<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2026:4787</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-11T10:36:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-03-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-01-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 24/10344 AWB 24/7658</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:4787">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:4787</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-11T10:35:32</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-03-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2026:4787 Rechtbank Den Haag , 26-01-2026 / AWB 24/10344 AWB 24/7658</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2026:4787:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Eiseres heeft op 16 januari 2024 een aanvraag voor een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid ingediend. De minister heeft de aanvraag niet in behandeling genomen, omdat eiseres de leges niet heeft betaald terwijl zij hiertoe wel in de gelegenheid is gesteld.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Eiseres voert in beroep aan dat de minister niet aannemelijk heeft gemaakt dat de</para>
        <para>legesbrieven daadwerkelijk zijn verzonden dan wel naar het juist adres zijn verzonden. </para>
        <para>De verwijzing naar het gegevensverwerkingssysteem Indigo is onvoldoende bewijs om aan</para>
        <para>te nemen dat het betreffende poststuk daadwerkelijk is verzonden</para>
      </parablock>
      <para />
      <para>De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan het verzendregistratieproces van de minister. Uit de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam van 5 oktober 2022 , die is bevestigd door de Afdeling , blijkt dat [bedrijf] en het verzendhuis tezamen een deugdelijk postverzendings(registratie)systeem vormen, op basis waarvan kan worden aangenomen dat de brieven daadwerkelijk op de in het systeem geregistreerde data zijn verzonden.</para>
      <para />
      <para>Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2026:4787:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Amsterdam</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummers: 	AWB 24/10344 (beroep)</para>
      <para>                          AWB 24/7658 (voorlopige voorziening)</para>
      <para>
        <?linebreak?>V-nummer: [V-nummer]</para>
      <para>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="bold">proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 26 januari 2026 in de zaken tussen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiseres] , </bridgehead>
    <parablock>
      <para>geboren op [geboortedag] 1986, van Ugandese nationaliteit, </para>
      <para>eiseres/verzoekster, hierna te noemen: eiseres,</para>
      <para>(gemachtigde: mr. W. Hoebba)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de minister van Asiel en Migratie, de minister,</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. W.A. Kleingeld).</para>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met een besluit van 4 april 2024 (het primair besluit) heeft de minister de aanvraag voor een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid van eiseres buiten behandeling gesteld.<footnote-ref linkend="_3df64931-dbb9-4cba-a27d-469c3211ed61" /> Met het besluit van 5 juni 2024 op het bezwaar (het bestreden besluit) is de minister dit besluit gebleven. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De minister heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para> De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 26 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiseres en haar gemachtigde  zijn zonder voorafgaand bericht niet verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Na afloop van de behandeling van de zaken ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en onmiddellijk uitspraak gedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank, in de zaak met zaaknummer AWB 24/10344:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- verklaart het beroep ongegrond.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter, in de zaak met zaaknummer AWB 24/7658:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. </para>
    <bridgehead role="bold">Overwegingen</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Totstandkoming van het bestreden besluit </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. Eiseres heeft op 16 januari 2024 een aanvraag voor een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid ingediend. De minister heeft de aanvraag niet in behandeling genomen, omdat eiseres de leges niet heeft betaald terwijl zij hiertoe wel in de gelegenheid is gesteld. De minister stelt zich op het standpunt dat hij aannemelijk heeft gemaakt dat de legesbrieven door hem op de juiste wijze zijn verzonden. Uit het gegevensverwerkingssysteem Indigo blijkt dat zowel de legesbrief van 15 februari 2024 als de herinneringsbrief om de leges te voldoen van 14 maart 2024 zijn verstuurd naar het correcte adres van de werkgever van eiseres. Dit is hetzelfde adres als vermeld op het aanvraagformulier en het adres waarnaar het primaire besluit is verzonden. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat vindt eiseres in beroep?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Eiseres voert in beroep aan dat de minister niet aannemelijk heeft gemaakt dat de</para>
    <parablock>
      <para>legesbrieven daadwerkelijk zijn verzonden dan wel naar het juist adres zijn verzonden. </para>
      <para>De verwijzing naar het gegevensverwerkingssysteem Indigo is onvoldoende bewijs om aan</para>
      <para>te nemen dat het betreffende poststuk daadwerkelijk is verzonden of naar het juiste adres is</para>
