<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDOR:2012:BV9777</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-06-12T21:54:36</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BV9777</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Dordrecht" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Dordrecht</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2012-03-21</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">95873 - FA RK 11-9106</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorzieningbodemzaak">Voorlopige voorziening+bodemzaak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Dordrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_personenEnFamilierecht">Civiel recht; Personen- en familierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDOR:2012:BV9777">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDOR:2012:BV9777</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T09:53:30</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2012-03-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDOR:2012:BV9777 Rechtbank Dordrecht , 21-03-2012 / 95873 - FA RK 11-9106</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDOR:2012:BV9777:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verzoek tot wijziging ouderlijk gezag/ hoofdverblijfplaats/ vaststelling zorgregeling. Er is sprake van ongeoorloofde overbrenging van een minderjarig kind naar Duitsland door de moeder. Bevoegdheid Nederlandse rechter in gezagskwestie,  art. 10 Brussel II bis. Geen reden om art. 15 Brussel II bis toe te passen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDOR:2012:BV9777:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>RECHTBANK DORDRECHT </para>
    <para />
    <para>Sector civiel recht</para>
    <para />
    <para>zaaknummer: 95873 / FA RK 11-9106</para>
    <para />
    <para>tussenbeschikking van de enkelvoudige kamer van 21 maart 2012</para>
    <para />
    <para>in de zaak van</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>[vader],</para>
      <para>wonende te [adres vader],</para>
      <para>verzoeker tevens verweerder,</para>
      <para>advocaat mr. E.J.M. Habets (advocaat te Schiedam),</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>tegen </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>[moeder],</para>
      <para>wonende te [adres moeder],</para>
      <para>verweerster tevens verzoekster,</para>
      <para>advocaat mr. L.S. Slinkman (advocaat te Appingedam) in samenwerking met U. Rademacher (rechtsanwalt te Oldenburg, Duitsland).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Partijen worden hieronder aangeduid als de man respectievelijk de vrouw.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	Het procesverloop</para>
      <para>1.1.	De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende processtukken:</para>
      <para>-	het verzoekschrift van de man, met bijlagen, ingekomen ter griffie op 7 december 2011;</para>
      <para>-	de brief van de man, met bijlagen, ingekomen ter griffie op 20 december 2011;</para>
      <para>-	F9 formulier van de man, met bijlage, ingekomen ter griffie op 1 februari 2012;</para>
      <para>-	het faxbericht van de man, met bijlage, ingekomen ter griffie op 3 februari 2012;</para>
      <para>-	F9 formulier van de man, met bijlagen, ingekomen ter griffie op 15 februari 2012;</para>
      <para>-	het faxbericht van de vrouw, met bijlagen, ingekomen ter griffie op 17 februari 2012;</para>
      <para>-	het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van de vrouw, ingekomen ter griffie op 22 februari 2012;</para>
      <para>-	een kopie van het Beschluss van Amtsgericht Celle van 22 februari 2012, door de man ter zitting overgelegd op 23 februari 2012.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1.2.	De mondelinge behandeling van deze zaak heeft plaatsgevonden op de terechtzitting met gesloten deuren van 23 februari 2012.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.3.	Ter terechtzitting zijn verschenen:</para>
