<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2026:3643</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-26T17:00:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-02-24</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL24.8420</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Arnhem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:3643">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:3643</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-24T13:29:00</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2026:3643 Rechtbank Den Haag , 24-02-2026 / NL24.8420</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2026:3643:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Derdelander; ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2026:3643:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Arnhem</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL24.8420 </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 februari 2026 in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser], v-nummer: [nummer], eiser</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. G. van Reemst),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de minister van Asiel en Migratie,</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">Samenvatting</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Deze uitspraak gaat over de beëindiging van de aan eiser toegekende facultatieve tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming (Richtlijn)<footnote-ref linkend="_5b7bf45e-19e0-4f39-9632-edfbc268dcc1" /> en de oplegging van het terugkeerbesluit. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiser geen procesbelang meer heeft bij zijn beroepsprocedure, omdat het besluit waartegen hij beroep heeft ingesteld is ingetrokken. Wel krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.	De minister heeft eiser bij besluit van 7 februari 2024 in kennis gesteld van de beëindiging van de aan hem toegekende tijdelijke bescherming per 5 maart 2024. Op 7 februari 2024 is eiser in beroep gegaan tegen het besluit van 7 februari 2024.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>De minister heeft het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 op 30 september 2025 ingetrokken. Eiser heeft de rechtbank op 21 oktober 2025 laten weten zijn beroep te handhaven. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.<footnote-ref linkend="_b56a059e-a42d-4e57-b64e-17f11d4e3aee" /></para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Feiten en inleidende opmerkingen</emphasis>
      </para>
      <para>3. 	Eiser komt uit Nigeria. Hij had in Oekraïne een tijdelijk verblijfsrecht op het moment dat de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met een grootschalige invasie van Oekraïne. Eiser is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier als zogeheten derdelander facultatieve tijdelijke bescherming verkregen op grond van de Richtlijn en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382<footnote-ref linkend="_4fd063e0-ab60-44be-9c0c-b93a409a94a1" /> van 4 maart 2022 (Uitvoeringsbesluit). Ook heeft hij, om deze tijdelijke bescherming te kunnen krijgen, een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Deze aanvraag is op 15 augustus 2023 buiten behandeling gesteld. Eiser heeft hiertegen geen beroep ingesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>De minister heeft aanvankelijk bepaald dat de facultatieve tijdelijke bescherming met ingang van 4 september 2023 eindigt. Dit heeft de minister aan eiser bij besluit van<?linebreak?>15 augustus 2023 bekendgemaakt. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld. Dit besluit heeft de minister ingetrokken nadat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) bij uitspraak van 17 januari 2024<footnote-ref linkend="_e4d3ca75-a34b-40e0-9e25-0c62464f8a77" /> had bepaald dat het recht op tijdelijke bescherming van derdelanders met een tijdelijke verblijfsvergunning van rechtswege niet op deze datum kon eindigen, maar van rechtswege zou eindigen op 4 maart 2024. Bij brief van 24 januari 2024 heeft de minister eiser gewezen op deze beëindiging van rechtswege op <?linebreak?>4 maart 2024. Eiser heeft zijn beroep ingetrokken.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>De minister heeft op 7 februari 2024 een terugkeerbesluit opgelegd en vastgesteld dat eiser met ingang van 5 maart 2024 niet langer rechtmatig in Nederland verblijft en de Europese Unie moet verlaten. Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <parablock>
        <para>Deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, en de Afdeling hebben op 29 maart 2024<footnote-ref linkend="_936e49e5-bef1-49a6-bf2d-d27ccfd3a865" /> en 25 april 2024<footnote-ref linkend="_47143098-57ae-49e7-80f0-7d36936656d7" /> prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie over de uitleg van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming. Deze vragen zijn beantwoord in een arrest van<?linebreak?>19 december 2024 (arrest Kaduna).<footnote-ref linkend="_641c2b68-33c3-48f7-bc93-21933e9166e5" /> Het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat het Unierecht het een lidstaat toestaat om de verleende facultatieve tijdelijke bescherming op een eerder tijdstip in te trekken dan dat waarop de verplichte tijdelijke bescherming geen rechtsgevolgen meer heeft. Ook heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat het lidstaten niet is toegestaan een terugkeerbesluit te nemen voordat de tijdelijke bescherming is beëindigd.</para>