      <para>verzonden. Daarnaast heeft de minister eiseres ten onrechte niet gehoord.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Beoordeling van de rechtbank /Motivering van de beslissing</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>3. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling wordt het uitgangspunt gehanteerd dat, in het geval van niet-aangetekende verzending van een besluit of een ander rechtens van belang zijnde document, het bestuursorgaan aannemelijk moet maken dat het desbetreffende stuk is verzonden. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst van het besluit of ander relevant document op dat adres. Dit brengt mee dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. Indien het bestuursorgaan de verzending naar het juiste adres aannemelijk heeft gemaakt, ligt het vervolgens op de weg van de geadresseerde dat vermoeden te ontzenuwen. Daarvoor moet de geadresseerde feiten stellen op grond waarvan de ontvangst redelijkerwijs kan worden betwijfeld.<footnote-ref linkend="_6c831827-fe4c-4f36-bf7e-eb8e7f907fb2" /></para>
    <para />
    <para>4. De rechtbank is van oordeel dat de minister de verzending aannemelijk heeft gemaakt. Zowel de legesbrief van 15 februari 2024 als de herinneringsbrief van 14 maart 2024 zijn voorzien van het adres dat staat vermeld op het aanvraagformulier. Dit wordt ook niet door eiseres betwist. Uit de door de minister in zijn verweerschrift bijgevoegde schermafbeeldingen van Indigo blijkt dat beide brieven zijn verwerkt, inclusief de bijbehorende verzenddatum. De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan het verzendregistratieproces van de minister. Uit de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam van 5 oktober 2022<footnote-ref linkend="_75fbbcd3-3125-484d-8873-23c72f69a09c" />, die is bevestigd door de Afdeling<footnote-ref linkend="_c7c55ef0-0c37-4bc3-9aa2-c84342c9af9a" />, blijkt dat Indigo en het verzendhuis tezamen een deugdelijk postverzendings(registratie)systeem vormen, op basis waarvan kan worden aangenomen dat de brieven daadwerkelijk op de in het systeem geregistreerde data zijn verzonden. Ook deze rechtbank en zittingsplaats heeft recentelijk, op 25 november 2025<footnote-ref linkend="_4e9056db-f252-43a1-92b9-11d68b93f12d" /> aldus geoordeeld. Gelet op de hiervoor vermelde Afdelingsjurisprudentie rechtvaardigt dit het vermoeden dat de legesbrieven zijn ontvangen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres op haar beurt geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan de ontvangst van de brieven kan worden betwijfeld. De enkele ontkenning van eiseres dat zij de legesbrieven heeft ontvangen, is daarvoor onvoldoende. Daarmee is eiseres er naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd om het vermoeden dat de minister de brieven naar het juiste adres heeft gestuurd, te ontzenuwen.  Daarom heeft de minister de aanvraag van eiseres buiten behandeling mogen stellen. </para>
    <para />
    <para>5. Ten aanzien van het horen in bezwaar overweegt de rechtbank het volgende. Op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling is het uitgangspunt dat de minister een vreemdeling in bezwaar hoort.<footnote-ref linkend="_e5de79f0-fd99-4430-8abe-dbad43b6aba3" /> De minister mag met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van het horen afzien als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het bezwaar niet kan leiden tot een andersluidend besluit. Gelet op de motivering van het primaire besluit en de gronden van het bezwaar is in dit geval aan deze maatstaf voldaan. Niet in geschil is dat eiseres tijdig de leges niet heeft betaald en eiseres heeft daarvoor geen verschoonbare reden aangevoerd. Een hoorzitting zou het niet betalen niet anders hebben gemaakt. De hierop betrekking hebbende beroepsgrond slaagt dan ook niet.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>6.	Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en de minister het bezwaar van eiseres gericht tegen de buitenbehandelingstelling van haar aanvraag voor een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid ongegrond heeft mogen verklaren. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <para>Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen reden meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek daartoe wordt daarom afgewezen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2.</nr>
      <para>Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2026 door mr. A.E.J.M. Gielen, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. H. El Ouahabi, griffier.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>griffier							(voorzieningen)rechter</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit proces-verbaal is verzonden op:</para>
      </parablock>
      <parablock>
        <para />
      </parablock>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Informatie over hoger beroep</emphasis>
        </para>
        <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de beslissing op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.</para>
        <para />
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_3df64931-dbb9-4cba-a27d-469c3211ed61" label="1">
    <para> Op grond van artikel 24, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6c831827-fe4c-4f36-bf7e-eb8e7f907fb2" label="2">
    <para> Uitspraak van de Afdeling van 30 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:358.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_75fbbcd3-3125-484d-8873-23c72f69a09c" label="3">
    <para> ECLI:NL:RBDHA:2022:10531.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c7c55ef0-0c37-4bc3-9aa2-c84342c9af9a" label="4">
    <para> Uitspraak van 1 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3343.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4e9056db-f252-43a1-92b9-11d68b93f12d" label="5">
    <para> ECLI:NL:RBAMS:2025:10948.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e5de79f0-fd99-4430-8abe-dbad43b6aba3" label="6">
    <para> Uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>