      <para>-  de man, bijgestaan door zijn advocaat;</para>
      <para>-  de vrouw, bijgestaan door rechtsanwalt U. Rademacher.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.	De vaststaande feiten</para>
      <para>Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, alsmede op grond van de producties, voor zover niet betwist, staat het volgende tussen partijen vast.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2.1.	Partijen hebben geruime tijd een affectieve relatie gehad en hebben samengewoond van medio 2006 tot mei 2009 op het adres [adres vd man].</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.2.	Vóór de relatie met de man is uit de vrouw geboren de thans nog minderjarige [de minderjarige], geboren op [geboortedatum mj] (hierna: [roepnaam mj]). De vrouw heeft het eenhoofdig ouderlijk </para>
      <para>gezag over [roepnaam mj].</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2.3.	Tijdens de relatie met de man is uit de vrouw geboren de thans nog minderjarige [minderjarige2] op [geboortedatum mj2] (hierna: [roepnaam mj2]).</para>
    <para> </para>
    <para>2.4.	Partijen hebben het gezamenlijk ouderlijk gezag over [roepnaam mj2].</para>
    <para />
    <para>2.5.	De man heeft de Nederlandse nationaliteit en de vrouw heeft de Duitse nationaliteit.</para>
    <para />
    <para>2.6.	[roepnaam mj2] heeft zowel de Nederlandse als de Duitse nationaliteit.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.7.	De gewone verblijfplaats van de man bevindt zich in Nederland.</para>
      <para>De gewone verblijfplaats van de vrouw bevindt zich in Duitsland.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2.8.	[roepnaam mj2] en [roepnaam mj] verblijven thans bij de vrouw in Duitsland.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	Het verzoek en het verweer</para>
      <para>Het verzoek</para>
      <para>3.1.	De man verzoekt de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad:</para>
      <para>I	primair te bepalen dat het ouderlijk gezag over [roepnaam mj2] uitsluitend zal toekomen aan de man;</para>
      <para>II	subsidiair te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [roepnaam mj2] bij de man zal zijn;</para>
      <para>III	meer subsidiair een regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedtaken te bepalen, inhoudende dat [roepnaam mj2] éénmaal per veertien dagen in het weekend van vrijdagavond 18.00 uur tot zondagavond 18.00 uur bij de man zal verblijven, waarbij de vrouw haalt en brengt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.2.	De man stelt daartoe dat de vrouw [roepnaam mj2] heeft ontvoerd althans ongeoorloofd heeft</para>
      <para>overgebracht naar Duitsland. Op 22 mei 2011 heeft de vrouw, nadat zij [roepnaam mj2] en [roepnaam mj] in het</para>
      <para>kader van de contactregeling had opgehaald, de kinderen niet meer teruggebracht bij de </para>
      <para>man. Op 23 mei 2011 heeft de man aangifte gedaan van kinderontvoering bij de politie. </para>
      <para>De man heeft op 24 mei 2011 tevens bij de Centrale Autoriteit van het Ministerie van Justitie </para>
      <para>een verzoek tot teruggeleiding van [roepnaam mj2] ingediend. Om onduidelijke redenen heeft het </para>
      <para>lang geduurd voordat de zaak in Duitsland voor de rechtbank diende. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.3.	De man acht het in het belang van [roepnaam mj2] dat de man alleen wordt belast met het </para>
      <para>ouderlijk gezag. Naar de mening van de man getuigt het gedrag van de vrouw ervan dat zij </para>
      <para>geen oog heeft voor de belangen van [roepnaam mj2]. </para>
