<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2026:9411</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-04-28T11:57:46</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-04-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-04-02</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/09/700920</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#beschikking">Beschikking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_personenEnFamilierecht">Civiel recht; Personen- en familierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9411">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:9411</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-04-28T11:57:09</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-04-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2026:9411 Rechtbank Den Haag , 02-04-2026 / C/09/700920</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2026:9411:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>verzoek vervanging GI door moeder gedaan en (mondeling) verzoek beëindiging ondertoezichtstelling door de GI gedaan.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2026:9411:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team Jeugd- en Zorgrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: C/09/700920 / JE RK 26-373</para>
      <para>Datum uitspraak: 3 april 2026</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Beschikking van de kinderrechter over:</emphasis>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="bold">- een verzoek om  vervanging van de gecertificeerde instelling (verzoek I)</emphasis>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="bold">- een (mondeling) verzoek om beëindiging van een ondertoezichtstelling (verzoek II)</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van (verzoek I):</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [de moeder] ,</emphasis>
      </para>
      <para>hierna te noemen: de moeder,</para>
      <para>wonende in [woonplaats] , </para>
      <para>advocaat: mr. M. de Bluts uit Zoetermeer,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>over</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [minderjarige]
        </emphasis>, geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] ,</para>
      <para>hierna te noemen: [minderjarige] .</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden</emphasis>, gevestigd te Den Haag,</para>
      <para>hierna te noemen: de gecertificeerde instelling	</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en in de zaak van (verzoek II):</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden</emphasis>, gevestigd te Den Haag,</para>
      <para>hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>over</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [minderjarige]
        </emphasis>, geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] ,<?linebreak?>hierna te noemen: [minderjarige] .</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [de moeder] ,</emphasis>
      </para>
      <para>hierna te noemen: de moeder,</para>
      <para>wonende in [woonplaats] , </para>
      <para>advocaat: mr. M. de Bluts uit Zoetermeer.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het verloop van de procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <parablock>
        <para>De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: </para>
        <para>- het verzoekschrift van de moeder met zes producties, ontvangen op 5 maart 2026.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 2 april 2026. Daarbij waren aanwezig:</para>
      <para>- de moeder met haar advocaat;</para>
      <para>- [naam 1] namens de gecertificeerde instelling.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening over het verzoek gevraagd. [minderjarige] heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om met de kinderrechter in gesprek te gaan.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>
        [minderjarige] is erkend door [naam 2] .<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>De meervoudige kamer van  deze rechtbank heeft bij beschikking van 13 februari 2026 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 19 februari 2027 en de verzoeken tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing en tot het verlenen van een (voorwaardelijke) machtiging gesloten jeugdhulp afgewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 31 maart 2026 een spoedmachtiging verleend [minderjarige] tot 13 april 2026 gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>
