<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBGEL:2015:2399</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-16T13:13:27</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2015-04-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Gelderland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Gelderland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2015-04-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">05/820419-14</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Zutphen</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2015:2399">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2015:2399</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-04-10T08:44:58</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2015-04-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBGEL:2015:2399 Rechtbank Gelderland , 10-04-2015 / 05/820419-14</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBGEL:2015:2399:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>De rechtbank Gelderland heeft een man uit Hilversum vrijgesproken. De man werd ervan verdacht seksueel binnen te zijn gedrongen bij zijn schoonzus die leed aan een vorm van dementie. De rechtbank was van oordeel dat de verklaring van de vrouw onvoldoende ondersteuning vond in enig ander bewijsmiddel.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBGEL:2015:2399:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">RECHTBANK GELDERLAND</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team strafrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Zutphen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer	: 05/820419-14</para>
      <para>Datum uitspraak	: 10 april 2015</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegenspraak</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">vonnis van de meervoudige kamer</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verdachte]
        </emphasis>
      </para>
      <para>geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], wonende te [adres], [woonplaats]</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>raadsvrouw	: mr. B.A.F. van Drimmelen, advocaat te Hilversum.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 27 maart 2015.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De inhoud van de tenlastelegging</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging - ten laste gelegd dat:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hij in of omstreeks de periode van 15 december 2013 tot en met 16 december </para>
      <para>2013 te Doetinchem, in ieder geval in Nederland, door geweld en/of één of meer andere feitelijkheden, [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een handeling </para>
      <para>bestaande uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], te </para>
      <para>weten het brengen van zijn penis in haar mond, en bestaande dat geweld en/of die één of meer andere feitelijkheden hierin dat verdachte met die [slachtoffer] naar haar kamer is gegaan en/of daar onverhoeds zijn penis in haar mond heeft geduwd, terwijl verdachte gebruik heeft gemaakt van zijn geestelijk overwicht ten opzichte van die [slachtoffer] en/of verdachte misbruik heeft gemaakt van de zwakke psychische gesteldheid van die [slachtoffer] (gelet op haar frontotemporale dementie) en/of van het beperkte en/of verminderde vermogen van die [slachtoffer] om weerstand te bieden; </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling leidt:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hij in of omstreeks de periode van 15 december 2013 tot en met 16 december 2013 te Doetinchem, in elk geval in Nederland, met [slachtoffer] een handeling heeft gepleegd, bestaande uit het sexueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer],</para>
      <para>te weten het duwen/drukken van zijn penis in haar mond,</para>
      <para>terwijl verdachte wist dat die [slachtoffer] lijdt aan een zodanige gebrekkige</para>
      <para>ontwikkeling of ziekelijke stoornis van haar geestvermogens (die [slachtoffer] lijdt aan</para>
      <para>frontotemporale dementie) dat zij niet onvolkomen in staat was haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden;</para>
      <para>artikel 243 Wetboek van Strafrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>Overwegingen ten aanzien van het bewijs</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Aanleiding onderzoek</emphasis>
      </para>
      <para>Op woensdag 25 december 2013 heeft een informatief gesprek plaatsgevonden met [betrokkene] (hierna: [betrokkene]). Zij heeft op 3 januari 2014 aangifte gedaan van seksueel misbruik van haar moeder  [slachtoffer] (hierna ook: [slachtoffer]) - door verdachte, de zwager van [slachtoffer].</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Het standpunt van de officier van justitie </emphasis>
      </para>
      <para>De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Het standpunt van de verdediging</emphasis>
      </para>