      <para>Toen de vrouw in mei 2009 bij de man is weggegaan, heeft zij [roepnaam mj2] en [roepnaam mj] bij de man </para>
      <para>achtergelaten. In het kader van de contactregeling, die in onderling overleg tussen partijen tot </para>
      <para>stand was gekomen, kwam de vrouw de kinderen op regelmatige basis ophalen. De man </para>
      <para>heeft steeds een groot, zo niet het grootste, aandeel gehad in de verzorging en opvoeding van </para>
      <para>de beide kinderen. Sinds mei 2011 heeft de vrouw echter geen contact meer met de man </para>
      <para>gezocht en heeft zij het contact tussen de man en [roepnaam mj2] onmogelijk gemaakt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verweer en het zelfstandig verzoek</para>
      <para>3.4.	De vrouw heeft verweer gevoerd en rechtbank verzocht om uitvoerbaar bij voorraad</para>
      <para>te bepalen dat de verzoeken van de man niet-ontvankelijk worden verklaard, dan wel worden </para>
      <para>afgewezen, althans in geval van toewijzing van het meer subsidiaire verzoek van de man </para>
      <para>tot vaststelling van een zorgregeling, te bepalen dat deze zorgregeling zal  inhouden dat:</para>
      <para>a.	[roepnaam mj2] onder begeleiding/toezicht iedere tweede maand één weekend van vrijdagavond 18.00 uur tot zondag 16.00 uur bij de man zal verblijven;</para>
      <para>b.	dat de man [roepnaam mj2] de andere twee maanden onder begeleiding mag bezoeken van vrijdag 18.00 uur tot zondag 18.00 uur bij de vrouw;</para>
      <para>c.	dat de man met [roepnaam mj2] voorafgaand aan de eerste bezoeken, zoals genoemd in a. en b., regelmatig onder toezicht contact moeten houden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.5.	Indien de rechtbank zich bevoegd acht, verzoekt de vrouw bij wijze van zelfstandig </para>
      <para>verzoek, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat:</para>
      <para>primair de vrouw wordt belast met het eenhoofdig gezag over [roepnaam mj2];</para>
      <para>subsidiair dat de hoofdverblijfplaats van [roepnaam mj2] bij de vrouw zal zijn.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.6.	In de eerste plaats wordt door de vrouw aangevoerd dat de rechtbank niet bevoegd is </para>
      <para>om de zaak in behandeling te nemen. Zij baseert zich daarbij op het bepaalde in artikel 8 </para>
      <para>Verordening Brussel IIbis, waarin de gewone verblijfplaats van het kind aanknopingspunt is </para>
      <para>voor de bevoegdheid.  De vrouw voert aan dat de gewone verblijfplaats van [roepnaam mj2] thans in </para>
      <para>Duitsland gelegen is, nu hij daar inmiddels negen maanden verblijft en goed is geïntegreerd, </para>
      <para>waarbij de vrouw betwist dat zij [roepnaam mj2] heeft ontvoerd.  </para>
      <para>De vrouw betoogt dat tussen partijen een mondelinge afspraak is gemaakt, inhoudende dat </para>
      <para>[roepnaam mj2] en [roepnaam mj] vanaf 8 mei 2011 permanent bij de vrouw in Duitsland zouden wonen. Ter </para>
      <para>onderbouwing van het bestaan van deze mondelinge afspraak voert de vrouw aan dat de </para>
      <para>man voor het verblijf van [roepnaam mj2] bij de vrouw, alle kleding en het meeste van het speelgoed </para>
      <para>van [roepnaam mj2] aan de vrouw heeft  meegegeven. De vrouw stelt tevens dat man pas aangifte </para>
      <para>heeft gedaan van ontvoering nadat hij een brief had ontvangen met betrekking tot de door </para>
      <para>hem te betalen kinderalimentatie en dat de man vervolgens, afgezien van de aangifte en </para>
      <para>het verzoek bij de Centrale autoriteit, ook geen verdere actie meer heeft ondernomen om </para>
