<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2026:4392</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-05T15:41:46</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-03-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-03-05</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL26.1935</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Groningen</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:4392">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:4392</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-05T15:40:14</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-03-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2026:4392 Rechtbank Den Haag , 05-03-2026 / NL26.1935</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2026:4392:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>HTL en artikel 56 Vw</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2026:4392:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Zittingsplaats Groningen</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummers: AWB 26/604 en NL26.1935</para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 maart 2026 in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [naam] , eiser,<?linebreak?>V-nummer: [V-nummer]</title>
    <para>(gemachtigde: mr. M. Pater),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, het COa,</title>
    <para>alsmede</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de minister van Asiel en Migratie, de minister</title>
    <para>(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding<?linebreak?></title>
    <para>1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank twee beroepen. Het eerste beroep van eiser is gericht tegen het besluit van het COa van 20 december 2025. In dat besluit heeft het COa besloten om eiser vanaf 20 december 2025 in de HTL<footnote-ref linkend="_00830c8c-8849-4965-8f19-6efdfc082def" /> in Hoogeveen te plaatsen (het plaatsingsbesluit).<footnote-ref linkend="_8fe23a89-e80c-47cb-86bf-99164852ac11" /> Het tweede beroep van eiser richt zich tegen het besluit van de minister van 20 december 2025 om hem een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 56 van de Vw<footnote-ref linkend="_2c443488-0358-4107-979f-47c707a7d715" /> op te leggen (vrijheidsbeperkende maatregel). De rechtbank merkt het beroep ook aan als een verzoek om schadevergoeding.</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Eiser heeft op 12 januari 2026 beroepsgronden ingediend. Het COa heeft op 2 februari 2026 een verweerschrift ingediend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De rechtbank heeft de beroepen op 5 februari 2026 op zitting behandeld. De gemachtigde van eiser is verschenen. De minister en het COa hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek in beide zaken op de zitting gesloten.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank<?linebreak?></title>
    <para>2. De beroepen worden ongegrond verklaard. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt en er ook geen aanspraak bestaat op een vergoeding in de proceskosten. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Het beroep gericht tegen het plaatsingsbesluit</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het incident dat heeft geleid tot het plaatsingsbesluit en de kwalificatie daarvan</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Uit de verslaglegging van het COa blijkt - kort samengevat - het volgende. Op 20 augustus 2025 heeft eiser tijdens zijn verblijf op het AZC in Ter Apel een ernstig geweldsincident veroorzaakt. Eiser heeft een medebewoner meerdere keren met zijn vuisten in het gezicht geslagen en hem vervolgens met een scheermes op het achterhoofd verwond. Dit heeft geleid tot een snijwond van 15 centimeter. Een andere medebewoner heeft dit incident waargenomen, waarna de politie eiser direct heeft aangehouden.<?linebreak?></para>
    <para>4. Eiser stelt dat het incident anders is gegaan dan door het COa is opgeschreven. Er was geen sprake van snijden met een scheermes. Hij heeft de andere bewoner van zich afgeduwd en de medebewoner is daardoor lelijk tegen een kast gevallen. Eiser ontkent herhaaldelijk de andere bewoner te hebben geslagen.<?linebreak?></para>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>De rechtbank stelt voorop dat deze rechtbank en zittingsplaats al eerder een oordeel heeft gegeven over het incident dat ten grondslag is gelegd aan het huidige plaatsingsbesluit.<footnote-ref linkend="_80201290-e76c-42cc-8605-a89edaa25d52" /> De rechtbank heeft in die uitspraak geoordeeld dat het incident terecht is gekwalificeerd als incident met grote impact en het besluit tot plaatsing in de HTL door het COa juist is genomen. Deze uitspraak staat in rechte vast. De rechtbank ziet geen aanleiding om nu anders te oordelen. Dat eiser een andere lezing heeft over het incident, is onvoldoende om te twijfelen aan de verslaglegging van het COa. De gemachtigde van het COa heeft erop mogen wijzen dat uit het plaatsingsbesluit volgt dat een getuige aanwezig was die het incident grotendeels heeft gezien. De beroepsgrond slaagt niet.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Zienswijze</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>5. Eiser betoogt dat het COa hem niet heeft gevraagd om een zienswijze te geven op het incident, maar alleen op de opgelegde HTL-maatregel.