<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2026:6870</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-07-16T10:44:17</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-03-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-03-30</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">LEE 25/2171</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#vereenvoudigdeBehandeling">Vereenvoudigde behandeling</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Groningen</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RVS:2026:3131" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#bekrachtiging/bevestiging">Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2026:3131, Bekrachtiging/bevestiging</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:6870">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:6870</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-27T12:29:50</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-04-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2026:6870 Rechtbank Den Haag , 30-03-2026 / LEE 25/2171</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2026:6870:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>COa - de koppelingsbrief van het COa van 29 oktober 2019 is geen besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb - geen sprake van een publiekrechtelijke rechtshandeling - de koppelingsbrief is niet meer dan de mededeling van het COa dat de desbetreffende gemeente bereid is gevonden bij voorrang woonruimte voor eiseres beschikbaar te stellen - de koppelingsbrief kan ook niet worden gezien als een rechtens relevante handeling van het COa - de rechtbank is onbevoegd om van het door eiseres ingestelde beroep kennis te nemen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2026:6870:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Groningen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: LEE 25/2171 </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 maart 2026 in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres,</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, het COa</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. A. van Beurden).</para>
    <para />
    <bridgehead role="bold">Samenvatting</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het gaat in deze uitspraak over het beroep van eiseres tegen de brief van het COa van </para>
      <para>29 oktober 2019 (de zogenaamde koppelingsbrief), waarin eiseres is meegedeeld dat de gemeente [naam gemeente] bereid is gevonden bij voorrang woonruimte voor haar beschikbaar te stellen. Eiseres is het daar niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de koppelingsbrief van 29 oktober 2019 geen besluit is als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank is daarom onbevoegd om van het beroep van eiseres kennis te nemen. Zij zal haar beroep niet inhoudelijk behandelen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Inleiding en procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	Eiseres heeft op 24 mei 2025 beroep ingesteld tegen de koppelingsbrief, waarin haar is meegedeeld dat de gemeente [naam gemeente] bereid is gevonden bij voorrang woonruimte voor haar beschikbaar te stellen en haar een aanbod van passende woonruimte zal doen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Met een e-mail van 28 juni 2025 heeft eiseres de rechtbank bericht dat zij niet beschikt over een kopie van de koppelingsbrief. In die e-mail heeft zij ook aangegeven het niet eens te zijn met het besluit van het COa om haar in de gemeente [naam gemeente] te plaatsen en dat het vanwege haar gezondheidssituatie belangrijk is om in de buurt van haar familie te wonen, zodat die haar kan ondersteunen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Op 25 augustus 2025 heeft de rechtbank een comparitie van partijen gehouden (comparitiezitting) voor het geven van inlichtingen.<footnote-ref linkend="_33e7e13d-2383-46c8-b4d4-0a2b37973e5f" /> Hieraan heeft de gemachtigde van het COa deelgenomen. Eiseres heeft de rechtbank vooraf laten weten dat zij vanwege haar medische situatie niet in staat is om naar de comparitiezitting te komen. Op 12 september 2025 heeft de rechtbank het proces-verbaal van de comparitiezitting aan partijen gezonden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Het COa heeft op 23 september 2025 een verweerschrift ingediend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <parablock>
        <para>De behandeling van het beroep was gepland op de zitting van 17 maart 2026. In een e-mailbericht van 3 februari 2026 heeft eiseres de rechtbank laten weten dat zij vanwege verschillende omstandigheden niet naar de zitting kan komen, en dat ook een schriftelijke behandeling van de zaak een mogelijkheid is. Daarop heeft de rechtbank met een brief van </para>
        <para>5 februari 2026 aan eiseres gevraagd of zij schriftelijk toestemming<footnote-ref linkend="_0b9349c0-92e8-4cd7-b8c2-3878be9201a2" /> geeft om zonder het houden van een zitting uitspraak te doen in haar zaak. Eiseres heeft op 6 februari 2026 die toestemming aan de rechtbank verleend. Het college heeft dat op 5 maart 2026 gedaan.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <parablock>
