<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2026:988</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-22T13:44:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-01-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-01-21</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/09/697710 / KG RK 26-87</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#wraking">Wraking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:988">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:988</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-22T13:43:33</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-01-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2026:988 Rechtbank Den Haag , 21-01-2026 / C/09/697710 / KG RK 26-87</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2026:988:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Wraking. Het wrakingsverzoek wordt afgewezen, omdat de door verzoeker als grond 1, 3 en 4 aangevoerde gronden slechts veronderstellingen en suggesties betreffen en concrete feiten waaruit de wrakingskamer de gestelde (schijn van) partijdigheid of vooringenomenheid in de hoofdzaak zou kunnen afleiden ontbreken. Verder heeft de door verzoeker aangevoerde grond 2 betrekking op meerdere procedurele beslissingen van de rechter en brengt het gesloten stelsel van rechtsmiddelen mee dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2026:988:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">Rechtbank den haag</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Wrakingskamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wrakingnummer 2026/02</para>
      <para>zaak- /rekestnummer: C/09/697710 / KG RK 26-87</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Beslissing van 21 januari 2026</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verzoeker] ,</emphasis>
      </para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>hierna te noemen: verzoeker,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>strekkende tot de wraking van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>mr. C.W.D. Bom, </para>
      <para>rechter in deze rechtbank,</para>
      <para>hierna te noemen: de rechter. </para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het schriftelijke wrakingsverzoek is gedaan op 13 januari 2026.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De wrakingskamer heeft de beschikking over het dossier in de hoofdzaak.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het wrakingsverzoek</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaak met nummer 11889464 RP VERZ 25-50714 tussen verzoeker als verzoekende partij en de Staat der Nederlanden, het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, meer in het bijzonder Rijkswaterstaat, als verwerende partij (hierna: de hoofdzaak).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Verzoeker heeft, voor zover van belang, het volgende aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag gelegd:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">“3. GRONDEN VOOR WRAKING </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">GROND 1 – ZEER RECENTE TOEGEWEZEN WRAKING IN IDENTIEKE CONTEXT </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Op 29 december 2025 is mr. C.W.D. Bom door de wrakingskamer van deze rechtbank gewraakt, waarbij het wrakingsverzoek is toegewezen (zie bijlage 1). </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Overeenkomsten met de onderhavige zaak </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>
            <emphasis role="italic">arbeidsgeschil ontbinding arbeidsovereenkomst </emphasis>
          </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            <emphasis role="italic">werknemer tegenover een overheidsinstelling </emphasis>
          </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            <emphasis role="italic">kantonrechter Rechtbank Den Haag </emphasis>
          </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            <emphasis role="italic">dezelfde rechter mr. C.W.D. Bom</emphasis>
          </para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Kernoverweging wrakingskamer (letterlijk): </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">"Door zonder kennis te nemen van de inhoud van de pleitnota te weigeren dat deze wordt voorgedragen en te eisen dat de gemachtigde eerst reageert op de standpunten van de wederpartij, heeft de rechter te veel ingegrepen in de processuele verhouding tussen partijen, hetgeen ten minste de schijn van partijdigheid oplevert." De wrakingskamer heeft derhalve objectieve schijn van partijdigheid vastgesteld wegens ongelijke behandeling van procespartijen, waarbij de overheid werd bevoordeeld ten opzichte van de werknemer.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Gelet op het uiterst recente karakter van deze toegewezen wraking en de identieke processuele context, bestaat reeds daarom een objectief gerechtvaardigde vrees dat mr. Bom in de onderhavige zaak niet de vereiste onpartijdigheid kan betrachten.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">GROND 2 – HERHALING VAN HET VASTGESTELDE PATROON IN DEZE ZAAK </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Ook in de onderhavige procedure heeft mr. Bom reeds meerdere processuele beslissingen genomen die het in de ECLI-uitspraak vastgestelde patroon bevestigen.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">A. Uitstelverzoek Rijkswaterstaat zonder hoor en wederhoor gehonoreerd </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Op 27 oktober 2025 kondigde Rijkswaterstaat een aanvullende indiening aan met als deadline 30 oktober 2025, terwijl de zitting gepland stond op 4 november 2025. Op 3 november 2025, één dag voor de zitting, heeft mr. Bom de zitting uitgesteld naar 13 januari 2026, zonder verificatie van de noodzaak, hoor en wederhoor, belangenafweging of motivering. Dit heeft Rijkswaterstaat een procedureel voordeel verschaft.