<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2026:541</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-14T14:55:51</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-01-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-01-14</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL25.23628</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#vereenvoudigdeBehandeling">Vereenvoudigde behandeling</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Groningen</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:541">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:541</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-14T14:54:53</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-01-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2026:541 Rechtbank Den Haag , 14-01-2026 / NL25.23628</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2026:541:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Beroep niet tijdig, asiel</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2026:541:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Zittingsplaats Groningen</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: NL25.23628</para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [naam], eiser, </title>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [nummer],</para>
      <para>(gemachtigde: mr. H.A. Limonard),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de minister van Asiel en Migratie, de minister. </title>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend, omdat de minister niet op tijd zou hebben beslist op de asielaanvraag van 4 juli 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <parablock>
        <para>         De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en heeft</para>
        <para>gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. De rechtbank heeft het beroep daarom niet op zitting behandeld en sluit hierbij het onderzoek.<footnote-ref linkend="_b8f56b13-5288-4ec8-978a-75f9f11d3dbc" /></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Is het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond? </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. De minister moet in principe binnen zes maanden na het ontvangen van de aanvraag beslissen.<footnote-ref linkend="_c0040feb-ade9-4529-a525-6a12d20e1339" /> Met het besluit van 28 juni 2023 heeft de minister een Besluit- en Vertrekmoratorium<footnote-ref linkend="_f2576a93-38b6-4b4c-9575-6c8b222fab9c" /> (BVM) ingesteld voor vreemdelingen uit Soedan. Met het besluit van 19 december 2023 is de geldigheid van het BVM verlengd.<footnote-ref linkend="_0208ddad-7ec8-43ac-befe-f092909840ea" /> Deze gold tot en met 8 juli 2024.<?linebreak?></para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>3. De minister stelt dat de beslistermijn op asielaanvragen tussen 1 januari 2024 en </para>
    <para>1 januari 2025 zijn verlengd met 9 maanden. Aanvankelijk had de minister de beslistermijn onder toepassing van WBV 2023/26 met negen maanden verlengd. De minister heeft deze WBV echter weer ingetrokken (IB 2025/28). Als gevolg hiervan geldt voor alle asielaanvragen die zijn ingediend vanaf 1 januari 2024 weer een beslistermijn van zes maanden.</para>
    <para />
    <para>4. De grondslag voor het BVM ligt in artikel 43, eerste lid, van de Vw, waarin artikel 31, vierde lid, van de Procedurerichtlijn is geïmplementeerd. In artikel 43, eerste lid, van de Vw staat dat de minister de beslistermijn kan <emphasis role="italic">verlengen</emphasis> tot ten hoogste 21 maanden, als naar verwachting voor een korte periode onzekerheid zal bestaan over de situatie in het land van herkomst. In artikel 31, vierde lid, van de Procedurerichtlijn staat dat de lidstaten de onderzoeksprocedure kunnen <emphasis role="italic">uitstellen</emphasis> in individuele gevallen bij een onzekere situatie in het land van herkomst. </para>
    <para />
    <para>5. De rechtbank ziet aanleiding om de term verlengen in het BVM op te vatten als opschorten. Daarbij neemt de rechtbank het bepaalde in artikel 31, vierde lid, van de Procedurerichtlijn in aanmerking en het feit dat de Procedurerichtlijn van recentere datum is dan de totstandkoming van de Vreemdelingenwet en het bepaalde in artikel 43. Verder is van belang dat de Engelse versie van artikel 31, vierde lid, van de Procedurerichtlijn het heeft over postpone. Daarnaast spreekt de Engelse versie van artikel 31, vierde lid, van de Procedurerichtlijn over <emphasis role="italic">postpone.</emphasis> De rechtbank vindt ook steun in het doel en de strekking van een BVM. Een BVM ziet op de situatie waarin niet beslist kan worden op aanvragen, omdat de situatie in het land van herkomst zodanig complex is dat geen weloverwogen besluit kan worden genomen. Op het moment dat de situatie niet langer complex is en het BVM niet langer van kracht is, gaat de beslistermijn weer lopen en kan de minister weer besluiten nemen. Dat de wet en het BVM zelf over verlengen spreken in plaats van over opschorten doet hieraan niet af.<footnote-ref linkend="_f7b8891b-864f-4d84-b9de-b598f3d655af" /></para>