        [minderjarige] verblijft momenteel in de gesloten accommodatie voor jeugdhulp [zorginstelling] in [plaats] .</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>De verzoeken </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoek I</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>De moeder verzoekt  om de gecertificeerde instelling, die de ondertoezichtstelling uitvoert, te vervangen, de beslissing, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad te verklaren dan wel een beslissing te nemen die de kinderrechter in het belang van [minderjarige]  juist acht.<?linebreak?>Verzoek II<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>De gecertificeerde instelling heeft ter zitting mondeling verzocht de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te beëindigen. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Verzoek II </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Aan het verzoek tot beëindiging van de ondertoezichtstelling heeft de gecertificeerde instelling ten grondslag gelegd dat de mogelijkheden om de ernstige ontwikkelingsbedreiging bij [minderjarige] weg te nemen, zijn uitgeput en de ondertoezichtstelling dus niet meer uitvoerbaar is. Met de moeder is, aldus de gecertificeerde instelling, geen samenwerking mogelijk, het is voor de jeugdbeschermer crisis op crisis bestrijden en [minderjarige] verkeert inmiddels in een loyaliteitsconflict tussen de moeder en de jeugdbeschermer.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>De moeder heeft ter zitting verzocht het verzoek van de gecertificeerde instelling toe te wijzen. <?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>In het vonnis van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 13 februari 2026 is overwogen dat uithuisplaatsing van [minderjarige] schadelijker is voor haar ontwikkeling dan wonen bij haar moeder, terwijl de gecertificeerde instelling over dat laatste terecht grote zorgen heeft. Die zorgen betreffen, aldus de meervoudige kamer, de veiligheid van de opvoedsituatie (als gevolg van de chronische psychische problematiek van moeder, zonder dat sprake is van ziekte-inzicht), het gebrek aan zicht op die opvoedsituatie door de opstelling van moeder en het gebrek aan opvoedvaardigheden van moeder (terwijl bij [minderjarige] sprake is van ernstige gedragsproblemen en langdurig schoolverzuim). Helaas is het, zo overwoog de meervoudige kamer ook, kiezen tussen twee kwaden. Door het ontbreken van perspectief is de ontwikkeling van [minderjarige] gestagneerd en nu er op dit moment geen duidelijke signalen van acuut (fysiek) gevaar voor [minderjarige] zijn als zij terugkeert naar moeder, is thuisplaatsing méér in haar belang. De meervoudige kamer overwoog echter ook dat de ondertoezichtstelling, hoewel er zorgen zijn over de uitvoerbaarheid, nog steeds het aangewezen middel is om de ernstige ontwikkelingsbedreiging weg te nemen, nu in het kader van de ondertoezichtstelling de focus de komende tijd op [minderjarige] kan komen te liggen, zodat zij zich kan blijven ontwikkelen. De ondertoezichtstelling is daarom verlengd tot 19 februari  2027.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>Het is hierom dat de kinderrechter thans, nog geen twee maanden na de uitspraak van de meervoudige kamer, geen aanleiding ziet om de ondertoezichtstelling te beëindigen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>Dat [minderjarige] sinds 30 maart 2026 niet meer bij haar moeder woont, maar (opnieuw) gesloten is geplaatst, maakt het voorgaande niet anders, maar maakt eens te meer duidelijk dat de betrokkenheid van een jeugdbeschermer nog steeds nodig is, namelijk om de veiligheid bij de moeder te (blijven) monitoren. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <para>Het verzoek van de gecertificeerde instelling wordt daarom afgewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7.</nr>
      <para>Indien de gecertificeerde instelling de komende periode aan blijft lopen tegen de grenzen van uitvoerbaarheid, dan heeft de gecertificeerde instelling de mogelijkheid – na voorafgaande toetsing door de Raad voor de Kinderbescherming – een (hernieuwd) verzoek tot opheffing van de ondertoezichtstelling aan de rechtbank voor te leggen. </para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Verzoek I</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8.</nr>
      <para>In artikel 1:259 van het Burgerlijk Wetboek is bepaald dat de kinderrechter de gecertificeerde instelling die belast is met de ondertoezichtstelling over de minderjarige op verzoek van – onder meer – een met het gezag belaste ouder kan vervangen door een andere gecertificeerde instelling. Voor vervanging kan aanleiding zijn als de verhouding tussen de gecertificeerde instelling en de ouder in kwestie dermate slecht is dat het belang van het kind vereist dat een andere gecertificeerde instelling met het toezicht wordt belast. <?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.9.</nr>