        <para>De Afdeling heeft in haar uitspraken van 23 april 2025<footnote-ref linkend="_b8db7940-5731-423e-9776-b25d2098bf8d" /> uitgelegd hoe het arrest van het Hof van Justitie dient te worden toegepast en bevestigd dat de tijdelijke bescherming voor derdelanders op 4 maart 2024 is geëindigd. Bij brief van 3 juni 2025 heeft de minister meegedeeld dat hij heeft besloten om naar aanleiding van deze Afdelingsuitspraken de bevriezingsmaatregel per 4 september 2025 te beëindigen.<footnote-ref linkend="_a253eb6b-d3f8-49a9-b802-9dd0fa739c76" /> Op 10 juli 2025 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van 19 december 2024 einduitspraak gedaan.<footnote-ref linkend="_c3246c38-ae63-4240-9b7c-f886ad2ef9d0" /></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>Bij brief van 30 september 2025 heeft de minister aan eiser medegedeeld dat het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 is ingetrokken.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Procesbelang </emphasis>
        </para>
        <para>4. Eiser handhaaft zijn beroep tegen de ingetrokken beschikking van 7 februari 2024, omdat volgens eiser de kans bestaat dat de minister binnen afzienbare termijn een nieuw terugkeerbesluit uitbrengt dat (mogelijk) het oude terugkeerbesluit vervangt, waardoor dit op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan worden meegenomen tijdens de lopende beroepsprocedure. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat eiser geen procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. De minister heeft het prematuur genomen besluit van <?linebreak?>7 februari 2024, ingetrokken en aan eiser geen nieuw terugkeerbesluit opgelegd. Eiser heeft geen omstandigheden naar voren gebracht die meebrengen dat zij toch een procesbelang heeft bij de beoordeling van zijn beroep. Het enkel handhaven van een beroep, omdat het mogelijk is dat de minister een nieuw terugkeerbesluit oplegt en dit op grond van artikel 6:19 van de Awb kan worden meegenomen tijdens de lopende beroepsprocedure, is daartoe onvoldoende. Dit is namelijk een onzekere toekomstige gebeurtenis waar de rechtbank geen rekening mee kan houden. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>5. Het beroep is niet-ontvankelijk. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. </para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>De rechtbank veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934, bestaande uit een punt voor het beroep tegen het ingetrokken besluit van 7 februari 2024, met een waarde per punt van <?linebreak?>€ 934 en wegingsfactor 1 (gemiddeld).</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para>- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;</para>
    <para>- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,-.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van <?linebreak?>S. Voolstra, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Informatie over hoger beroep</emphasis>
      </para>
      <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_5b7bf45e-19e0-4f39-9632-edfbc268dcc1" label="1">
    <para> Richtlĳn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tĳdelĳke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b56a059e-a42d-4e57-b64e-17f11d4e3aee" label="2">
    <para> Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4fd063e0-ab60-44be-9c0c-b93a409a94a1" label="3">
    <para> Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van de Raad van 4 maart 2022 tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden uit Oekraïne in de zin van artikel 5 van Richtlijn 2001/55/EG, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e4d3ca75-a34b-40e0-9e25-0c62464f8a77" label="4">
    <para> ABRvS 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:32.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_936e49e5-bef1-49a6-bf2d-d27ccfd3a865" label="5">
    <para> ECLI:NL:RBDHA:2024:4394.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_47143098-57ae-49e7-80f0-7d36936656d7" label="6">
    <para> ABRvS 25 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1742.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_641c2b68-33c3-48f7-bc93-21933e9166e5" label="7">
    <para> HvJ 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038 (Kaduna).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b8db7940-5731-423e-9776-b25d2098bf8d" label="8">
    <para> ABRvS 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1827, ECLI:NL:RVS:2025:1829 en ECLI:NL:RVS:2025:1836.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a253eb6b-d3f8-49a9-b802-9dd0fa739c76" label="9">
    <para> TK 2024-2025, 19637, nr. 3434.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c3246c38-ae63-4240-9b7c-f886ad2ef9d0" label="10">
    <para> Rb. Den Haag, zp Amsterdam 10 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:12445.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>