      <para>[roepnaam mj2] terug te krijgen of contact met hem te hebben. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3.7.	Indien de rechtbank zich desondanks bevoegd acht, is de vrouw van mening dat de zaak op basis van artikel 15 Verordening Brussel IIbis naar het Amtsgericht Celle in Duitsland moet worden verwezen. De vrouw voert hiertoe aan dat er sprake is van een bijzondere binding van [roepnaam mj2] met Duitsland en dat het Amtsgericht Celle beter in staat is de zaak te beoordelen. Zij voert aan dat een goed inzicht in de huidige omstandigheden waarin [roepnaam mj2] in Duitsland verkeert, essentieel is. Deze omstandigheden kunnen volgens de vrouw beter door het Amtsgericht Celle worden beoordeeld, die met de situatie in Duitsland bekend is. Daarbij is bij het Amtsgericht Celle de procedure aangaande het verzoek tot teruggeleiding van [roepnaam mj2] naar Nederland reeds in behandeling (geweest), zodat men reeds bekend is met de inhoud van de zaak. Bovendien zou het voor [roepnaam mj2] en een zware belasting zijn, indien hij voor het onderzoek naar Nederland dient te reizen, aldus de vrouw.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.8.	De vrouw heeft tevens een inhoudelijk verweer ten aanzien van de verzoeken van </para>
      <para>de man gevoerd. Zij acht het niet in het belang van [roepnaam mj2] dat de man wordt belast met het </para>
      <para>eenhoofdig ouderlijk gezag over hem danwel dat de hoofdverblijfplaats van [roepnaam mj2] bij de </para>
      <para>man wordt bepaald. </para>
      <para>De vrouw voert hiertoe aan dat [roepnaam mj2] en [roepnaam mj], toen zij bij de man verbleven, beiden door de </para>
      <para>man zijn mishandeld. De man strafte de kinderen onevenredig zwaar door hen te slaan en aan </para>
      <para>hun oren te trekken. Voorts schreeuwde de man vaak tegen de kinderen en verwaarloosde hij </para>
      <para>hen. De man zat veelal achter de computer en liet de kinderen binnen de woning aan hun lot </para>
      <para>over. De man is manisch-depressief en lijdt aan reuma, waarvoor hij zware medicijnen moet </para>
      <para>innemen. Vanwege de reuma is de man deels op een rollator aangewezen. Ondanks zijn </para>
      <para>ziekten consumeerde de man in de periode dat de vrouw bij hem woonde, grote </para>
      <para>hoeveelheden wiet en alcohol. De vrouw vreest dat, wanneer de man overbelast raakt door </para>
      <para>[roepnaam mj2] of zich door hem gestoord voelt, de man [roepnaam mj2] wederom zal slaan.</para>
      <para>De vrouw acht het voorts niet in het belang van [roepnaam mj2] dat hij wordt gescheiden van [roepnaam mj]. </para>
      <para>[roepnaam mj2] en [roepnaam mj] hebben beiden diverse malen verklaard dat zij bij elkaar willen blijven. Door [roepnaam mj2] zelf is te kennen gegeven dat hij niet in Nederland wil wonen. [roepnaam mj2] wil sowieso liever hij de vrouw blijven, ook als de man in Duitsland zou wonen. </para>
      <para>Ook de Jugendamt Celle (Duitse jeugdbescherming), waar de vrouw contact mee heeft </para>
      <para>gezocht, is van mening dat beide kinderen goed in Duitsland zijn geïntegreerd. Uit het </para>
      <para>rapport van het kinderdagverblijf blijkt dat [roepnaam mj2] deze sinds 1 september 2011 ‘s ochtends </para>
      <para>bezoekt en dat [roepnaam mj2] zich de Duitse taal in korte tijd heeft aangeleerd. Gezien het </para>
      <para>tijdsverloop sinds de verhuizing van [roepnaam mj2] naar Duitsland in mei 2011 concludeert het </para>
      <para>Jugendamt dat het niet in het belang van [roepnaam mj2] is dat hij naar de man in Nederland terug zou </para>
      <para>keren. Een verhuizing van [roepnaam mj2] naar Nederland zou zelfs schadelijk voor hem zijn, nu hij </para>
      <para>net succesvol is geïntegreerd in Duitsland.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.9.	De vrouw is in beginsel van mening dat de man contact met [roepnaam mj2] mag hebben. </para>
      <para>Ondanks de mogelijkheid voor contact met [roepnaam mj2] heeft de man dit echter lange tijd </para>
