<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBGEL:2013:2663</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T23:19:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-08-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Gelderland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Gelderland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2013-08-21</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">856301</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#prejudicieelVerzoek">Prejudicieel verzoek</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Arnhem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_personenEnFamilierecht">Civiel recht; Personen- en familierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2014:525" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/prejudicieleVraag" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#prejudiciële beslissing">Prejudiciële vraag aan: ECLI:NL:HR:2014:525, Prejudiciële beslissing</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RFR 2013/139</rdf:li>
          <rdf:li>JHV 2013/171 met annotatie van mr. Gardenbroek</rdf:li>
          <rdf:li>PFR-Updates.nl 2013-0151</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2013:2663">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2013:2663</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-08-30T10:01:51</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-08-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBGEL:2013:2663 Rechtbank Gelderland , 21-08-2013 / 856301</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBGEL:2013:2663:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Rechtbank Gelderland stelt drie (prejudiciële) rechtsvragen aan de Hoge Raad betreffende de positie van de beschermingsbewindvoerder in rechtszaken waarin de rechthebbende is betrokken en in het bijzonder in rechtszaken waarin ontbinding van de huurovereenkomst met de rechthebbende (en ontruiming van de woning) wordt gevorderd. De drie vragen zijn:</para>
        <para>Kan de beschermingsbewindvoerder (art. 1:435 BW) door te verschijnen in een zaak waarin de rechthebbende is gedagvaard (in casu door een verzetdagvaarding uit te brengen) als procespartij worden aangemerkt? Zo nee, kan dat – tijdens de procedure alsnog – worden bewerkstelligd, bijvoorbeeld doordat een verklaring van de rechthebbende in de procedure wordt ingebracht inhoudende een instemming met de verschijning (van de beschermingsbewindvoerder) in die procedure?</para>
      </parablock>
      <para />
      <para> </para>
      <para />
      <para>Dient de beschermingsbewindvoerder te worden gedagvaard ongeacht de vraag of de eisende partij bekend was (of behoorde te zijn) met de onderbewindstelling van de goederen van de te dagvaarden partij (ervan uitgaande dat het geschil de onder bewind staande goederen betreft)?</para>
      <para />
      <para> </para>
      <para />
      <para>Dient een vordering van een verhuurder tot ontbinding van een door de rechthebbende (voor de instelling van het bewind) gesloten huurovereenkomst en tot ontruiming van het gehuurde te worden ingesteld tegen de rechthebbende zelf of (juist) tegen de beschermingsbewindvoerder?</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBGEL:2013:2663:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>vonnis</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">RECHTBANK GELDERLAND</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team kanton en handelsrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Arnhem</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaakgegevens	856301 \ CV EXPL 13-226 \ BE \ 340 \ be</para>
      <para>uitspraak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">vonnis in verzet</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eisende partij] handelend in zijn hoedanigheid als bewindvoerder over de goederen die (zullen) toebehoren aan de heer [naam onder bewindgestelde]</emphasis>
      </para>
      <para>wonende te [woonplaats]</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">eisende partij in verzet in conventie</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">eisende partij in reconventie</emphasis>
      </para>
      <para>gemachtigde mr. J.H.J. Joosten</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde partij] h.o.d.n. [handelsnaam]</emphasis>
      </para>
      <para>wonende te [woonplaats]</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">gedaagde partij in verzet in conventie</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">verwerende partij in reconventie</emphasis>
      </para>
      <para>gemachtigde Stichting Achmea Rechtsbijstand (mr. M. van Popering)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen worden hierna [eisende partij]q.q. en [gedaagde partij] genoemd. </para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
    </parablock>
    <para>- het tussenvonnis van 5 juni 2013 (LJN CA2469)</para>
    <para>- de aktes van beide partijen</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>De verdere beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>De kantonrechter heeft in het tussenvonnis van 5 juni 2013 aangegeven een drietal vragen ter beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing aan de Hoge Raad voor te willen leggen (art. 392-394 Rv):</para>
      <orderedlist numeration="loweralpha">
        <listitem>
          <para>
            <emphasis role="italic">Kan de bewindvoerder (ex art. 1: 431 BW) door te verschijnen in een zaak waarin de rechthebbende is gedagvaard (in casu door een verzetdagvaarding uit te brengen) als procespartij worden aangemerkt? Zo nee, kan dat – tijdens de procedure alsnog – worden bewerkstelligd, bijvoorbeeld doordat een verklaring van de rechthebbende in de procedure wordt ingebracht inhoudende een instemming met de verschijning (van de bewindvoerder) in die procedure?</emphasis>