      <para>De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het tenlastegelegde. De raadsvrouw heeft betoogd dat de door [slachtoffer] afgelegde verklaring niet betrouwbaar is en dat er derhalve geen wettig bewijs is voor een veroordeling. Indien die verklaring wel betrouwbaar wordt geacht, heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat in dat geval de verklaring van [slachtoffer] de enige bruikbare verklaring is. Alle andere in het dossier opgenomen verklaringen zijn terug te leiden tot [slachtoffer]. De verklaring van [slachtoffer] vindt onvoldoende steun in ander bewijsmateriaal. Daarom is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs, aldus de raadsvrouw. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Beoordeling door de rechtbank </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Inleidende overwegingen betreffende het bewijs in zedenzaken</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank overweegt dat veel zedenzaken zich doorgaans kenmerken door het feit dat er slechts twee personen aanwezig waren bij de (beweerdelijke) seksuele handelingen: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. Dat maakt dat extra zorgvuldig naar de waardering van afgelegde verklaringen moet worden gekeken, zeker als het een ontkennende verdachte betreft.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Volgens het tweede lid van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering en de op die bepaling betrekking hebben jurisprudentie van de Hoge Raad kan en mag het bewijs dat de verdachte een ten laste gelegd feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij eraan in de weg staat dat de rechter tot een bewezenverklaring komt ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander (wettig) bewijsmateriaal (Hoge Raad 30 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG7746, NJ 2009/496).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit deze jurisprudentie volgt dat niet is vereist dat het springende punt (het door verdachte betwiste onderdeel van de betreffende verklaring) steun vindt in een ander bewijsmiddel. Voldoende is dat de gebezigde verklaring op specifieke punten steun vindt in ander bewijsmateriaal, zodat de verklaring niet op zichzelf staat, maar is ingebed in een concrete context die bevestiging vindt in een andere bron.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank moet derhalve de vraag beantwoorden of in deze zaak aan dat bewijsminimum is voldaan. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vrijspraak</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij het lichaam van zijn schoonzus is binnengedrongen doordat hij zijn penis in haar mond heeft geduwd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank acht dit niet bewezen.</para>
      <para>Uit de inleidende overwegingen hiervoor volgt dat de verklaring van [slachtoffer] voldoende steun moet vinden in ten minste één ander bewijsmiddel. Naar het oordeel van de rechtbank vindt deze verklaring over de seksuele handeling onvoldoende steun in ander (wettig) bewijsmateriaal. Aldus kan niet worden vastgesteld dat de verklaring van [slachtoffer] in voldoende mate is ingebed in een concrete context die bevestiging vindt in ten minste één andere bron.</para>
      <para>De rechtbank acht hierbij van belang dat er geen getuigen zijn die de handeling hebben waargenomen en dat andere bewijsmiddelen waaruit verdachtes betrokkenheid bij het tenlastegelegde feit rechtstreeks volgt, ontbreken. De aangifte van [betrokkene], waarin zij verklaart over de handeling, kan niet worden aangemerkt als ondersteunend bewijs aangezien die verklaring is gebaseerd op dezelfde bron, te weten [slachtoffer]. De overige door de officier van justitie genoemde verklaringen geven onvoldoende steun aan de aangifte van [betrokkene], aangezien uit die verklaringen niet meer volgt dan dat verdachte op 16 december 2013 bij [slachtoffer] op bezoek is geweest.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het voorgaande is er naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende steunbewijs. De rechtbank acht het primair en subsidiair tenlastegelegde reeds daarom niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte dient daarvan derhalve te worden vrijgesproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">3.		De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van een schadevergoeding van € 850,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering, nu verdachte zal worden vrijgesproken van het tenlastegelegde. De benadeelde partij kan derhalve haar vordering slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	verklaart <emphasis role="bold">niet bewezen </emphasis>dat verdachte het primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij; </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet‑ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat die vordering slechts bij de civiele rechter kan worden aangebracht;<?linebreak?></para>
      <para> veroordeelt de benadeelde partij [slachtoffer] in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging <emphasis role="bold">nog te maken kosten</emphasis>, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>Dit vonnis is gegeven door mr. M.C. van der Mei (voorzitter), mr. S. Kropman en mr. M.J.C. Pieterse, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.C.M. Althoff, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 10 april 2015.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Mr. M.C. van der Mei is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>