<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDOR:2010:BM6106</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-09-14T15:10:30</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ECLI:NL:RBDOR:2010:367</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BM6106</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Dordrecht" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Dordrecht</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2010-04-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 09/318</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDOR:2010:BM6106">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDOR:2010:BM6106</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T06:28:03</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2010-05-31</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDOR:2010:BM6106 Rechtbank Dordrecht , 23-04-2010 / AWB 09/318</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDOR:2010:BM6106:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Volgens de CRvB, uitspraken van 14 augustus 2008 (LJN BE2717) en 4 mei 2009 (LJN BI4352), wordt onderscheid gemaakt tussen de verplichting tot het verstrekken en verifiëren van inlichtingen, welke zien op een (totale) herbeoordeling van het recht op bijstand, en de verplichting tot het gebruik maken van een voorziening, dan wel meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling. De laatste verplichting is geregeld in artikel 9, eerste lid, onder b, van de WWB. Blijkens het verhandelde ter zitting stelt verweerder zich op het standpunt dat aan de orde is in hoeverre eiseres de verplichtingen als bedoeld in artikel 9 van de WWB konden worden opgelegd. De rechtbank kan verweerder niet volgen in de stelling dat de gedragingen van eiseres - het tot tweemaal toe zonder voorafgaande kennisgeving niet verschijnen bij de medische keuring en het geen gehoor geven aan de oproep voor een gesprek aangaande haar positie en mogelijkheden op de arbeidsmarkt - zijn te kwalificeren als een schending van de inlichtingenplicht. Verweerder heeft in het bestreden besluit dan ook niet in redelijkheid kunnen volhouden dat het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. Gelet hierop was geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB. Veeleer was sprake van het niet meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 9 van de WWB. Hiervoor had, mits verwijtbaar, een maatregel kunnen worden opgelegd met toepassing van artikel 18 van de WWB. Het bestreden besluit berust op</para>
        <para>een onjuiste (wettelijke) grondslag en een ondeugdelijke motivering, zodat dit besluit is genomen in strijd met vorengenoemde artikelen van de WWB en artikel 3:2, juncto artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Het bestreden besluit komt dan ook voor vernietiging in aanmerking.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDOR:2010:BM6106:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>RECHTBANK DORDRECHT</para>
      <para>Sector Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>procedurenummer: AWB 09/318</para>
    <para />
    <para>uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken </para>
    <para />
    <para>inzake</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,</para>
      <para>gemachtigde: mr. A.J.J. Fraanje, advocaat te Dordrecht,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>tegen</para>
    <para />
    <para>De Bestuurscommissie Sociale Dienst Drechtsteden, verweerster,</para>
    <para />
    <para>gemachtigde: mr. T. Franssen, werkzaam bij de Sociale Dienst Drechtsteden.</para>
    <para />
    <para>1. Ontstaan en loop van het geding</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.1. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dordrecht (hierna: het</para>
      <para>college) heeft hij besluit van 16 januari 2006 het recht van eiseres op een uitkering op grond</para>
      <para>van de Wet werk en bijstand (hierna: WWB), met ingang van 6 januari 2006, ingetrokken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 6 februari 2006 heeft het college eiseres medegedeeld dat de uitkering die</para>
      <para>eiseres op grond van de WWB ontvangt met ingang van de datum van opschorting (lees:</para>
      <para>6 januari 2006) wordt beëindigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen dit besluit en deze brief heeft eiseres hij brief van 24 oktober 2006, ingekomen op</para>
      <para>25 oktober 2006, bezwaar gemaakt bij het college.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 19 december 2006 heeft het college het bezwaar wegens</para>
      <para>termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. Met betrekking tot het bezwaar</para>
      <para>betreffende de brief van 6 februari 2006 is voorts overwogen dat deze brief geen besluit in de</para>
      <para>zin van artikel 1:3 van de Algemene wet hestuursrecht (hierna: Awb) bevat.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen dit besluit, voor zover daarbij het bezwaar tegen het besluit van 16 februari 2006 niet-</para>
