<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2026:4181</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-04T17:00:29</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-03-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-03-02</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL26.1584</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Arnhem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:4181">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:4181</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-03T08:48:08</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-03-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2026:4181 Rechtbank Den Haag , 02-03-2026 / NL26.1584</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2026:4181:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Dublin Duitsland, zorgvuldigheid gehoord, interstatelijk vertrouwensbeginsel, ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2026:4181:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Zittingsplaats Arnhem</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: NL26.1584 </para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 maart 2026 in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [eiser], v-nummer: [nummer], eiser</title>
    <para>(gemachtigde: mr. C. Huy),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de minister van Asiel en Migratie</title>
    <para>(gemachtigde: mr. L.J.M. Rog).</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 8 januari 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening (NL26.1585), op 13 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <para>2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden. </para>
    <para />
    <para>3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Totstandkoming van het besluit</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.<footnote-ref linkend="_a64a1e9a-9a5b-482e-bc63-e52237dc5ba5" /> In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Is het Dublingehoor voldoende zorgvuldig geweest?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>5. Eiser betoogt dat het Dublingehoor onvoldoende zorgvuldig is afgenomen. Dit gehoor heeft namelijk slechts tien minuten geduurd en is volgens een gewijzigde, ingekorte wijze afgenomen. Hierbij is volstaan met enkele algemene vragen waarbij de minister niet heeft doorgevraagd naar ervaringen met opvang, rechtsbijstand of medische zorg. Hiermee is volgens eiser niet voldaan aan de onderzoeksplicht van de minister. Eiser heeft deze vragen als formele vragen opgevat en niet als een inhoudelijke vraag om te verklaren over zijn verblijf in Duitsland. Ook daarom had doorgevraagd moeten worden. Verder is gelet op de beperkte duur van het gehoor niet aannemelijk dat het volledige rapport, van vijf pagina’s, zorgvuldig met eiser is doorgenomen. Dit roept vragen op over de betrouwbaarheid van de vastgelegde verklaringen. Daarnaast is eiser analfabeet en kon hij de brochures niet zelfstandig lezen. Hierdoor is hij onvoldoende geïnformeerd over wat van hem verwacht kon worden tijdens het gehoor. </para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>De beroepsgrond slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat het gehoor voldoende zorgvuldig is afgenomen. Eiser is namelijk in de gelegenheid gesteld om zijn bezwaren tegen overdracht naar Duitsland naar voren te brengen. Dat het gehoor vijf pagina’s behelst en binnen tien minuten is afgerond, maakt dat niet anders. Verder heeft de rechtbank geen vraagtekens bij de betrouwbaarheid van de vastgelegde verklaringen vanwege de korte duur van het gehoor. Anders dan eiser stelt, bevat het verslag van het gehoor inhoudelijk slechts drie pagina’s, waarmee niet onaannemelijk is dat het gehoor tien minuten heeft geduurd. Het is van belang dat eiser voldoende de gelegenheid heeft gehad om zijn bezwaren tegen overdracht aan Duitsland naar voren te brengen en dat is naar het oordeel van de rechtbank het geval. Dat de minister had moeten doorvragen, volgt de rechtbank niet. Eiser heeft namelijk in het gehoor verklaard dat hij geen problemen heeft ondervonden in Duitsland en aangegeven verder geen bezwaren te hebben tegen een overdracht. Ook in de zienswijze en in beroep heeft eiser geen persoonlijke problemen en/of bezwaren naar voren gebracht. Met betrekking tot het betoog van eiser dat hij analfabeet is en daarom de brochures niet zelfstandig kon lezen, heeft de minister tijdens de zitting uitgelegd dat niet enkel de brochures aan eiser zijn gegeven, maar dat ook is uitgelegd wat van hem verwacht wordt tijdens het gehoor. Dat eiser analfabeet is, doet daarom niet af aan de zorgvuldigheid van het gehoor. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Mag de minister voor Duitsland uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?</emphasis>
        </para>
        <para>6.	Eiser betoogt dat de minister niet uit mag gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor Duitsland. Daarbij is onvoldoende dat de minister in zijn algemeenheid wijst op jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling). Eiser  wijst op het AIDA-rapport update 2024,<footnote-ref linkend="_5f5c3c69-5300-4780-b852-82c16888b968" /> waaruit blijkt dat sprake is van systematische tekortkomingen. Verder heeft eiser tijdens de zitting toegelicht dat, hoewel de Afdeling uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor Duitsland, dit vermoeden weerlegbaar is met objectieve bronnen en verklaringen. Doordat eiser onvoldoende zorgvuldig gehoord is, heeft hij onvoldoende de gelegenheid gehad om dit vermoeden met zijn verklaringen te weerleggen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <para>De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister nog steeds uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor Duitsland. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 8 november 2023<footnote-ref linkend="_f6ee170b-f1eb-495a-94ef-55025e719675" /> geoordeeld dat ten aanzien van Duitsland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit kan worden gegaan. De Afdeling heeft dit oordeel bevestigd in de uitspraak van 11 september 2024<footnote-ref linkend="_284711f0-50cb-4150-bd49-75d5ee6ea66c" /> en 14 februari 2025.<footnote-ref linkend="_efebea8b-209a-4c3c-8d92-2094903b33ac" /> De situatie in Duitsland zoals die in het AIDA-rapport update 2024 naar voren komt, geeft geen ander beeld van de situatie in Duitsland dan in eerdere rapporten is weergegeven en die is beoordeeld door de Afdeling. Anders dan eiser betoogt, heeft de minister niet enkel in het algemeen gewezen op de Afdelingsjurisprudentie, maar is de minister ook ingegaan op dat wat eiser naar voren heeft gebracht in de zienswijze. De minister heeft hierover terecht het standpunt ingenomen dat eiser zich bij eventuele problemen kan wenden tot de Duitse autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij niet kan klagen of dat klagen op voorhand zinloos is. Met betrekking tot het betoog van eiser dat hij door de onzorgvuldigheid van het gehoor onvoldoende de gelegenheid heeft gehad om te betwisten dat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, verwijst de rechtbank naar dat wat zij heeft geoordeeld onder 5.1. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>7.	Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van <?linebreak?>mr.K.H.M.M. Otten, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Informatie over hoger beroep</emphasis>
      </para>
      <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_a64a1e9a-9a5b-482e-bc63-e52237dc5ba5" label="1">
    <para>Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5f5c3c69-5300-4780-b852-82c16888b968" label="2">
    <para> AIDA Country Report: Germany (update 2024).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f6ee170b-f1eb-495a-94ef-55025e719675" label="3">
    <para> ABRvS 8 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4107.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_284711f0-50cb-4150-bd49-75d5ee6ea66c" label="4">
    <para> ABRvS 11 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3661.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_efebea8b-209a-4c3c-8d92-2094903b33ac" label="5">
    <para>ABRvS 14 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:575.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>