      <para>nagelaten. Doordat de man en [roepnaam mj2] sinds begin mei 2011 nauwelijks contact met elkaar </para>
      <para>hebben gehad, dient het contact onder begeleiding geleidelijk weer te worden opgebouwd. </para>
      <para>Pas nadat duidelijk wordt dat een relatie van vertrouwen tussen [roepnaam mj2] en de man aanwezig </para>
      <para>is en het vroegere gedrag van de man niet meer te verwachten is, zal het naar de mening van </para>
      <para>de vrouw verantwoord zijn dat [roepnaam mj2] een bezoek bij de man alleen doorbrengt. </para>
      <para>Gezien de beperkte financiële middelen van partijen en de afstand tussen [roepnaam mj2] en de man, </para>
      <para>zal een weekendverblijf van [roepnaam mj2] bij de man van één keer in de veertien dagen niet </para>
      <para>haalbaar zijn. In het belang van [roepnaam mj2] dient er niet vaker dan één weekend per maand een </para>
      <para>verblijf van [roepnaam mj2] in Nederland bij de man te worden bepaald. Een andere mogelijkheid is </para>
      <para>dat de man iedere twee maanden een weekend in Celle doorbrengt zodat [roepnaam mj2] hem daar </para>
      <para>kan bezoeken. Vanwege de hechte band tussen [roepnaam mj2] en [roepnaam mj] is het naar de mening van de </para>
      <para>vrouw tevens van belang dat [roepnaam mj] gezamenlijk met [roepnaam mj2] bij de man op bezoek kan gaan. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.10.	Ter onderbouwing van het zelfstandig verzoek van de vrouw tot het eenhoofdig </para>
      <para>gezag over [roepnaam mj2] danwel de bepaling van de hoofdverblijfplaats van [roepnaam mj2] bij haar voert </para>
      <para>zij het volgende aan. De vrouw heeft het eenhoofdig gezag over [roepnaam mj2] verzocht omdat door </para>
      <para>het gezamenlijk ouderlijk gezag de belangen van [roepnaam mj2] worden geschaad. Dit vloeit voort </para>
      <para>uit de wisselende inzichten van de man en de door hem ingediende aangiften en opgestarte </para>
      <para>procedures. Dit belast [roepnaam mj2] in die zin dat hierdoor bij hem verwarring, onzekerheid en </para>
      <para>mogelijk ook psychische schade wordt veroorzaakt. Doordat [roepnaam mj2] in Duitsland verblijft, </para>
      <para>dient de vrouw tevens in staat te worden gesteld om zelf (spoed-) beslissingen ten aanzien </para>
      <para>van [roepnaam mj2] te kunnen nemen, zonder dat zij van de handtekening van de man afhankelijk is. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.11.	Met betrekking tot de bepaling van de hoofdverblijfplaats van [roepnaam mj2] bij de vrouw </para>
      <para>voert de vrouw aan dat dit de enige manier is waarop kan worden voorkomen dat [roepnaam mj2] </para>
      <para>gevaar loopt bij de man. Voorts wordt op deze manier de band die [roepnaam mj2] heeft met [roepnaam mj] </para>
      <para>gewaarborgd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.	De beoordeling</para>
      <para>Rechtsmacht en toepasselijk recht</para>
      <para>4.1.	Nu de [roepnaam mj2] in Duitsland verblijft, zal de rechtbank allereerst dienen te bepalen of de rechtbank met betrekking tot het onderhavig geschil rechtsmacht toekomt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.2.	De bevoegdheid van de rechtbank om kennis te nemen van de onderhavige verzoeken dient te worden beoordeeld aan de hand van de Verordening Brussel IIbis.</para>