      <para>ontvankelijk is verklaard, heeft eiseres bij faxbericht van 5 januari 2007 beroep ingesteld hij</para>
      <para>deze rechtbank. Dit beroep is hij de rechtbank geregistreerd onder nummer AWB 07/16.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij uitspraak van 14 september 2007 (AWB 07/16) heeft de rechtbank het beroep ongegrond</para>
      <para>verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij uitspraak van 22 juli 2008 heeft de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) het</para>
      <para>daartegen ingestelde hoger beroep gegrond verklaard, het besluit van 19 december 2006</para>
      <para>vernietigd, voor zover daarbij het bezwaar tegen het besluit van 16 januari 2006 niet-</para>
      <para>ontvankelijk is verklaard en bepaald dat het college een nieuw besluit neemt op het bezwaar</para>
      <para>van eiseres tegen dat besluit met inachtneming van die uitspraak.</para>
      <para>1.2. Bij besluit van 20 februari 2009 heeft verweerster het bezwaar van 24 oktober 2006</para>
      <para>ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen dit besluit heeft eiseres hij faxbericht van 10 maart 2009 beroep ingesteld bij de</para>
      <para>rechtbank Dordrecht. Dit beroep is bij de rechtbank geregistreerd onder nummer</para>
      <para>AWB 09/318.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De zaak is op 12 november 2009 ter zitting van een enkelvoudige kamer behandeld.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres is ter zitting verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en vergezeld van haar</para>
      <para>vader, [naam vader].</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Verweerster is verschenen bij gemachtigde.</para>
    <para />
    <para>2. Overwegingen</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.1. wettelijk kader</para>
      <para>Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB is de belanghebbende van 18 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar, vanaf de dag van melding als bedoeld in artikel 44, tweede lid, verplicht gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling, alsmede mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.</para>
    </parablock>
    <para> </para>
    <parablock>
      <para>Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB doet de belanghebbende aan het college op</para>
      <para>verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden</para>
      <para>waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn</para>
      <para>arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.</para>
      <para>Ingevolge het tweede lid is de belanghebbende verplicht aan het college desgevraagd de</para>
      <para>medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze Wet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de WWB stemt het college de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende.</para>
      <para>Ingevolge het tweede lid van dit artikel, voor zover van belang, verlaagt het college de bijstand overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, ter zake van het niet of onvoldoende nakomen door de belanghebbende van de verplichtingen voortvloeiende uit deze wet dan wel de artikelen 28, tweede lid, of 29, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, dan wel indien de belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan. Van een verlaging wordt afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge artikel 53a van de WWB, zoals deze bepaling luidde ten tijde in geding, bepaalt het college, onverminderd artikel 28, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, welke gegevens ten behoeve van de verlening van bijstand dan wel de voortzetting daarvan door de belanghebbende in ieder geval worden verstrekt en welke bewijsstukken worden overgelegd, alsmede de wijze en het tijdstip waarop de verstrekking van gegevens plaatsvindt.</para>
      <para>Ingevolge het tweede lid, zoals dit luidde ten tijde in geding, is het college bevoegd</para>
      <para>onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens en</para>
      <para>zonodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel de</para>
      <para>voortzetting van bijstand. Indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft kan het college</para>
      <para>besluiten tot herziening van de bijstand.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB kan het college,</para>
      <para>onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een</para>
      <para>besluit tot toekenning van bijstand en terzake van weigering van bijstand, een dergelijk besluit herzien of intrekken, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting,</para>
      <para>bedoeld in artikel 17, eerste lid, of de artikelen 28, tweede lid, en 29, eerste lid, van de Wet</para>
      <para>structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een</para>
      <para>te hoog bedrag verlenen van bijstand.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.2. Het bestreden besluit</para>