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">B. Zeer laat ingediende stukken zonder sanctie toegelaten </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Rijkswaterstaat heeft haar stukken op 22 december 2025 ingediend (zie bijlage 2), derhalve zeer kort voor de feestdagen en zodanig laat dat verzoeker, mede gezien de feestdagen en de beperkte resterende voorbereidingstijd, uitsluitend bijlagen zonder inhoudelijke schriftelijke toelichting kon indienen. Niettemin heeft mr. Bom deze zeer late indiening van Rijkswaterstaat zonder motivering geaccepteerd en zonder enige processuele consequentie toegelaten.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">C. Verzoek digitale deelname verzoeker genegeerd </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Verzoeker heeft, vanwege zijn medische situatie, verzocht om digitale deelname aan de zitting (zie bijlage 3). Pas op 13 januari 2026 is hierop inhoudelijk gereageerd (zie bijlage 4), met excuses voor de late reactie, hetgeen verzoeker objectief heeft beperkt in zijn voorbereiding.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Conclusie grond 2 </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">In alle drie gevallen is sprake van procedurele voordelen voor de overheid en het negeren of benadelen van verzoeker. Dit patroon is identiek aan het patroon dat de wrakingskamer op 29 december 2025 heeft vastgesteld.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">GROND 3 – OBJECTIEVE SCHIJN VAN PARTIJDIGHEID ART. 6 EVRM </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Volgens vaste jurisprudentie is beslissend of een redelijk en geïnformeerd observator objectief zou vrezen dat de rechter niet onpartijdig is. Gelet op de zeer recente toegewezen wraking van mr. Bom, de herhaling van hetzelfde patroon in deze zaak en de medische kwetsbaarheid van verzoeker, is deze vrees objectief gerechtvaardigd.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">GROND 4 – PREVENTIEVE WRAKING IS GERECHTVAARDIGD </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wraking is toegestaan vóór de zitting, indien reeds objectieve gronden bestaan. Die gronden zijn hier ruimschoots aanwezig. Wachten tot de zitting zou het risico inhouden van herhaling van vastgestelde ongelijkheid, medische schade bij verzoeker en procedurele vertraging.”</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Grond 1</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Verzoeker heeft als grond 1 van zijn wrakingsverzoek aangevoerd dat een objectief gerechtvaardigde vrees bestaat dat de rechter niet de vereiste onpartijdigheid kan betrachten, omdat een (recent) wrakingsverzoek tegen dezelfde rechter is toegewezen in een procedure met - volgens verzoeker - identieke processuele context als de hoofdzaak. Dit enkele feit is echter onvoldoende om daaruit de partijdigheid of vooringenomenheid van de rechter of de zwaarwegende aanwijzingen voor de objectief gerechtvaardigde vrees af te kunnen leiden. Aangenomen mag worden dat de rechter in staat is om in iedere nieuwe zaak een onbevangen oordeel te geven. De door verzoeker aangevoerde grond betreft dan ook slechts een veronderstelling. Concrete feiten waaruit de wrakingskamer de gestelde (schijn van) partijdigheid of vooringenomenheid in de hoofdzaak zou kunnen afleiden ontbreken. Daarom is het wrakingsverzoek voor zover op deze grond gebaseerd niet toewijsbaar.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Grond 2</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Verzoeker heeft aan grond 2 onder A, B en C van zijn wrakingsverzoek meerdere procedurele beslissingen van de rechter ten grondslag gelegd. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt echter mee dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Het gerecht dat over het wrakingsverzoek moet oordelen (de wrakingskamer) komt geen oordeel toe over de juistheid van de (tussen)beslissing noch over het verzuim te beslissen. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak. Hieruit volgt dat het wrakingsverzoek, voor zover het is gebaseerd op de procedurele beslissingen, niet toewijsbaar is. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Gronden 3 en 4</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>De als gronden 3 en 4 door verzoeker aangevoerde stellingen betreffen slechts veronderstellingen en suggesties. Concrete feiten waaruit de wrakingskamer de vooringenomenheid van de rechter of de objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor in de hoofdzaak kan afleiden, ontbreken. Daarom is het verzoek ook op deze gronden niet toewijsbaar.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>Slotsom is dat het wrakingsverzoek kennelijk ongegrond is en zal worden afgewezen. Voor een behandeling van het verzoek ter terechtzitting bestaat geen reden. Het in de wet opgenomen recht op een mondelinge behandeling is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek, maar aan dat debat wordt gezien het vorenstaande niet toegekomen.  </para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De wrakingskamer:</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>wijst het verzoek tot wraking af;  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <parablock>
        <para>beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 39, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt toegezonden aan: </para>
        <para>		•	de verzoeker;</para>
        <para>•		de wederpartij in de hoofdzaak;</para>
        <para>•	de rechter.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Deze beslissing is gegeven door mrs. S.M. Krans, A.M.A. Keulen en E.E. Schotte, in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.L. van Nooijen-Kühler en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2026. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>de griffier 							de voorzitter </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>