<?linebreak?></para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>De rechtbank stelt voorop dat deze rechtbank en zittingsplaats hierover al eerder een oordeel heeft gegeven.<footnote-ref linkend="_c5bccce1-21d7-4be8-a9d7-d8eeff3dca9f" /> De rechtbank heeft in die uitspraak overwogen dat eiser, anders dan hij zelf stelt, een toelichting heeft kunnen geven op het incident. Daarbij heeft hij aangegeven gewoon in het AZC te willen verblijven en dat dertien weken wel lang is, en heeft gevraagd of dit korter kan. Deze uitspraak staat in rechte vast. De rechtbank ziet geen aanleiding om nu anders te oordelen. De rechtbank overweegt dat bij het opleggen van het huidige plaatsingsbesluit aan eiser opnieuw naar een toelichting op het incident is gevraagd. Eiser heeft daarbij aangegeven dat hij niets te vertellen heeft. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">GZA-akkoord</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>6. Verder stelt eiser dat het dossier geen GZA-akkoord bevat voor de huidige maatregel. Doordat er zoveel tijd tussen het incident en het huidige plaatsingsbesluit zit had dit opnieuw opgevraagd moeten worden. Ook had het COa aanvullend onderzoek moeten uitvoeren. Daarbij verwijst eiser naar een uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 27 december 2023.<footnote-ref linkend="_d9b55b2b-5c13-438f-8439-5f17b537e55a" /><?linebreak?></para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <para>De rechtbank ziet geen concrete aanknopingspunten voor het oordeel dat het COa opnieuw een GZA-akkoord had moeten opvragen. Eiser heeft namelijk geen medische stukken overgelegd. Bovendien heeft eiser in de tussentijd niet in de opvang verbleven. Hij is dus ook niet door het GZA behandeld. Het COa mocht daarom in dit geval uitgaan van het oude GZA-akkoord. Verder overweegt de rechtbank dat de verwijzing naar de door eiser genoemde uitspraak niet opgaat. In die zaak was namelijk - anders dan in deze zaak - geen ondubbelzinnig akkoord door het GZA gegeven op plaatsing in de HTL. De beroepsgrond slaagt niet.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Lichter middel</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>7. Daarnaast betoogt eiser dat het COa niet heeft gemotiveerd waarom niet is gekozen voor een lichter middel. Gelet op het tijdsverloop had dat wel gemoeten. Daarbij verwijst eiser naar een uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 16 mei 2024.<footnote-ref linkend="_4932b7db-07d9-406d-9e70-1dc47179963b" /><?linebreak?></para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.1.</nr>
      <para>De rechtbank stelt voorop dat deze rechtbank en zittingsplaats hierover al eerder een oordeel heeft gegeven.<footnote-ref linkend="_be3e6e7f-e6f0-4107-af3a-01d17fc85fca" /> De rechtbank heeft in die uitspraak overwogen dat het incident terecht is gekwalificeerd als incident met zeer grote impact. Het COa heeft verder terecht overwogen dat, hoewel eiser pas sinds 7 augustus 2025 in de opvang verblijft en zich in deze korte periode geen eerdere signalen of incidenten hebben voorgedaan, hij een zeer ernstig incident heeft veroorzaakt en dat een maatregel als een gesprek of een waarschuwing niet in verhouding zou staan tot de ernst daarvan. Ook heeft de rechtbank overwogen dat in de toelichting van eiser op het incident het COa terecht geen aanleiding heeft hoeven zien tot het opleggen van een lichtere maatregel. Deze uitspraak staat in rechte vast. De rechtbank ziet geen aanleiding om nu anders te oordelen. De enkele stelling dat sprake is van tijdsverloop betekent niet dat het COa een lichter middel had moeten opleggen. Het gaat om een incident met zeer grote impact, waarbij een medebewoner gewond is geraakt. Daar komt bij dat eiser in zijn zienswijze op het incident ook geen nieuwe feiten en/of omstandigheden naar voren heeft gebracht. Verder gaat de verwijzing naar de door eiser genoemde uitspraak niet op. In die zaak ging het namelijk - anders dan in deze zaak - om een vreemdeling die in de twee jaar dat hij in de opvang van het COa verbleef nooit incidenten had veroorzaakt, zich had ingespannen werk te vinden en maandelijks een derde van wat hij verdiende afstond aan het COa. De beroepsgrond slaagt niet.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Bestaat er een voldoende wettelijke grondslag voor plaatsing in de HTL?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>8. Eiser stelt dat zowel het plaatsingsbesluit als de HTL-maatregel niet over een voldoende wettelijke basis beschikken. Daarnaast wordt binnen de HTL onbevoegd geweld toegepast. Ook het recht op privéleven, als bedoeld in artikel 8 EVRM, wordt geschonden. Eiser verwijst naar het artikel van Verbaas in A&amp;MR ‘Over geweldgebruik, de ROV-kamer en de vreemde wereld van boa’s’ en naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 19 april 2023.<footnote-ref linkend="_fed59376-7bd8-459b-9034-267392b9752d" /><?linebreak?></para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>8.1.</nr>