      <para>Verweerder heeft in het bestreden besluit de beslissing gehandhaafd om het recht van eiseres</para>
      <para>op een uitkering op grond van de WWB met ingang van 6 januari 2006 in te trekken.</para>
      <para>Verweerder overweegt hiertoe dat eiseres de informatieplicht ten aanzien van de arbeidsinschakeling heeft geschonden, als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Verweerder baseert de intrekking op artikel 17, eerste lid, juncto artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.3. De gronden van beroep</para>
      <para>Eiseres kan zich met het bestreden besluit niet verenigen en heeft daartoe het volgende</para>
      <para>aangevoerd. Eiseres betwist dat het niet reageren op de uitnodigingsbrief van 5 januari 2006</para>
      <para>(opschortingsbesluit) heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van</para>
      <para>bijstand. Voorts betwist eiseres dat hierdoor het recht op bijstand niet kon worden</para>
      <para>vastgesteld. Eiseres verwijst naar de uitspraak van de CRvB van 2 augustus 2008 waarin is</para>
      <para>overwogen dat het 'niet naar behoren meewerken aan een re-integratievoorziening' geen</para>
      <para>reden is de bijstandsuitkering te beëindigen. Wel kan hiervoor een maatregel worden</para>
      <para>opgelegd. Eiseres heeft slechts één avond per week bij het ROC Da Vinci College gewerkt,</para>
      <para>als onderwijsassistente. Het daarmee genoten salaris was onvoldoende om in het eigen</para>
      <para>levensonderhoud te voorzien. Eiseres meent dan ook dat zij over de periode van de</para>
      <para>arbeidsovereenkomst aanspraak had op aanvullende bijstand. Bij beschikking van 17 oktober</para>
      <para>2006 is eiseres met ingang van 8 september 2006 wederom een bijstandsuitkering toegekend.</para>
      <para>Kennelijk behoorde zij toen volgens verweerder wel tot de kring van gerechtigden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.4. Beoordeling door de rechtbank</para>
      <para>2.4.1. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het bestreden besluit uit van de volgende</para>
      <para>feiten en omstandigheden.</para>
      <para>Eiseres ontving een bijstandsuitkering sedert 18 juni 2004. Om medische redenen was</para>
      <para>eiseres bij besluit van 11 juli 2005 tijdelijk tot 31 december 2005 vrijgesteld van de</para>
      <para>arbeidsverplichting. Op 6 december 2005 heeft eiseres een gesprek gehad met haar</para>
      <para>bijstandsconsulent in verband met een voorgenomen medisch heronderzoek. Vervolgens is</para>
      <para>eiseres tot tweemaal toe, op 16 december 2005 en op 29 december 2005, uitgenodigd voor</para>
      <para>een medisch onderzoek bij Aob/Compaz, ter vaststelling van haar vaardigheden en</para>
      <para>beperkingen ten aanzien van arbeidsinschakeling. Eiseres is op deze afspraken niet</para>
      <para>verschenen. Bij opschortingsbeschikking van 5 januari 2006 is eiseres in de gelegenheid</para>
      <para>gesteld om, binnen een (herstel)termijn van 7 dagen, contact op te nemen met haar</para>
      <para>bijstandsconsulent voor een gesprek over haar positie en mogelijkheden op</para>
      <para>de arbeidsmarkt. Eiseres heeft op deze oproep niet gereageerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.4.2. Verweerder heeft aan de intrekking van het besluit tot toekenning van het recht op</para>
      <para>bijstand ten grondslag gelegd dat sprake is van schending van de informatieplicht ten aanzien</para>
      <para>van de arbeidsinschakeling, als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden</para>
      <para>vastgesteld. Verweerder heeft de intrekking doen steunen op artikel 17, eerste lid, juncto</para>
      <para>artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2.4.3. Uit de hiervoor genoemde uitspraak van de CRvB van 22 juli 2008 volgt dat het besluit van 16 januari 2006 niet eerder aan eiseres is toegezonden dan op 23 oktober 2006. Gelet hierop is dit besluit in verband met het bepaalde in artikel 3:40, gelezen in samenhang met artikel 3:41, eerste lid, van de Awb niet eerder dan per 24 oktober 2006 in werking getreden. Voorts geldt dat eiseres bij besluit van 17 oktober 2006 met ingang van 8 september 2006 een nieuwe bijstandsuitkering is toegekend voor de noodzakelijke bestaanskosten. Derhalve is de in het geding zijnde periode beperkt van 6 januari 2006 tot 8 september 2006.  </para>
    <para />
    <para>2.4.4. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit geen stand houdt. Volgens de van toepassing zijnde jurisprudentie van de CRvB, onder andere de uitspraken van 14 augustus 2008 (LJN BE2717) en 4 mei 2009 (LJN BI4352), wordt onderscheid gemaakt tussen de verplichting tot het verstrekken en verifiëren van inlichtingen, welke zien op een (totale) herbeoordeling van het recht op bijstand, en de verplichting tot het gebruik maken van een voorziening, dan wel meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling. De laatste verplichting is geregeld in artikel 9, eerste lid, onder b, van de WWB. </para>
