<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2026:867</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-21T15:30:35</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-01-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-01-21</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL25.45368</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Groningen</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:867">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:867</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-21T14:04:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-01-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2026:867 Rechtbank Den Haag , 21-01-2026 / NL25.45368</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2026:867:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Asiel - Syrië - opvolgende asielaanvraag is niet-ontvankelijk verklaard - geen vergewisplicht minister om nader onderzoek te doen of eiser in Duitsland nog een verblijfsvergunning heeft - vaststaat dat eiser een subsidiaire beschermingsstatus heeft in Duitsland - geen ambtshalve toets aan artikel 8 EVRM bij een opvolgende aanvraag - uitoefenen van familie- en gezinsleven in Duitsland - beroep ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2026:867:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Groningen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL25.45368 </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [naam] , eiser,</bridgehead>
    <parablock>
      <para>geboren op [geboortedatum] ,</para>
      <para>van Syrische nationaliteit, </para>
      <para>V-nummer: [nummer] ,</para>
      <para>(gemachtigde: mr. W. Spijkstra),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de minister van Asiel en Migratie,</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. J.D. Albarda).</para>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">Samenvatting</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijk verklaring van de opvolgende asielaanvraag<footnote-ref linkend="_2e1b44fe-f2c5-4ace-9054-b08c879ec123" /> van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij heeft daarom beroep ingesteld. De rechtbank beoordeelt het beroep mede aan de hand van de beroepsgronden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de niet-ontvankelijk verklaring van de opvolgende asielaanvraag in stand kan blijven, omdat de minister in het bestreden besluit voldoende heeft gemotiveerd waarom eiser geen nieuwe elementen of bevindingen heeft aangevoerd ten opzichte van zijn eerdere asielaanvraag. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.	Eiser heeft op 26 augustus 2025 een opvolgende aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 11 september 2025 deze aanvraag in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard.<footnote-ref linkend="_e934d53d-d19f-4867-9d07-1733c5729fa4" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 16 januari 2026 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening<footnote-ref linkend="_81fac316-4ab4-40dc-90b8-cd751449330e" />, op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser is niet verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek op zitting gesloten. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">De procedure over de eerdere aanvraag</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	Eiser heeft eerder op 27 november 2015 een asielaanvraag ingediend. Met het besluit van 26 april 2016 heeft de staatssecretaris (nu: de minister) deze aanvraag niet in behandeling genomen. Eiser heeft op 25 juni 2021 opnieuw een asielaanvraag ingediend. Met het besluit van 1 september 2022 heeft de minister aan eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw<footnote-ref linkend="_4c70d017-730d-42dc-a478-ce5adc295f77" />, met ingang van 25 juni 2021 en geldig tot 25 juni 2026.<?linebreak?></para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Met het besluit van 5 maart 2024 heeft de minister de aan eiser verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd met terugwerkende kracht op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw ingetrokken tot 25 juni 2021. Het beroep van eiser tegen dit besluit is bij uitspraak van 19 augustus 2024 door deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, gegrond verklaard.<footnote-ref linkend="_dc95e311-dfd0-4f38-9035-6ba4074dca2c" /> De Afdeling<footnote-ref linkend="_7b0604ca-3561-4243-90d6-e645f6543cc2" /> heeft deze uitspraak op 14 februari 2025<footnote-ref linkend="_dc6ce6fe-7fdc-41d9-ac80-df3d75ec838b" /> vernietigd. Hiermee staat het besluit van 5 maart 2024 in rechte vast.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">De opvolgende asielaanvraag</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>4. Eiser heeft op 26 augustus 2025 een opvolgende asielaanvraag gedaan. Hierbij heeft eiser gewezen op de asielaanvraag van zijn echtgenote die in Nederland door de minister wordt behandeld. Nu eisers echtgenote niet meer naar Duitsland kan worden teruggestuurd en de minister op de zitting van 15 juli 2024 bij deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, heeft verklaard dat het zijn wens is om het gezin bij elkaar te houden, moet de asielaanvraag van eiser alsnog in Nederland worden behandeld. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Het bestreden besluit</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister geen nieuwe elementen of bevindingen. De intrekking van eisers verblijfsvergunning staat in rechte vast, omdat hij in het bezit was en is van een verblijfsvergunning in Duitsland. De minister volgt eiser dan ook niet in het standpunt dat de minister meer onderzoek dient te doen naar eisers verblijfsrecht in Duitsland. De minister stelt verder dat bij een herhaalde aanvraag niet ambtshalve wordt getoetst aan artikel 8 van het EVRM.