situatie niets is veranderd en zij nog steeds op ondersteuning is aangewezen. Er is dan ook geen sprake van dat verweerder een besluit had moeten nemen. Dat brengt mee dat er geen grond is een dwangsom toe te kennen. </para>
        <para>Dat verweerder de indicatie om hem moverende redenen de looptijd van maatwerkvoorziening ambtshalve heeft verlengd (in het kader van de eerdere discussie tussen partijen) doet aan het voorgaande niet af.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBGEL:2018:1752:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK GELDERLAND</bridgehead>
    <para>Zittingsplaats Zutphen</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: 17/6741</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 april 2018</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak tussen</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiseres] te [woonplaats] , eiseres,</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: [naam] )</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Doetinchem</emphasis> te Doetinchem, verweerder.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 11 december 2017, ontvangen 15 december 2017, heeft eiseres de rechtbank verzocht om een dwangsom vast te stellen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 april 2018. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde T.I. Gerritsen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Verweerder heeft op 30 juni 2016 aan eiseres een maatwerkvoorziening toegekend op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) over de periode van 1 juli 2016 tot en met 30 september 2017. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <parablock>
        <para>Op 6 oktober 2017 is aan verweerder een e-mail gezonden, afkomstig van het e-mailadres van eiseres waarbij verweerder in gebreke is gesteld. Bij brief van 10 oktober 2017 heeft verweerder de e-mail geweigerd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para>2. Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder, ook na daartoe in gebreke te zijn gesteld, niet tijdig de maatwerkvoorziening heeft verlengd. Verweerder is daartoe, volgens eiseres, wel gehouden. Verweerder is dan ook een dwangsom aan eiseres verschuldigd. </para>
      <para />
      <para>3. Verweerder voert aan dat de op 30 juni 2016 verstrekte indicatie is geëxpireerd op 30 september 2017, dat eiseres voor het aflopen van de indicatie geen nieuwe melding of nieuwe aanvraag heeft gedaan op grond waarvan verweerder een beslissing moest nemen over het al dan niet afgeven van een nieuwe indicatie en er derhalve geen sprake kan zijn van een overschrijding van enige beslistermijn.</para>
      <para>De e-mail van 6 oktober 2017 heeft verweerder geweigerd, omdat deze niet door eiseres is ondertekend en eiseres desgevraagd in een telefoongesprek op 9 oktober 2017 heeft verklaard dat deze niet van haar afkomstig was.</para>
      <para />
      <para>4. De rechtbank overweegt als volgt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>De rechtbank overweegt dat de verstrekte maatwerkvoorziening expireert op de datum als neergelegd in de toekenningsbeschikking. De tekst van noch de toelichting op de Wmo 2015 leveren aanknopingspunten op voor het standpunt van eiseres dat verweerder (ambtshalve) moet beoordelen of eiseres wederom in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening. Integendeel, uit het systeem van de wet en dan met name de artikelen 2.3.2, negende lid, bezien in samenhang met artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 volgt dat een maatwerkvoorziening uitsluitend op aanvraag wordt verstrekt. Het had dan ook op de weg van eiseres gelegen om (tijdig) een aanvraag in te dienen, óók als er in haar situatie niets is veranderd en zij nog steeds op ondersteuning is aangewezen. Dat zij al langer ondersteuning, al dan niet in de vorm van een maatwerkvoorziening, heeft ontvangen van verweerder maakt dat niet anders. Verder heeft eiseres niet met bijvoorbeeld medische stukken onderbouwd dat opnieuw aanvragen van een maatwerkvoorziening te belastend voor haar zou zijn.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Niet is gebleken dat een aanvraag tot het (opnieuw) verstrekken van een maatwerkvoorziening door eiseres is gedaan. Anders dan eiseres stelt, lag er op 6 oktober 2017 geen aanvraag voor waarop verweerder vóór 30 september 2017 had behoren te beslissen. Zo de e-mail van 6 oktober 2017 al kan worden gezien als een ingebrekestelling, dan nog was daar geen grond voor. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Dat verweerder de indicatie om hem moverende redenen ambtshalve heeft verlengd (in het kader van de eerdere discussie tussen partijen) doet aan het voorgaande niet af.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>5.	Dit leidt de rechtbank tot de slotsom dat er geen sprake van is dat verweerder in gebreke was een besluit te nemen als bedoeld in artikel 6:12 van de Algemene wet bestuursrecht. Verweerder is dus ook geen dwangsom verschuldigd. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="3">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <colspec colname="colC" />
        <tbody>
          <row>
            <entry namest="colA" nameend="colC">
              <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Klein Egelink, rechter, in tegenwoordigheid van </para>
              <para>mr. K.V. van Weert, griffier. </para>
              <para>De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 17 april 2018</para>
              <para />
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry>
              <para />
              <para />
              <para />
              <para />
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para />
              <para />
              <para />
              <para />
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para />
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry namest="colA" nameend="colC">
              <para>Afschrift verzonden aan partijen op:</para>
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para />
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry namest="colA" nameend="colC">
              <para>
                <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
              </para>
              <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>