      <para>Op grond van artikel 8 Verordening Brussel IIbis zijn in zaken met betrekking tot de ouderlijke verantwoordelijkheid, waaronder mede wordt begrepen de uitoefening van het gezagsrecht, de gerechten bevoegd van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het moment dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Deze bepaling geldt echter onder voorbehoud van hetgeen in onder meer artikel 10 Verordening Brussel IIbis is bepaald. Daarin is bepaald dat in geval van ongeoorloofde overbrenging de gerechten van de lidstaat waar het kind onmiddellijk voor de ongeoorloofde overbrenging zijn gewone verblijfplaats had, bevoegd blijven totdat het kind in een andere lidstaat een gewone verblijfplaats heeft verkregen en de gezaghebbende ouder in de overbrenging van het kind heeft berust. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4.3.	De rechtbank zal derhalve teneinde te bepalen of de rechtbank rechtsmacht heeft om van de verzoeken kennis te nemen, moeten beoordelen of er sprake is van ongeoorloofde overbrenging of het niet doen terugkeren van [roepnaam mj2]. Van ongeoorloofde overbrenging of het niet doen terugkeren is ingevolge artikel 2 lid 11 Brussel IIbis is sprake als dit gebeurt in strijd met het gezagsrecht dat ingevolge een beslissing, van rechtswege of bij een rechtsgeldige overeenkomst is toegekend overeenkomstig het recht van de lidstaat waar het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of het niet doen terugkeren zijn gewone verblijfplaats had en indien dit gezagsrecht op het tijdstip van overbrenging of het niet doen terugkeren, alleen of gezamenlijk, daadwerkelijk werd uitgeoefend, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden. In het geval beide ouders het gezag over hun minderjarige kind uitoefenen, is overbrenging door de ene ouder ongeoorloofd, indien door de andere ouder geen toestemming hiertoe is verleend. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.4.	Vaststaat dat partijen gezamenlijk het ouderlijk gezag over [roepnaam mj2] uitoefenen. </para>
      <para>Tussen de man en de vrouw bestaat een verschil van mening omtrent de afspraak over het </para>
      <para>verblijf van [roepnaam mj2] en [roepnaam mj] in Duitsland. De vrouw betwist dat zij [roepnaam mj2] wederrechtelijk </para>
      <para>niet heeft doen terugkeren naar de man, omdat partijen waren overeengekomen dat [roepnaam mj2] en </para>
      <para>[roepnaam mj] bij de vrouw in Duitsland zouden komen wonen. De man heeft daarentegen gesteld dat </para>
      <para>de vrouw [roepnaam mj2] en [roepnaam mj] zonder overleg met de man en zonder zijn toestemming na afloop </para>
      <para>van de twee weken vakantie in Duitsland gehouden heeft. De man heeft na ommekomst van </para>
      <para>die twee weken direct aangifte gedaan van kinderontvoering bij de politie en een verzoek tot </para>
      <para>teruggeleiding van [roepnaam mj2] bij de Centrale Autoriteit ingediend. </para>
      <para>De zitting voor de Amtsgericht Celle (Duitsland)  in verband met de terugkeerprocedure van </para>
      <para>[roepnaam mj2] volgens het HKOV 1980 vond 31 januari 2012 plaats. Tijdens de mondelinge </para>
      <para>behandeling op 23 februari bij deze rechtbank heeft de man de uitspraak in de </para>
      <para>teruggeleidingsprocedure van het Amtsgericht Celle overgelegd. De Duitse rechter heeft </para>
      <para>bepaald dat [roepnaam mj2] naar Nederland dient terug te keren. De vrouw is van deze uitspraak in </para>
      <para>hoger beroep gegaan. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.5.	De rechtbank is van oordeel dat de vrouw onvoldoende heeft onderbouwd/ aannemelijk heeft gemaakt dat zij toestemming had van de man om [roepnaam mj2] niet naar Nederland te laten terugkeren. Het argument van de vrouw dat de man alle kleding en speelgoed van [roepnaam mj2] en [roepnaam mj] aan de vrouw heeft meegegeven in mei 2011, wordt door de man betwist. Op grond van de door de man overgelegde stukken is gebleken dat de man toen [roepnaam mj2] na ommekomst van de twee weken vakantie niet terugkeerde uit Duitsland, direct afgifte heeft gedaan bij de politie van ontvoering en tevens teruggeleiding heeft verzocht via de Centrale Autoriteit. Het argument van de vrouw dat de man dit enkel heeft gedaan vanwege een brief betreffende kinderalimentatie is betwist door de man en overigens niet aannemelijk geworden. Door de man zijn tevens sms berichten tussen partijen uit de periode voorafgaand aan de vakantie van [roepnaam mj2] in Duitsland overgelegd, waaruit blijkt dat partijen hadden afgesproken dat de kinderen na twee weken vakantie zouden terugkeren naar Nederland.  </para>