<footnote-ref linkend="_ce76c13f-ad81-4933-8326-73f7b9874427" /> Het is volgens de minister aan eisers echtgenote en kinderen om hem te vergezellen naar Duitsland, om daar het recht op gezinsleven uit te kunnen oefenen. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag niet-ontvankelijk is. <?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>Eiser kan zich hiermee niet verenigen. De rechtbank gaat hierna in op zijn beroepsgronden, voor zover deze van belang zijn.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Zienswijze ingelast en herhaald</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>6. De rechtbank overweegt, dat de algemene stelling van eiser in beroep dat de zienswijze als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd, onvoldoende is om te kunnen aanmerken als een beroepsgrond waar de rechtbank over moet beslissen. De minister is in het bestreden besluit gemotiveerd ingegaan op de zienswijze van eiser. De rechtbank zal daarom de stellingen in de zienswijze, waarvan eiser in beroep niet concreet heeft aangegeven waarom de reactie van de minister daarop volgens hem niet juist of niet toereikend is, niet bespreken. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Vergewisplicht</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>7. Eiser voert aan dat de Afdeling in strijd met eigen jurisprudentie heeft geoordeeld en kan zich dan ook niet vinden in de uitspraak van 14 februari 2025. Eiser voert verder aan dat de minister een vergewisplicht heeft en nader onderzoek moet doen naar het verblijfsrecht van eiser in Duitsland. Op zitting heeft eiser nader toegelicht dat de minister ook in het kader van de opvolgende asielaanvraag, mede gelet op het tijdsverloop sinds de eerdere procedure, nader onderzoek had moeten doen naar het verblijfsrecht van eiser in Duitsland. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.1.</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank overweegt dat de intrekking van de asielaanvraag van eiser in rechte vast staat, zodat de gronden die gericht zijn tegen de vraag of de verblijfsvergunning terecht is ingetrokken geen verdere bespreking behoeven. Met de uitspraak van 14 februari 2025 is eveneens in rechte vast komen te staan dat eiser een subsidiaire beschermingsstatus heeft in Duitsland, zodat ook de vraag of de minister heeft voldaan aan zijn vergewisplicht geen nadere bespreking behoeft. Het enkele tijdsverloop sinds die uitspraak maakt niet dat op de minister alsnog een vergewisplicht rust om nader onderzoek te doen of eiser in Duitsland nog een verblijfsvergunning heeft. Nu in rechte vast dat eiser een subsidiaire beschermingsstatus heeft in Duitsland, is het aan eiser om aannemelijk te maken dat hiervan geen sprake meer zou zijn. De enkele verwijzing naar de bevindingen uit de eerdere procedure is hiervoor onvoldoende. <?linebreak?></para>
        <para>
          <emphasis role="underline">Artikel 8 van het EVRM</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>8.	Eiser voert aan dat de minister bij de beoordeling van de opvolgende asielaanvraag ambtshalve had moeten toetsen aan artikel 8 van het EVRM, omdat door toedoen van de minister de gezinssituatie is gewijzigd. Hij wijst erop dat uit paragraaf 186 van het Handbook<footnote-ref linkend="_f2d69575-7e18-4396-bb04-56256cf95ce8" /> volgt dat de minister ervoor moet zorgen dat het gezin bij elkaar blijft.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>8.1.</nr>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat de minister niet gehouden is om bij een opvolgende asielaanvraag ambtshalve te toetsen aan artikel 8 van het EVRM. Uit artikel 3.6a, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb<footnote-ref linkend="_188ec9b1-02da-4e6d-a71e-fd51ee7c2ea9" /> volgt immers dat bij afwijzing van de eerste asielaanvraag ambtshalve aan artikel 8 van het EVRM wordt getoetst. In het geval van eiser gaat het echter om een opvolgende aanvraag. De rechtbank ziet in het verloop van de procedure en de feitelijke omstandigheden van eiser geen reden om daar anders over te oordelen. De enkele verwijzing van eiser naar paragraaf 186 van het Handbook, maakt het ook niet anders. De rechtbank volgt de minister hierbij in zijn standpunt dat eiser het familie- en gezinsleven in Duitsland zou kunnen uitoefenen. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>9.	De minister heeft de aanvraag terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is daarom ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. E.A. Ruiter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Informatie over hoger beroep</emphasis>
      </para>
      <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_2e1b44fe-f2c5-4ace-9054-b08c879ec123" label="1">
    <para> Als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_e934d53d-d19f-4867-9d07-1733c5729fa4" label="2">
    <para> Op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_81fac316-4ab4-40dc-90b8-cd751449330e" label="3">
    <para> NL25.45369.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4c70d017-730d-42dc-a478-ce5adc295f77" label="4">
    <para> Vreemdelingenwet 2000.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_dc95e311-dfd0-4f38-9035-6ba4074dca2c" label="5">
    <para> NL24.13967.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7b0604ca-3561-4243-90d6-e645f6543cc2" label="6">
    <para> Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_dc6ce6fe-7fdc-41d9-ac80-df3d75ec838b" label="7">
    <para> Zie uitspraak van de Afdeling van 14 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:575. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_ce76c13f-ad81-4933-8326-73f7b9874427" label="8">
    <para> Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f2d69575-7e18-4396-bb04-56256cf95ce8" label="9">
    <para> Handbook on Procedures and Criteria for determining Refugee status van de UNHCR.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_188ec9b1-02da-4e6d-a71e-fd51ee7c2ea9" label="10">
    <para> Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>