<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBGEL:2017:6444</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T17:40:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-12-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Gelderland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Gelderland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2017-09-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">6199189</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#beschikking">Beschikking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Zutphen</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>AR 2017/6650</rdf:li>
          <rdf:li>Prg. 2018/30</rdf:li>
          <rdf:li>RAR 2018/45</rdf:li>
          <rdf:li>JAR 2017/299</rdf:li>
          <rdf:li>AR-Updates.nl 2017-1241</rdf:li>
          <rdf:li>VAAN-AR-Updates.nl 2017-1241</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2017:6444">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2017:6444</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-12-14T10:45:36</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-12-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBGEL:2017:6444 Rechtbank Gelderland , 26-09-2017 / 6199189</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBGEL:2017:6444:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Arbeidsrecht. Aanzegvergoeding niet verschuldigd want </para>
        <para>werkgever besluit alsnog de arbeidsovereenkomst te verlengen.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBGEL:2017:6444:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK GELDERLAND</bridgehead>
    <para>Team kanton en handelsrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Zutphen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: 6199189 HA VERZ 17-56</para>
      <para>Afschrift aan: mr. D.M.C. Kooijman en A.J.M. Derksen</para>
      <para>Verzonden d.d. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Beschikking van 26 september 2017 van de kantonrechter </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [naam verzoekster] ,</emphasis>
      </para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>verzoekster, </para>
      <para>gemachtigde: mr. D.M.C. Kooijman,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">HT Koeriers B.V.,</emphasis>
      </para>
      <para>gevestigd te Didam,</para>
      <para>verweerster,</para>
      <para>gemachtigde: A.J.M.  Derksen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het verloop van de procedure</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit verloop blijkt uit:</para>
    </parablock>
    <para>- het verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 28 juli 2017;</para>
    <para>- de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling die op 7 september 2017 heeft plaatsgevonden.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De vaststaande feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Verzoekster is op 1 december 2016 krachtens een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tot en met 31 mei 2017 in dienst getreden bij verweerster in de functie van chauffeur koeriersdiensten voor 25 uur per week tegen een salaris van € 1.113,63 bruto per maand exclusief emolumenten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <parablock>
        <para>Op 22 mei hebben partijen gesproken over het feit dat de overeenkomst op 1 juni 2017 zou aflopen. Verweerster heeft uitgesproken dat zij de intentie had de arbeidsovereenkomst te verlengen. Verzoekster wilde graag vakantie opnemen en verweerster heeft de voorgestelde vakantiedagen goedgekeurd. Ook na 1 juni 2017 heeft verzoekster haar werkzaamheden voor verweerster voortgezet. Vanaf 14 juni 2017 is zij arbeidsongeschikt. </para>
        <para>Nadien heeft verweerster verzoekster een nulurencontract aangeboden, maar dat heeft verzoekster niet ondertekend.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>In een brief van 20 juli 2017 is namens verweerster aan de gemachtigde van verzoekster onder meer meegedeeld dat zij nooit heeft aangezegd en dat verweerster de maandelijkse loonbetalingen zal blijven doen. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Het verzoek</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>Verzoekster heeft verzocht dat de kantonrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking, samengevat:</para>
      <para />
      <para>a. aan verzoekster ten laste van verweerster een vergoeding zal toe te kennen ex artikel 7:668 lid 3 BW ter hoogte van € 1.202,72 bruto te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag waarop de arbeidsovereenkomst is beëindigd en daarbij zal bepalen dat deze vergoeding binnen 2 weken na deze beschikking door verweerster aan verzoekster dient te zijn voldaan;</para>
      <para />
      <para>b. voor recht zal verklaren dat de arbeidsovereenkomst conform artikel 7:668 lid 4 BW verlengd is tot 1 december 2017 op de vroegere voorwaarden;</para>
      <para />
      <para>c. de opzegging van de arbeidsovereenkomst zal vernietigen;</para>
      <para />