          </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            <emphasis role="italic">Dient de bewindvoerder te worden gedagvaard ongeacht de vraag of de eisende partij bekend was (of behoorde te zijn) met de onderbewindstelling van de goederen van de te dagvaarden partij (ervan uitgaande dat het geschil de onder bewind staande goederen betreft)?</emphasis>
          </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            <emphasis role="italic">Dient een vordering van een verhuurder tot ontbinding van een door de rechthebbende (voor de instelling van het bewind) gesloten huurovereenkomst en tot ontruiming van het gehuurde te worden ingesteld tegen de rechthebbende zelf of (juist) tegen de bewindvoerder?</emphasis>
          </para>
        </listitem>
      </orderedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Partijen hebben vervolgens elk bij akte aangegeven zich te kunnen vinden in dit voornemen en in de inhoud van de vragen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>
        [eisende partij]q.q. heeft ten aanzien van de onder a. en c. vermelde vragen aangegeven dat hij deze graag aangevuld ziet in die zin dat bij een ontkennende beantwoording om nadere verduidelijking wordt gevraagd over de verhouding met de in de art. 1:441 lid 1 en 438 BW geformuleerde vertegenwoordigings- en beheersbevoegdheid van de bewindvoerder (ex art. 1:431 BW). De kantonrechter ziet geen aanleiding deze vragen te wijzigen c.q. aan te passen. In de vraag onder a wordt reeds – in het geval de vraag ontkennend wordt beantwoord – met zoveel woorden om een ‘verduidelijking’ gevraagd. De vraag onder c acht de kantonrechter (eveneens) voldoende duidelijk. In de te stellen vragen zal de in art. 1:435 jo 431 BW bedoelde bewindvoerder de beschermingsbewindvoerder worden genoemd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>De kantonrechter tekent in dit verband volledigheidshalve aan dat [eisende partij]q.q. in zijn akte ten onrechte stelt dat hoger beroep in procedures met betrekking tot de wettelijke schuldsanering op straffe van niet-ontvankelijkheid dient te worden ingesteld door de beschermingsbewindvoerder. De Hoge Raad heeft in zijn arresten van HR 25 mei 2012, LJN BV4010 en BV4012 (cassatie in het belang der wet) juist geoordeeld dat dat niet zo is. In die beide uitspraken kan de kantonrechter echter niet het antwoord op de voornoemde drie vragen vinden. Bovendien doet dit er niet aan af dat de genoemde rechtsvragen – met name de vragen onder a en b – in de (recente) jurisprudentie verschillend worden beantwoord.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>Ten slotte wijst de kantonrechter er, in aanvulling op de in het tussenvonnis onder 4.10 genoemde jurisprudentie, op dat een andere rechter bij deze rechtbank (destijds rechtbank Oost-Nederland) bij vonnis van 11 februari 2013 (LJN CA2466) heeft geoordeeld dat vorderingen tot ontbinding van een door de rechthebbende gesloten huurovereenkomst, tot ontruiming van het gehuurde en tot betaling van huurachterstand en bijkomende kosten niet tegen de beschermingsbewindvoerder q.q. moeten worden gericht. De eisende partij werd daarom in die zaak niet-ontvankelijk verklaard in haar (tegen de (beschermingsbewindvoerder ingestelde) vorderingen. In dat vonnis is (eveneens) vermeld dat er binnen deze rechtbank verschillend wordt gedacht over de rol/positie van de beschermingsbewindvoerder in zaken waarin de verhuurder ontbinding van een door een rechthebbende gesloten huurovereenkomst vordert. Dit onderstreept het belang van het stellen van de onder c. vermelde vraag. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.<?linebreak?><?linebreak?></para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kantonrechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>stelt de Hoge Raad de volgende drie rechtsvragen ter beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Kan de beschermingsbewindvoerder (art. 1:435 BW) door te verschijnen in een zaak waarin de rechthebbende is gedagvaard (in casu door een verzetdagvaarding uit te brengen) als procespartij worden aangemerkt? Zo nee, kan dat – tijdens de procedure alsnog – worden bewerkstelligd, bijvoorbeeld doordat een verklaring van de rechthebbende in de procedure wordt ingebracht inhoudende een instemming met de verschijning (van de beschermingsbewindvoerder) in die procedure?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Dient de beschermingsbewindvoerder te worden gedagvaard ongeacht de vraag of de eisende partij bekend was (of behoorde te zijn) met de onderbewindstelling van de goederen van de te dagvaarden partij (ervan uitgaande dat het geschil de onder bewind staande goederen betreft)?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Dient een vordering van een verhuurder tot ontbinding van een door de rechthebbende (voor de instelling van het bewind) gesloten huurovereenkomst en tot ontruiming van het gehuurde te worden ingesteld tegen de rechthebbende zelf of (juist) tegen de beschermingsbewindvoerder?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>draagt de griffier op onverwijld een afschrift van dit vonnis en van het tussenvonnis van 5 juni 2013 aan de Hoge Raad te zenden; </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>houdt iedere verdere beslissing aan tot een afschrift van de beslissing van de Hoge Raad is ontvangen.</para>
      <para />
      <para />
      <para>Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. B.J. Engberts en in het openbaar uitgesproken op</para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>