      <para>Geconcludeerd wordt derhalve dat de vrouw [roepnaam mj2] in strijd met het gezagsrecht, dat de vader overeenkomstig het Nederlandse recht heeft (als recht van de lidstaat waar [roepnaam mj2] vóór zijn overbrenging zijn gewone verblijfplaats had), na afloop van de vakantie in Duitsland heeft gehouden. De rechtbank is- evenals de Duitse rechter - van oordeel dat er sprake is van ongeoorloofde achterhouding van [roepnaam mj2] in Duitsland.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4.6.	Nu er sprake is van ongeoorloofde achterhouding, is de rechtbank, als het gerecht van de lidstaat waar [roepnaam mj2] onmiddellijk voor het niet doen terugkeren zijn gewone verblijfplaats had, bevoegd. </para>
    <para />
    <para>4.7.	De rechtbank zal krachtens artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 naar Nederlands recht op het verzochte beslissen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 15 Verordening Brussel IIbis</para>
      <para>4.8.	De vrouw heeft daarnaast een beroep gedaan op artikel 15 Verordening Brussel IIbis en is van mening dat, indien de rechtbank zich bevoegd acht, de zaak naar het gerecht in Duitsland dient te worden verwezen, nu [roepnaam mj2] bij het indienen van het verzoek van de man zijn gewone verblijfplaats in Duitsland had en met dat land een nauwe band heeft nu de vrouw de Duitse nationaliteit heeft, hij geruime tijd in Duitsland heeft gewoond en/of daar heeft verbleven, hij daar staat ingeschreven, zijn broer [roepnaam mj] daar ook verblijft, [roepnaam mj2] de Duitse taal goed spreekt en hij goed geïntegreerd is in Duitsland. De vrouw acht het Amtsgericht Celle beter in staat de onderhavige verzoeken te beoordelen, omdat dit gerecht naar haar mening een beter inzicht heeft in de huidige omstandigheden waarin [roepnaam mj2] in Duitsland verkeert.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4.9.	Door de man is betwist dat het Duitse gerecht beter in staat zou zijn om in het belang van [roepnaam mj2] deze zaak te behandelen. De man wijst erop dat [roepnaam mj2] ongeoorloofd in Duitsland verblijft en dat hij in Nederland is opgegroeid. [roepnaam mj2] staat ook nog steeds ingeschreven in de basisadministratie van de gemeente Dordrecht. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.10.	Overwogen wordt dat ingevolge het bepaalde in art. 15 Verordening Brussel IIbis de gerechten van een lidstaat die bevoegd zijn om ten gronde over een zaak te beslissen, bij wijze van uitzondering, indien, naar hun inzicht, een gerecht van een andere lidstaat, waarmee het kind een bijzondere band heeft, beter in staat is de zaak te behandelen, in het belang van het kind de zaak naar het gerecht van een andere lidstaat kunnen verwijzen.</para>
      <para>Overwogen wordt dat de man in Nederland woont en dat [roepnaam mj2] gedurende het grootste gedeelte van zijn leven in Nederland heeft gewoond en aldus met Nederland een sterke band heeft. Daarbij is het mogelijk om de reeds verrichte onderzoeken in Duitsland (zoals door de Duitse jeugdbescherming) aan de Nederlandse onderzoeksinstanties te doen toekomen, zodat de resultaten hiervan kunnen worden meegenomen bij het onderzoek in Nederland.</para>
