<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2026:3575</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-05T08:05:46</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-01-09</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">SGR 25/2393</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:3575">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:3575</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-05T08:05:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-03-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2026:3575 Rechtbank Den Haag , 09-01-2026 / SGR 25/2393</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2026:3575:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Voor zover het beroep van eiser ziet op het niet nemen van een besluit op zijn verzoek tot het wijzigen van het omgevingsplan, verklaart de rechtbank zich onbevoegd. Voor zover het beroep van eiser ziet op het niet nemen van een besluit op zijn verzoek om het gebruik van het perceel te bevestigen, overweegt de rechtbank dat het beroep niet-ontvankelijk is. Eiser is geen eigenaar meer van het perceel.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2026:3575:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: SGR 25/2393 </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 januari 2026 in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , uit [woonplaats] , eiser</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. J. Hemelaar),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk, het college </bridgehead>
    <para>(gemachtigden: A. Bertinus en mr. E. Struik).</para>
    <para />
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Eiser woonde op de [adres 1] in Noordwijk en was tevens eigenaar van het bijbehorende perceel [adres 2] . </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Op 10 oktober 2024 heeft eiser het college verzocht de functie van het perceel [adres 2] te wijzigen van een bedrijfsfunctie naar een woonfunctie en deze wijziging in het omgevingsplan op te nemen (verzoek I). Daarnaast heeft eiser het college verzocht om een schriftelijke bevestiging dat het gebruik van het perceel [adres 2] voor woondoeleinden in overeenstemming is met het omgevingsplan </para>
        <para>(verzoek II).</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Op 22 januari 2025 heeft eiser het perceel verkocht.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Op 13 maart 2025 heeft eiser het college in gebreke gesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit op zijn verzoeken. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door het college. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <para>Het college heeft een verweerschrift ingediend.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.6.</nr>
      <para>Eiser heeft schriftelijk gereageerd op het verweerschrift. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.7.</nr>
      <para>De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.<footnote-ref linkend="_aca93d74-9d47-47e7-85a3-6e6564cb1b68" /></para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Verzoek I</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Voor zover het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit ziet op verzoek I, overweegt de rechtbank het volgende. Het niet tijdig nemen van een besluit wordt op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep gelijkgesteld met een besluit. Nu het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op verzoek I ziet op het wijzigen van het omgevingsplan, en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) bevoegd zou zijn om te oordelen over een besluit tot wijziging van het omgevingsplan, is de Afdeling ook bevoegd om te oordelen over het niet tijdig nemen van een dergelijk besluit.<footnote-ref linkend="_a15ae3b4-ad1f-4750-884f-2a498ba3fe27" /> De rechtbank zal zich daarom in zoverre onbevoegd verklaren en het beroep in zoverre met toepassing van artikel 6:15 van de Awb doorzenden naar de Afdeling om daar te worden behandeld. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Verzoek II</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Voor zover het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit ziet op verzoek II, ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of eiser nog procesbelang heeft bij zijn beroep, omdat hij het perceel op 22 januari 2025 heeft verkocht.  </para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Procesbelang is het belang dat een procespartij heeft bij de uitkomst van een procedure. Daarbij gaat het erom of het doel dat die partij voor ogen staat, met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor de betrokkene van feitelijke betekenis is. In beginsel heeft iemand die opkomt tegen een besluit belang bij een beoordeling van zijn beroep, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure is komen te vervallen.<footnote-ref linkend="_a4fad7b8-f05b-4aea-9a31-9939845e430b" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>De rechtbank stelt vast dat eiser sinds 22 januari 2025 geen eigenaar meer is van het perceel [adres 2] . Hij kan daarom niet meer beschikken over het perceel. Het directe belang bij het gevraagde besluit is daardoor in beginsel komen te vervallen, en dat geldt dus ook voor het belang dat eiser zou kunnen hebben bij een uitspraak van de rechter die inhoudt dat alsnog een dergelijk besluit moet worden genomen. Dat eiser betoogt dat hij belang heeft bij een besluit op zijn verzoek in verband met de verplichtingen die hij is aangegaan bij de overdracht van het perceel en de mogelijk hieruit voortvloeiende aansprakelijkheid indien er negatief op dit verzoek wordt beslist, maakt dit niet anders. Op zichzelf kan het (mogelijk) ontstaan van schade onder bepaalde omstandigheden aanleiding geven procesbelang aan te nemen. Omdat zijn stelling over mogelijke aansprakelijkheid door eiser echter niet verder is onderbouwd, kan de rechtbank op basis hiervan geen procesbelang aannemen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Overigens overweegt de rechtbank dat eiser – los van de vraag naar zijn  procesbelang – ook niet kan worden aangemerkt als belanghebbende bij het door hem gevraagde besluit. Voor zover eiser betoogt dat hij kan worden aangemerkt als belanghebbende vanwege een overeenkomst tussen hem en de nieuwe eigenaar van het perceel, geldt dat zo’n overeenkomst slechts een afgeleid belang oplevert waar eiser geen belanghebbendheid aan kan ontlenen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>De conclusie van het voorgaande is dat het beroep van eiser tegen het niet tijdig nemen van een besluit, voor zover dat ziet op verzoek II, niet-ontvankelijk is. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>4. De rechtbank komt tot de conclusie dat zij onbevoegd is om kennis te nemen van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit, voor zover dit is gericht tegen verzoek I. Het beroep wordt in zoverre doorgestuurd naar de Afdeling om daar te worden behandeld. Het beroep van eiser tegen het niet tijdig nemen van een besluit, voor zover dit is gericht tegen verzoek II, is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het beroep voor zover dat ziet op verzoek I; </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep voor zover dat ziet op verzoek II niet-ontvankelijk. </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, rechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>mr. E.M.J. Kemper, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op </para>
      <para>9 januari 2026.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. </para>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_aca93d74-9d47-47e7-85a3-6e6564cb1b68" label="1">
    <para> Artikel 8:57 van de Awb maakt dat mogelijk.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a15ae3b4-ad1f-4750-884f-2a498ba3fe27" label="2">
    <para> Dit volgt uit artikel 8:6, eerste lid, van de Awb gelezen in samenhang met artikel 2 van Bijlage 2 bij de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a4fad7b8-f05b-4aea-9a31-9939845e430b" label="3">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 4 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5005.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>