<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2026:9488</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-04-29T08:20:46</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-04-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-03-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">26/324</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9488">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9488</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-04-29T08:20:39</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-04-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2026:9488 Rechtbank Den Haag , 18-03-2026 / 26/324</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2026:9488:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Pkv-uitspraak na intrekking vovo. Pkv afgewezen. Verweerder is niet tegemoetgekomen aan het verzoek om vovo.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2026:9488:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: SGR 26/324</para>
    <para>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="bold">uitspraak van de voorzieningenrechter als bedoeld in artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 18 maart 2026 op het verzoek om veroordeling in de proceskosten in de zaak tussen</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <section>
    <title>
      [verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker</title>
    <para>
      <?linebreak?>en</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, </emphasis>het Uwv</para>
      <para>(gemachtigde: M.A. Brouwer).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding </title>
    <para />
    <para>1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek om een veroordeling van het Uwv in de proceskosten. Verzoeker heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van zijn verzoek om een voorlopige voorziening tegen het besluit van het Uwv van 9 december 2025. Hij heeft het verzoek om voorlopige voorziening op 1 februari 2026 naar eigen zeggen ingetrokken omdat het Uwv hangende de procedure alsnog is overgegaan tot behandeling van zijn bezwaar. Bij de intrekking heeft verzoeker verzocht om het Uw met toepassing van artikel 8:75a van de Awb te veroordelen in de terugbetaling van het griffierecht.</para>
    <para />
    <para>2. De voorzieningenrechter doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.<footnote-ref linkend="_4c04681b-1de6-45c0-ba0e-109e78e272e0" /></para>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	De voorzieningenrechter zal het verzoek om proceskostenveroordeling afwijzen. Hij legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel komt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.<footnote-ref linkend="_bd018a0a-0736-4064-9915-47543bb1db16" /> In deze zaak is geen sprake van een beroep maar van een verzoek om een voorlopige voorziening. Dan is artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb van overeenkomstige toepassing. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>Bij de overeenkomstige toepassing van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb in een voorlopige voorzieningsprocedure moet de vraag of sprake is van tegemoetkomen worden gerelateerd aan het specifieke doel van die procedure, te weten het voorkomen van onevenredig nadeel hangende de bezwaarprocedure. Van tegemoetkomen is enkel sprake als het bestuursorgaan de uitvoering van het primaire besluit opschort dan wel de gevraagde voorlopige maatregel treft waardoor onevenredig nadeel wordt voorkomen.<footnote-ref linkend="_43de017f-c05f-47b4-b147-ab5648fba676" /></para>
      <para />
      <para>5. Met het in behandeling nemen van verzoekers bezwaar is het Uwv niet tegemoetgekomen aan het verzoek om een voorlopige voorziening als hiervoor in 4.2 bedoeld. Het verzoek om voorlopige voorziening strekte tot vaststelling dat het besluit van 9 december 2025 pas op 12 januari 2026 rechtsgeldig is bekendgemaakt en dat de bezwaartermijn van zes weken pas vanaf dat moment is aangevangen, althans een voorziening te treffen die dit rechtsgevolg veiligstelt. Nog daargelaten dat hetgeen waar verzoeker om heeft verzocht geen voorziening is die voorlopig van aard is maar een rechtsvaststelling die zich niet leent voor een voorlopige voorzieningenprocedure, is er dus niet aan de eisen van art. 8:75a van de Awb voldaan.</para>
      <para />
      <para>6. Het verzoek om een veroordeling in de proceskosten zal daarom worden afgewezen.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. D.R. van der Meer, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Klaus, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2026.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry>
              <para />
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para />
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak staat ingevolge artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb in verband met artikel 8:84, vijfde lid van de Awb geen verzet of hoger beroep open. Dit betekent dat de zaak tot een definitief einde is gekomen.</para>
  </section>
  <footnote id="_4c04681b-1de6-45c0-ba0e-109e78e272e0" label="1">
    <para> Dit volgt uit artikel 8:83, derde lid, van de Awb. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_bd018a0a-0736-4064-9915-47543bb1db16" label="2">
    <para> De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a Awb en nader uitgewerkt in het Bpb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_43de017f-c05f-47b4-b147-ab5648fba676" label="3">
    <para> ABRvS (vz.) 7 november 2000, ECLI:NL:RVS:2000:AA8952, JB 2000/349; ABRvS 24 januari 2007, ECLI:NL:RVS:2007:AZ7413; CRvB 25 maart 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BC7670, RSV 2008/141; CRvB (vzr.) 24 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3263</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>