<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2026:713</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-28T08:53:41</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-01-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-01-14</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">SGR 25/8657</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:713">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:713</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-28T08:53:32</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-01-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2026:713 Rechtbank Den Haag , 14-01-2026 / SGR 25/8657</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2026:713:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Afwijzing vovo; kennelijk niet-ontvankelijk. Geen lopende bezwaar- of beroepsprocedure, dus niet voldaan aan connexiteitsvereiste 8:83 Awb. Ook geen spoedeisend belang; acute financiële noodsituatie niet onderbouwd met stukken.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2026:713:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: SGR 25/8657 </para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 januari 2026 in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [eiser] , uit [woonplaats] , eiser</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, </emphasis>het Uwv (gemachtigde: G.M. Folkers-Hooijmans).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <para>1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het besluit van 15 juli 2024. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.</para>
    <para />
    <para>2. Het Uwv heeft in het besluit van 15 juli 2024 bepaald dat verzoeker vanaf 10 augustus 2024 geen Ziektewet-uitkering meer krijgt, omdat het recht op deze uitkering na 104 weken ziekteverzuim eindigt. Verzoeker heeft geen bezwaar tegen deze beslissing gemaakt. </para>
    <para />
    <para>3. Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de voorzieningenrechter</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.	Alleen als er een bezwaar- of beroepsprocedure loopt kan een verzoek om voorlopige voorziening worden behandeld. Het is de voorzieningenrechter niet gebleken dat verzoeker tegen het besluit van 15 juli 2024 bezwaar heeft gemaakt en dat tegen dat besluit (nog) een bezwaar- of beroepsprocedure loopt. Er is daarom geen sprake van de vereiste connexiteit.<footnote-ref linkend="_0721b457-db15-4b18-ac72-60bf9eb4e0bd" /> Alleen al daarom is het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1</nr>
      <para>Daarbij komt nog het volgende. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk het bedrag waarover het geschil gaat, later alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2</nr>
      <para>Voor zover in deze zaak wel sprake zou zijn van een aan een lopend bewaar of beroep (en wel tegen het WIA-besluit van 26 september 2024 dat inmiddels door het Uwv is genomen en waartegen verzoeker in bezwaar is gegaan, maar dat hij niet als grondslag voor zijn verzoek om voorlopige voorziening heeft genoemd), overweegt de voorzieningenrechter nog het volgende over het spoedeisend belang. Verzoeker ontvangt sinds 30 april 2025 weer een Ziektewet-uitkering, zodat hij niet geheel zonder inkomsten zit. Dat die Ziektewet-uitkering vanaf 1 augustus 2025 is verlaagd naar 70% van het dagloon vanwege een beëindiging van het dienstverband, maakt dit niet anders. Verder heeft verzoeker naar eigen zeggen torenhoge kosten, maar hij heeft in het geheel niet onderbouwd wat die kosten zijn en wat zijn inkomen is, ook niet nadat de rechtbank hem daarom per brief van 10 december 2025 uitdrukkelijk heeft gevraagd. Daarom is de voorzieningenrechter niet gebleken dat sprake zou zijn van een acute financiële noodsituatie. Ook om die reden kan het verzoek om voorlopige voorziening dus niet slagen.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>6.	De conclusie is dat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is vanwege het ontbreken van connexiteit. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter verklaart het beroep niet-ontvankelijk.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. D.R. van der Meer, rechter, in aanwezigheid van</para>
      <para>mr. M.J. Bronsveld, griffier.</para>
      <para>Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2026.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.</title>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_0721b457-db15-4b18-ac72-60bf9eb4e0bd" label="1">
    <para> Artikel 8:81, eerste lid, van de Awb.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>