      <para>De rechtbank stelt voorop dat deze rechtbank en zittingsplaats hierover al eerder een oordeel heeft gegeven.<footnote-ref linkend="_2f2ebb03-f471-49a6-8ff4-f3091b074c46" /> De rechtbank heeft in die uitspraak verwezen naar de uitspraak van de Afdeling<footnote-ref linkend="_5b41defa-cd32-40eb-b129-22944c99e26b" /> van 11 september 2024.<footnote-ref linkend="_75e3837a-3286-4562-a872-f31c8852894c" /> Deze uitspraak staat in rechte vast. De rechtbank ziet geen aanleiding om nu anders te oordelen, omdat eiser geen andere feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht. De beroepsgrond slaagt niet.<?linebreak?><emphasis role="italic">Tijdsverloop</emphasis></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>9. De rechtbank begrijpt dat eiser zich op het standpunt stelt dat vanwege het tijdsverloop, tussen het incident op 20 augustus 2025 en het plaatsingsbesluit van 20 december 2025, de plaatsing in de HTL onrechtmatig is. In de tussenliggende periode heeft eiser geen incidenten veroorzaakt. Hij heeft zich aan de regels gehouden. Eiser stelt dat het COa dit onvoldoende heeft betrokken in de besluitvorming.<?linebreak?></para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>9.1.</nr>
      <para>De rechtbank overweegt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn gedrag in de tussenliggende periode structureel is verbeterd. Eiser heeft in eerste instantie zes dagen in de HTL verbleven, voordat hij de HTL op eigen initiatief heeft verlaten. In die periode heeft hij geen gedragsverandering laten zien. Vervolgens heeft eiser niet in een opvang verbleven en daar dus ook geen incidenten kunnen veroorzaken. Eiser heeft verder niet onderbouwd dat sprake is van een gedragsverandering. De beroepsgrond slaagt niet.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Het beroep gericht tegen de vrijheidsbeperkende maatregel</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>10. Omdat het beroep tegen het plaatsingsbesluit ongegrond is en de vrijheidsbeperkende maatregel volledig steunt op dat besluit, oordeelt de rechtbank dat het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel ook ongegrond moet worden verklaard en wijst zij het verzoek tot schadevergoeding af.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>11. Dit betekent dus dat eiser geen gelijk krijgt en dat het COa het besluit tot plaatsing in de HTL mocht nemen en ook de minister de vrijheidsbeperkende maatregel mocht nemen. Eiser krijgt dus ook geen schadevergoeding. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart de beroepen ongegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>wijst het verzoek om schadevergoeding af.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van <?linebreak?>mr.M.J.C. ten Hoopen, griffier, op 5 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>de griffier 				de rechter </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift is naar partijen verzonden op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Bent u het niet eens met deze uitspraak?</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen het plaatsingsbesluit, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking. Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel, staat geen rechtsmiddel open.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_00830c8c-8849-4965-8f19-6efdfc082def" label="1">
    <para> Handhaving- en Toezichtlocatie.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8fe23a89-e80c-47cb-86bf-99164852ac11" label="2">
    <para> Op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder h en i, en artikel 11, eerste lid van de Regelingen verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2c443488-0358-4107-979f-47c707a7d715" label="3">
    <para> Vreemdelingenwet 2000.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_80201290-e76c-42cc-8605-a89edaa25d52" label="4">
    <para> Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, 19 september 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:17327), r.o. 5.1.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c5bccce1-21d7-4be8-a9d7-d8eeff3dca9f" label="5">
    <para> Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, 19 september 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:17327), r.o. 5.1.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d9b55b2b-5c13-438f-8439-5f17b537e55a" label="6">
    <para> ECLI:NL:RBDHA:2023:20662.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4932b7db-07d9-406d-9e70-1dc47179963b" label="7">
    <para> ECLI:NL:RBDHA:2024:7426.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_be3e6e7f-e6f0-4107-af3a-01d17fc85fca" label="8">
    <para> Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, 19 september 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:17327), r.o. 5.1.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_fed59376-7bd8-459b-9034-267392b9752d" label="9">
    <para> ECLI:NL:RBDHA:2023:5603.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2f2ebb03-f471-49a6-8ff4-f3091b074c46" label="10">
    <para> Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, 19 september 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:17327), r.o. 5.2.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5b41defa-cd32-40eb-b129-22944c99e26b" label="11">
    <para> Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_75e3837a-3286-4562-a872-f31c8852894c" label="12">
    <para> ECLI:NL:RVS:2024:3564.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>