        <para>Met een brief van 5 maart 2026 heeft de rechtbank partijen bericht dat de op </para>
        <para>17 maart 2026 geplande zitting geen doorgang zal vinden, dat zij het onderzoek in deze zaak sluit en binnen zes weken na de datum verzending van deze brief uitspraak zal doen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <para>2. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de koppelingsbrief van </para>
    <para>29 oktober 2019 een besluit is als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Zij doet dat onder meer aan de hand van de beroepsgronden van eiseres, die hierna zullen worden besproken. Verder heeft de rechtbank besloten dat eiseres het griffierecht in deze zaak niet hoeft te betalen.</para>
    <para />
    <para>3. Het COa heeft in zijn reactie van 23 september 2025 opgemerkt dat de koppelingsbrief slechts een aanzegging bevat, namelijk dat de gemeente [naam gemeente] destijds bereid is gevonden om eiseres van huisvesting te voorzien. Hierbij is verwezen naar de uitspraken van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 2 februari 2022<footnote-ref linkend="_d5af9aea-a462-4344-be6a-4d113d855a31" /> en de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 14 augustus 2025.<footnote-ref linkend="_e5ad16a2-cc7b-4ad8-8974-df2f6c166de5" /> Toen deze huisvesting werd aangeboden, is het recht op Rva-verstrekkingen van rechtswege geëindigd<footnote-ref linkend="_86755a8c-2e21-42be-bc6d-adcdae3690dd" /> en is de wettelijke verantwoordelijkheid van het COa komen te vervallen. Het COa wijst er in dit verband op dat de termijn voor het instellen van rechtsmiddelen tegen de koppelingsbrief ruimschoots (en onverschoonbaar) is verstreken. Eiseres heeft het woningaanbod destijds geaccepteerd en verblijft al ruim vijf jaar in de gemeente [naam gemeente] . </para>
    <para />
    <para>4. Artikel 8:1 van de Awb bepaalt dat een belanghebbende tegen een besluit beroep kan instellen bij de bestuursrechter. Artikel 1:3, eerste lid, van de Awb bepaalt dat onder een besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Een rechtshandeling is een handeling die op rechtsgevolg is gericht. Dat wil zeggen dat het moet gaan om een handeling die verandering brengt in de rechten, plichten of aanspraken van eiseres. <?linebreak?></para>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat de koppelingsbrief van het COa van 29 oktober 2019 geen besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb is. Er is namelijk geen sprake van een publiekrechtelijke rechtshandeling. De koppelingsbrief is niet meer dan de mededeling van het COa dat de gemeente [naam gemeente] bereid is gevonden bij voorrang woonruimte voor eiseres beschikbaar te stellen. Ook kan de koppelingsbrief naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezien als een rechtens relevante handeling van het COa in de zin van artikel 5, tweede lid, van de Wet COa. Van een gelijkstelling met een beschikking of een besluit is daarom geen sprake.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Nu de koppelingsbrief geen besluit is en ook niet met een besluit wordt gelijkgesteld, is de rechtbank onbevoegd om van het door eiseres ingestelde beroep kennis te nemen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Ter informatie wijst de rechtbank eiseres er op dat, als zij nog steeds de wens heeft om in de buurt van haar familie te wonen en niet langer zou willen wonen in de gemeente [naam gemeente] , het haar vrij staat om een andere woonplaats in een andere gemeente te kiezen. Het is aan eiseres om dat zelf te regelen. Mogelijk kan de gemeente [naam gemeente] haar daarbij behulpzaam zijn. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.	De rechtbank zal zich onbevoegd verklaren om kennis te nemen van het beroep tegen de koppelingsbrief van 29 oktober 2019. Dat betekent dat zij niet kan oordelen over het beroep van eiseres en ook niet zal ingaan op wat zij in haar e-mails heeft aangevoerd over haar persoonlijke en financiële situatie.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>Eiseres heeft geen proceskosten gemaakt die volgens de wet vergoed kunnen worden.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart zich onbevoegd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, rechter, in aanwezigheid van mr. E.A. Ruiter, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2026.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. </para>
  </section>
  <footnote id="_33e7e13d-2383-46c8-b4d4-0a2b37973e5f" label="1">
    <para> Met toepassing van artikel 8:44 van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0b9349c0-92e8-4cd7-b8c2-3878be9201a2" label="2">
    <para> Op grond van artikel 8:57, eerste lid, van de Awb. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_d5af9aea-a462-4344-be6a-4d113d855a31" label="3">
    <para> ECLI:NL:RBDHA:2022:775.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e5ad16a2-cc7b-4ad8-8974-df2f6c166de5" label="4">
    <para> ECLI:NL:RBOVE:2025:5211.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_86755a8c-2e21-42be-bc6d-adcdae3690dd" label="5">
    <para> Op grond van artikel 45, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 gelezen in verbinding met artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>