    <para />
    <para>Blijkens het verhandelde ter zitting stelt verweerder zich op het standpunt dat niet aan de orde is in hoeverre eiseres gelet op haar persoonlijke omstandigheden en het beschikken over middelen in aanmerking kwam voor bijstand, maar of en in hoeverre aan haar de verplichtingen als bedoeld in artikel 9 van de WWB konden worden opgelegd. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank kan, gelet op de onder 2.4.1. genoemde feiten en omstandigheden, verweerder</para>
      <para>niet volgen in de stelling dat de gedragingen van eiseres - het tot tweemaal toe zonder</para>
      <para>voorafgaande kennisgeving niet verschijnen bij de medische keuring en het geen gehoor</para>
      <para>geven aan de oproep voor een gesprek aangaande haar positie en mogelijkheden op de</para>
      <para>arbeidsmarkt - zijn te kwalificeren als een schending van de inlichtingenplicht. Verweerder heeft in het bestreden besluit dan ook niet in redelijkheid kunnen volhouden dat het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. Gelet hierop was geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB. Veeleer was</para>
      <para>sprake van het niet meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot</para>
      <para>arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 9 van de WWB. Hiervoor had, mits verwijtbaar.</para>
      <para>een maatregel kunnen worden opgelegd met toepassing van artikel 18 van de WWB.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.4.5. Het voorgaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat het bestreden besluit berust op</para>
      <para>een onjuiste (wettelijke) grondslag en een ondeugdelijke motivering, zodat dit besluit is genomen in strijd met vorengenoemde artikelen van de WWB en artikel 3:2, juncto artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Het bestreden besluit komt dan ook voor vernietiging in aanmerking.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2.4.6. Het beroep is derhalve gegrond.</para>
    <para />
    <para>2.4.7. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient verweerster op grond van het bepaalde in artikel 8:74, eerste lid, van de Awb het door eiseres betaalde griffierecht te vergoeden.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.4.8. Gelet hierop ziet de rechtbank aanleiding om verweerster met toepassing van artikel</para>
      <para>8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de</para>
      <para>behandeling van dit beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Op 1 oktober 2009 is in</para>
      <para>werking getreden het Besluit houdende aanpassing van de bijlage bij het Besluit</para>
      <para>proceskosten bestuursrecht in verband met de indexering van bedragen in die bijlage. Artikel</para>
      <para>II van het besluit bepaalt dat ten aanzien van bezwaar of beroep dat vóór de datum van</para>
      <para>inwerkingtreding van dit besluit is ingesteld, de bijlage bij het Besluit proceskosten</para>
      <para>bestuursrecht van toepassing blijft zoals die luidde vóór de inwerkingtreding van dit besluit.</para>
      <para>De kosten in verband met de door een derde beroepsmatig verleende bijstand zijn op grond</para>
      <para>van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,- (1 punt voor het</para>
      <para>beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322,-</para>
      <para>en wegingsfactor 1). De rechtbank is niet gebleken dat eiseres nog andere kosten heeft</para>
      <para>moeten maken die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in</para>
      <para>aanmerking komen.</para>
      <para>Omdat aan eiseres ter zake van dit geschil een toevoeging is verleend, dient voormeld bedrag</para>
      <para>aan proceskosten aan de griffier van de rechtbank te worden betaald.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gezien het vorenstaande beslist de rechtbank als volgt.</para>
      <para>3. Beslissing</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De rechtbank Dordrecht,</para>
    <para />
    <para>- 	verklaart het beroep gegrond;</para>
    <para />
    <para>- 	vernietigt het bestreden besluit;</para>
    <para />
    <para>- 	bepaalt dat verweerster aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 41,- vergoedt;</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>- 	veroordeelt verweerster in de proceskosten die eiseres in verband met de behandeling van dit beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, welke kosten worden begroot op</para>
      <para>€ 644,- ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (waaronder begrepen € 98,- aan eigen bijdrage), welke kosten verweerster aan de griffier van de rechtbank moet vergoeden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Aldus gegeven door mr. M.A.C. Prins, rechter, en door deze en M.G. den Ambtman, griffier, ondertekend.</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>