      <para>d. verweerster zal veroordelen in de proceskosten;</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>alsmede de verzoeken e. tot en met i. ter zake van een aantal voorlopige voorzieningen voor de duur van de procedure in de zin van artikel 223 Rv. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <parablock>
        <para>Verzoekster heeft tegen de achtergrond van de vaststaande feiten aan haar verzoek onder meer de volgende stellingen ten grondslag gelegd.</para>
        <para>De werkzaamheden zijn na 1 juni 2017 voortgezet zodat de arbeidsovereenkomst voor dezelfde tijd en onder de vroegere voorwaarden is verlengd. Uit een loonstrook valt af te leiden dat de arbeidsovereenkomst is beëindigd, maar er heeft geen rechtsgeldige beëindiging van de arbeidsovereenkomst plaatsgevonden. Verzoekster verzoekt daarom vernietiging van de opzegging en een verklaring voor recht dat de arbeidsovereenkomst is verlengd. Verder heeft zij een spoedeisend belang bij de genoemde voorlopige voorzieningen voor de duur van de procedure.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Het verweer</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerster heeft ter zitting verweer gevoerd en verzocht dat de kantonrechter de verzoeken zal afwijzen. </para>
      <para>Het verweer van verweerster zal, voor zover van belang, hierna worden weergegeven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>5</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1</nr>
      <para>Het verzoek is tijdig ingediend zodat verzoekster in zoverre daarin ontvankelijk is. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2</nr>
      <para>De eerste vraag is of verweerster aan verzoekster de aanzegvergoeding is verschuldigd. Ter zitting heeft verweerster uitdrukkelijk naar voren gebracht dat zij vanaf 1 juni 2017 de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voor dezelfde periode wil voortzetten. Dit blijkt ook al impliciet uit haar brief van 20 juli 2017. De kantonrechter stelt vast dat de werkzaamheden zijn voortgezet op en na 1 juni 2017 zodat de arbeidsovereenkomst van rechtswege is verlengd voor dezelfde duur. Dit betekent dat het ontbreken van de schriftelijke aanzegging dat de arbeidsovereenkomst zal worden verlengd geen enkel negatief gevolg voor verzoekster heeft gehad, de arbeidsovereenkomst is immers verlengd, zodat een redelijke wetsuitleg meebrengt dat er geen grondslag is voor het toekennen van een aanzegvergoeding. Dat wordt niet anders doordat er na 1 juni 2017 voorstellen zijn gedaan voor een andere vorm van arbeidsovereenkomst nu verweerster definitief en uitdrukkelijk het standpunt onderschrijft dat de arbeidsovereenkomst ongewijzigd is doorgelopen voor dezelfde duur. Het voorgaande brengt mee dat de verzochte aanzegvergoeding zal worden afgewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3</nr>
      <parablock>
        <para>Verzoekster heeft geen redelijk afzonderlijk belang meer bij een verklaring voor recht, nu uit het voorgaande blijkt dat beide partijen hebben vastgesteld dat de arbeidsovereenkomst is verlengd tot 1 december 2017.</para>
        <para>Verweerster heeft ter zitting kenbaar gemaakt de arbeidsovereenkomst niet na 1 december 2017 te willen voortzetten.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4</nr>
      <para>Ten slotte vloeit ook uit het bovenstaande voort dat de arbeidsovereenkomst niet met zoveel woorden door verweerster is opgezegd en voor zover dat zo zou zijn blijkt uit de processuele opstelling van verweerster dat zij die opzegging heeft ingetrokken dan wel daarvan afstand heeft gedaan. Er is dan ook geen grond aanwezig om een opzegging te vernietigen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5</nr>
      <para>Het voorgaande brengt mee dat de verzoeken zullen worden afgewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.6</nr>
      <para>De voor de duur van de procedure verzochte voorlopige voorzieningen zullen worden afgewezen, want de procedure eindigt met deze eindbeschikking. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.7</nr>
      <para>De door partijen aangevoerde argumenten die in het voorgaande niet aan de orde zijn gekomen behoeven geen bespreking, nu deze in het licht van hetgeen is vastgesteld en overwogen niet tot een andere beslissing kunnen leiden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.8</nr>
      <para>Mede gelet op de uitkomst van de zaak zal worden bepaald dat ieder van partijen de eigen proceskosten draagt.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kantonrechter:</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>6.1</nr>
      <para>wijst het verzochte af;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2</nr>
      <para>bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt. </para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Deze beschikking is gegeven door mr. M.C.J. Heessels, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare zitting van 26 september 2017 in aanwezigheid van de griffier.</para>
        <para>conc.: mh</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>