<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2026:4739</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-09T14:32:56</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-03-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-03-09</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL26.10584</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Middelburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:4739">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:4739</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-09T14:32:36</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-03-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2026:4739 Rechtbank Den Haag , 09-03-2026 / NL26.10584</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2026:4739:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>bewaring, eerste beroep, artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw, grondslag van de ophouding, gronden niet betwist, lichter middel, wijze van uitzetting, beroep ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2026:4739:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Middelburg</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: NL26.10584</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , eiser,</bridgehead>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [V-nummer]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. M.C. de Jong)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de minister van Asiel en Migratie, verweerder,</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. J. Raaijmakers).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 25 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd.<footnote-ref linkend="_06ae5d9a-1a72-4546-8d03-f9980d466356" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 4 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser is, met behulp van een beeldverbinding, verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1984 en de Poolse nationaliteit te hebben.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Grondslag van de ophouding</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Eiser voert aan dat de ophouding op een onjuiste grondslag heeft plaatsgevonden. Hij is opgehouden op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw, terwijl zijn identiteit reeds was vastgesteld voordat hij werd overgenomen en opgehouden door de AVIM.<footnote-ref linkend="_26310ddc-5786-4269-b443-4f0cfd4938a4" /> Dit is een gebrek in het voortraject, wat ertoe moet leiden dat er een belangenafweging plaatsvindt.</para>
    <para />
    <para>3. Anders dan eiser stelt, heeft de ophouding op een juiste grondslag plaatsgevonden. Eiser had immers geen identificerend document of andere documenten onder zich waaruit zijn identiteit bleek. In zoverre kon zijn identiteit ook niet onmiddellijk worden vastgesteld. Voor zover eiser wijst op zijn personalia die in het kader van zijn strafrechtelijke aanhouding zijn verkregen, wordt overwogen dat bij de ophouding de in het kader van de strafrechtelijke aanhouding verkregen gegevens over de identiteit van de vreemdeling tot uitgangspunt mogen worden genomen. Maar uit jurisprudentie van de Afdeling<footnote-ref linkend="_463ea168-6cb4-48ab-a005-8f97555d56b3" /> volgt dat als een vreemdeling in zo’n geval niet beschikt over een identiteitsdocument verweerder artikel 50, tweede lid, van de Vw mag toepassen.<footnote-ref linkend="_3e4e26ab-7eb2-42fa-a557-c424e68a6253" /> De beroepsgrond slaagt dan ook niet.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Maatregel van bewaring</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat deze wordt gevorderd door het belang van de openbare orde, omdat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en hij de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Als zware gronden<footnote-ref linkend="_d0c871d2-f8fa-4ca8-b82c-fa17e100724a" /> zijn in de maatregel vermeld dat eiser:<?linebreak?></para>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;</emphasis>
        </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;</emphasis>
        </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; </emphasis>
        </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para>
      <?linebreak?>En als lichte gronden<footnote-ref linkend="_da6a9886-4dc3-4b00-b080-69f9f7dc3b37" /> zijn in de maatregel vermeld dat eiser:</para>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;</emphasis>
        </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.</emphasis>
        </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para>5. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag liggen niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist zijn en voor zover nodig ook voldoende zijn toegelicht in de maatregel van bewaring om aan te nemen dat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en hij de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Lichter middel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>6. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet met een lichter middel kon worden volstaan. Verweerder heeft wel opgemerkt dat eiser psychische klachten heeft, maar deze niet kenbaar betrokken bij de belangenafweging. Eiser verwijst in dit verband naar de uitspraken van de Afdeling van 29 juni 2016<footnote-ref linkend="_a71352ce-f8c1-4d1b-af88-46ee12678ff8" /> en 20 november 2025.<footnote-ref linkend="_b57569c4-13dc-46b6-8ae5-c8b7c3d5d451" /></para>
    <para />
    <para>7. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Uit de maatregel van bewaring blijkt dat verweerder eisers psychische klachten kenbaar heeft betrokken bij de beoordeling of met een lichter middel kon worden volstaan, door onder het kopje “Medische situatie” aandacht te besteden aan de bij eiser vastgestelde schizofrenie en de bij hem waargenomen gedragingen. Verweerder heeft voorts toegelicht dat de medische zorgverlening binnen detentie- en uitzetcentra gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij en dat hieruit geen aanleiding volgt om met een lichter middel te volstaan. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een motiveringsgebrek.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Wijze van uitzetting</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>8. Voor zover eiser heeft aangevoerd dat de uitzetting niet per vliegtuig kan plaatsvinden omdat hij vliegangst heeft, heeft verweerder ter zitting toegelicht dat het vooralsnog de bedoeling is dat eiser per vliegtuig wordt uitgezet. Verweerder heeft toegelicht dat eiser drie keer eerder per vliegtuig is uitgezet. Indien eiser de medische dienst raadpleegt daarover en de medische dienst zou verklaren dat sprake is van zodanige vliegangst dat uitzetting per vliegtuig niet mogelijk is, zal verweerder bezien op welke andere wijze de uitzetting kan worden gerealiseerd.</para>
    <para />
    <para>9. De rechtbank is van oordeel dat de wijze waarop en de omstandigheden waaronder de uitzetting wordt geëffectueerd in beginsel niet ter beoordeling staan in het kader van de rechterlijke toetsing van de maatregel van bewaring. Voorts is gebleken van voldoende zicht op uitzetting. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser zijn stelling niet met medische stukken heeft onderbouwd. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat eiser zich kan wenden tot de medische dienst, die zo nodig een oordeel kan geven over de door eiser gestelde vliegangst. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Ambtshalve toets</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>10. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Conclusie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.</para>
    <para />
    <para>12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep ongegrond; en</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>wijst het verzoek om schadevergoeding af.<?linebreak?></para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan op 9 maart 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in</para>
      <para>aanwezigheid van mr. P. Lukanika, griffier, en openbaar gemaakt door middel van</para>
      <para>geanonimiseerde publicatie op <emphasis role="underline">www.rechtspraak.nl</emphasis>. De uitspraak is bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_06ae5d9a-1a72-4546-8d03-f9980d466356" label="1">
    <para> Op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_26310ddc-5786-4269-b443-4f0cfd4938a4" label="2">
    <para> Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_463ea168-6cb4-48ab-a005-8f97555d56b3" label="3">
    <para> Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3e4e26ab-7eb2-42fa-a557-c424e68a6253" label="4">
    <para> Onder meer de uitspraken van 25 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:134, en 8 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3719.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d0c871d2-f8fa-4ca8-b82c-fa17e100724a" label="5">
    <para> Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_da6a9886-4dc3-4b00-b080-69f9f7dc3b37" label="6">
    <para> Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a71352ce-f8c1-4d1b-af88-46ee12678ff8" label="7">
    <para> ECLI:NL:RVS:2016:1908.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b57569c4-13dc-46b6-8ae5-c8b7c3d5d451" label="8">
    <para> ECLI:NL:RVS:2025:5646.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>