    <para />
    <para>6. In de zaak van eiser geldt dat de aanvraag op 4 juli 2024 ingediend, gedurende de geldigheid van het BVM Soedan. Het BVM Soedan is op 8 juli 2024 beëindigd en de beslistermijn is weer gaan lopen. De wettelijke beslistermijn is geëindigd op 9 januari 2025. Eiser heeft de minister op 11 mei 2025 gevraagd om alsnog binnen 14 dagen te beslissen. De minister heeft niet binnen twee weken na de ingebrekestelling beslist op de aanvraag. Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld.<footnote-ref linkend="_cf43c3a8-3f37-4523-9b25-8d8bc8cfe0e6" /> Het beroep is ontvankelijk en gegrond.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="underline">Welke beslistermijn legt de rechtbank de minister op? </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>7. De minister moet alsnog een besluit nemen op de aanvraag.<footnote-ref linkend="_57a03e8e-365b-4aa4-8195-22db5885353f" /> De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft geoordeeld dat bij het bepalen van een nieuwe beslistermijn rekening moet worden gehouden met het ‘8+8 wekenmodel’.<footnote-ref linkend="_b3fa0195-a515-4627-a2c5-5f82cb0bdb28" /> Dit betekent dat de minister in principe binnen een termijn van zestien weken een besluit moet nemen. De termijn begint op de dag na het bekendmaken van deze uitspraak. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Welke dwangsom legt de rechtbank op? </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>8. De rechtbank legt alleen een rechterlijke dwangsom op.<footnote-ref linkend="_e0d56d4f-9fd7-4505-971f-c8d4f8fe3488" /></para>
    <para />
    <para>9. De rechtbank bepaalt dat de minister een dwangsom van € 100,- per dag moet betalen als hij de door de rechtbank opgelegde beslistermijn overschrijdt. Hierbij geldt een maximum van € 15.000,-.<footnote-ref linkend="_dd302a7b-c1d2-4bc1-91b1-c4ea30c5fa15" /><?linebreak?></para>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen </title>
    <para />
    <para>10. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en de minister zestien weken de tijd krijgt om alsnog een besluit te nemen. Doet de minister dat niet, dan is hij aan eiser een dwangsom verschuldigd.  </para>
    <para />
    <para>11. De minister moet de door eiser gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 467,-.<footnote-ref linkend="_bb6bf4c1-db0e-42d6-a3b9-093500771993" /></para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep gegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>draagt de minister op om binnen zestien weken na de dag van het bekendmaken van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,-.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen-Telman, rechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>A.W. Landman, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Bent u het niet eens met deze uitspraak?</title>
    <para>Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_b8f56b13-5288-4ec8-978a-75f9f11d3dbc" label="1">
    <para> Artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c0040feb-ade9-4529-a525-6a12d20e1339" label="2">
    <para> Artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_f2576a93-38b6-4b4c-9575-6c8b222fab9c" label="3">
    <para> Besluit van 28 juni 2023 tot het instellen van een besluitmoratorium en een vertrekmoratorium voor vreemdelingen afkomstig uit Sudan (<emphasis role="italic">Stscrt.</emphasis> 2023, 18540).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0208ddad-7ec8-43ac-befe-f092909840ea" label="4">
    <para> Besluit van 19 december 2023 tot het verlengen van het besluitmoratorium en een vertrekmoratorium voor vreemdelingen afkomstig uit Sudan (<emphasis role="italic">Stscrt.</emphasis> 2024, 146).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f7b8891b-864f-4d84-b9de-b598f3d655af" label="5">
    <para> Zie ook ECLI:NL:RBDHA:2025:21403</para>
    <para />
  </footnote>
  <footnote id="_cf43c3a8-3f37-4523-9b25-8d8bc8cfe0e6" label="6">
    <para> Artikel 6:12, tweede lid aanhef en onder b, van de Awb. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_57a03e8e-365b-4aa4-8195-22db5885353f" label="7">
    <para> Artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_b3fa0195-a515-4627-a2c5-5f82cb0bdb28" label="8">
    <para> ECLI:NL:RVS:2020:1560. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_e0d56d4f-9fd7-4505-971f-c8d4f8fe3488" label="9">
    <para> ECLI:NL:RVS:2022:3352 en ECLI:NL:RVS:2022:3353. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_dd302a7b-c1d2-4bc1-91b1-c4ea30c5fa15" label="10">
    <para> Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_bb6bf4c1-db0e-42d6-a3b9-093500771993" label="11">
    <para> Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 0,5.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>