      <para>Gelet hierop is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een situatie die de uitzondering rechtvaardigt, nu er geen sprake is van een bijzondere band van [roepnaam mj2] met Duitsland in vergelijking met Nederland, op grond waarvan de Duitse rechter beter in staat zou zijn om over de verzoeken te beslissen. Het verzoek van de vrouw tot verwijzing van de zaak op grond van artikel 15 Brussel IIbis zal derhalve worden afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Inhoudelijke beoordeling gezagskwestie</para>
      <para>4.11.	Op het moment dat de vrouw [roepnaam mj2] meenam naar Duitsland had de man al geruime tijd grotendeels alleen de zorg voor de opvoeding van [roepnaam mj2] en [roepnaam mj] gedragen. De man betwist nadrukkelijk dat hij de kinderen zou hebben mishandeld. De man betwist voorts dat hij manisch depressief zou zijn en dat er bij hem sprake is van overmatig cannabis- en alcoholgebruik. Met betrekking tot de reuma stelt de man dat het met zijn ziekte beter gaat dan voorheen. De man hoeft geen gebruik te maken van een rollator maar maakt buitenshuis wel gebruik van een scootmobiel. De reuma vormt echter geen beletsel voor de man om de zorg voor [roepnaam mj2] te kunnen dragen, aldus de man. </para>
      <para>De man maakt zich daarentegen ernstige zorgen over de situatie van [roepnaam mj2] bij de vrouw. Toen de man [roepnaam mj2] de laatste keer zag tijdens de teruggeleidingsprocedure in Duitsland, maakte hij op de man een zeer gespannen indruk en beet hij zijn handen stuk. Dit gedrag heeft de man nog niet eerder bij [roepnaam mj2] waargenomen. Voorts stelt de man dat is gebleken dat [roepnaam mj2] niet goed socialiseert in de Duitse Kindergarten, hetgeen de man ook niet van hem herkent. Bovendien wijst de man erop dat de vrouw drie kinderen van drie verschillende mannen heeft en dat zij mogelijk een hechtingsprobleem heeft.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4.12.	De situatie rondom [roepnaam mj2] wordt zorgelijk geacht en de rechtbank acht zich thans, zonder dat nader onderzoek is gedaan, niet voldoende geïnformeerd om te kunnen beslissen op de verzoeken van partijen. De rechtbank acht het in het belang van [roepnaam mj2] dat er - in Nederland - onderzoek gedaan wordt naar de vraag wat zijn belang met zich brengt ten aanzien van de verschillende verzoeken, te weten het éénhoofdig gezag, de hoofdverblijfplaats en de vaststelling van een zorgregeling. Door partijen is te kennen gegeven dat zij instemmen met een nader onderzoek hieromtrent. </para>
    <para />
    <para>4.13.	De Raad voor de Kinderbescherming zal worden verzocht om, zonodig met inschakeling van de Duitse zusterautoriteit, onderzoek te verrichten naar het gezag over [roepnaam mj2], zijn hoofdverblijfplaats en over de invulling van een zorgregeling/omgangsregeling en de rechtbank hierover te rapporteren en de adviseren.</para>
    <para />
    <para>4.14.	De verdere behandeling van deze zaak zal worden verwezen naar de schriftelijke rol familie zaken van 29 juni 2012 in afwachting van de rapportage van de Raad voor de Kinderbescherming.</para>
    <para />
    <para>5.	De beslissing</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
      <para>5.1.     stelt de stukken in handen van de Raad voor de Kinderbescherming, vestiging</para>
      <para>Dordrecht, met het verzoek een onderzoek in te stellen naar het gezag over</para>
      <para>de minderjarige, zijn hoofdverblijfplaats en over de invulling van een zorgregeling </para>
      <para>en daaromtrent te adviseren;	</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5.2.	verwijst de zaak naar de schriftelijke rolzitting familiezaken van 29 juni 2012 in afwachting van het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming; </para>
    <para />
    <para>5.3.	houdt iedere overige beslissing aan.</para>
    <para />
    <para />
    <para>Deze beschikking is gegeven door mr. J. Visser, tevens kinderrechter, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van woensdag 21 maart 2012.</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>