      <para>Uit de stukken en hetgeen is besproken ter zitting, volgt duidelijk dat de moeder geen vertrouwen (meer) heeft in de gecertificeerde instelling. Dit gebrek aan vertrouwen laat zij zien door iedere samenwerking uit de weg te gaan. De moeder vertoont ook regelmatig grensoverschrijdend gedrag richting de gecertificeerde instelling en de betrokken jeugdbeschermer. Volgens de moeder werkt de jeugdbeschermer op alle fronten tegen, heeft zij zich tegen de moeder gekeerd, benadrukt zij alleen het negatieve en zet zij de noodzakelijke hulpverlening voor [minderjarige] niet in. Van handelen in het belang van [minderjarige] is dus geen sprake, aldus de moeder.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.10.</nr>
      <para>Uit de stukken maakt de kinderrechter echter op dat de gecertificeerde instelling de belangen van [minderjarige] geenszins heeft veronachtzaamd en nog immer, binnen de grenzen van haar mogelijkheden, alles in het werk stelt om de ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] weg te nemen. Dat het niet lukt om hierin grote stappen te zetten, is voornamelijk gelegen in het gedrag en de opstelling van de moeder en haar gebrek aan opvoedvaardigheden, voortkomend uit haar voortdurende psychische problematiek. In de beslissing van 13 februari 2026 overwoog de meervoudige kamer in dit verband in dezelfde zin: ‘Voor zover de moeder meent dat er geen zorgen over [minderjarige] zijn, dat de gecertificeerde instelling het verkeerd ziet en niet in het belang van [minderjarige] handelt, dat zij als moeder nergens toe verplicht is, ziet zij dat verkeerd.’ De kinderrechter wijst de moeder er nogmaals op dat zij  in het kader van de ondertoezichtstelling gehouden is om, ondanks haar eigen opvattingen, met de gecertificeerde instelling samen te werken om de doelen van de ondertoezichtstelling duurzaam te bereiken. <?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.11.</nr>
      <para>De kinderrechter ziet, gelet op het voorgaande,  geen aanleiding om de betrokken gecertificeerde instelling te vervangen door een andere. Vervanging van de gecertificeerde instelling zou overigens ook betekenen dat een andere gecertificeerde instelling zich het uitgebreide dossier eigen zal moeten maken, wat ongetwijfeld zal leiden tot het verloren gaan van (dossier)kennis en vertraging in de uitvoering van (de doelen van) de ondertoezichtstelling, hetgeen niet in het belang van [minderjarige] is. Ook is te verwachten dat vervanging van de gecertificeerde instelling onrust bij [minderjarige] zal veroorzaken, doordat zij zal moeten wennen aan een nieuwe jeugdbeschermer, terwijl het juist van belang is dat [minderjarige] rust en ruimte blijft ervaren om, met hulp van de ingeschakelde en wellicht nog in te schakelen hulpverlening, verder te werken aan haar ontwikkeling.  <?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.12.</nr>
      <para>Uit de stukken en de behandeling op de zitting is de kinderrechter gebleken dat het gedrag en de opstelling van de moeder belastend is voor de jeugdbeschermer. De kinderrechter geeft de gecertificeerde instelling om die reden in overweging om in het kader van de uitvoering van de ondertoezichtstelling het Landelijke Expertise Team (LET) in kinderbeschermingszaken in te schakelen. <?linebreak?></para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kinderrechter:</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>wijst het verzoek van de moeder om vervanging van de gecertificeerde instelling af;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>wijst het verzoek van de gecertificeerde instelling tot beëindiging van de ondertoezichtstelling af.</para>
      <para />
      <informaltable>
        <tgroup cols="3">
          <colspec colname="colA" />
          <colspec colname="colB" />
          <colspec colname="colC" />
          <tbody>
            <row>
              <entry namest="colA" nameend="colC">
                <para>Deze beschikking is gegeven door mr. J.E. Bierling, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 3 april 2026, in aanwezigheid van S.A. van Schaik-van Dommelen als griffier en op schrift gesteld op 15 april 2026.</para>
                <para />
              </entry>
            </row>
          </tbody>
        </tgroup>
      </informaltable>
      <para />
      <parablock>
        <para>Tegen eindbeslissingen in deze beschikking staat geen hoger beroep open.<footnote-ref linkend="_02666686-025d-435f-8104-4e3113c91bb1" /></para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_02666686-025d-435f-8104-4e3113c91bb1" label="1">
    <para> Artikel 807 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>