<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2026:3573</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-23T14:30:20</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-02-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL25.48396</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Groningen</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:3573">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:3573</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-23T11:26:59</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2026:3573 Rechtbank Den Haag , 23-02-2026 / NL25.48396</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2026:3573:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Asiel - Syrië - bijstand UNRWA - uitsluitingsgrond - de minister heeft zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser niet onder de uitsluitingsgrond valt, doordat hij geen uitvoering heeft gegeven aan de op hem rustende onderzoek- en samenwerkingsplicht - het bestreden besluit is in strijd met het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel - beroep gegrond - de overige beroepsgronden behoeven geen bespreking meer.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2026:3573:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Groningen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL25.48396 </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [naam] , eiser,</bridgehead>
    <parablock>
      <para>geboren op [geboortedatum] ,</para>
      <para>nationaliteit: Onbekend/Staatloos,</para>
      <para>V-nummer: [nummer] ,</para>
      <para>(gemachtigde: mr. E.G. Grigorjan),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de minister van Asiel en Migratie,</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. R.M. Koning).</para>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">Samenvatting</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag<footnote-ref linkend="_8b4aea09-7d94-4f5e-91cf-8d3fd7187616" /> van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. De minister heeft zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser niet onder de uitsluitingsgrond<footnote-ref linkend="_483b1c43-b363-4fe6-b7de-cdd9b90c0b8c" /> valt, doordat hij geen uitvoering heeft gegeven aan de op hem rustende onderzoek- en samenwerkingsplicht. Eiser krijgt gelijk en het beroep is daarom gegrond. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.	Eiser heeft op 13 juli 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van <?linebreak?>21 september 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond<footnote-ref linkend="_638e7f90-4b28-4481-bcb7-485593ec16f8" />. Daarbij is aan eiser een terugkeerbesluit<footnote-ref linkend="_82853bf5-c4dc-428c-9c63-82a954a392d4" /> met een vertrektermijn van vier weken opgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft op 6 oktober 2025 de gronden van beroep ingediend. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 11 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op zitting gesloten.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Het asielrelaas</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser behoort tot de Palestijnse bevolkingsgroep. Hij is vanwege de oorlog en de onveilige situatie in Syrië gevlucht. Eiser vreest bij terugkeer naar Syrië dat hij zonder gehoor door de Syrische autoriteiten naar de gevangenis zal worden gebracht. Hij vreest ook te worden opgeroepen voor de militaire dienstplicht in Syrië. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Het bestreden besluit</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:</para>
    <para>1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;</para>
    <para>2. Problemen vanwege de algemene situatie en dienstplicht in Syrië.</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>De minister vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. De algemene situatie en dienstplicht in Syrië zijn door de minister niet beoordeeld op geloofwaardigheid. De minister vindt verder dat eiser geen gegronde vrees heeft voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Niet gebleken is dat eiser vlak voor zijn vertrek uit Syrië bijstand van de UNRWA<footnote-ref linkend="_b28854af-d2c6-464b-baca-0a7c315290c2" /> heeft gehad. Een enkele registratie bij de UNRWA is onvoldoende om aan te nemen dat eiser recht heeft op bescherming als Palestijn. Daarnaast vindt de minister dat eiser bij terugkeer naar Syrië geen reëel risico loopt op ernstige schade.<footnote-ref linkend="_f1ac97b5-231b-41b3-b8e0-a65d79333f64" /> De minister heeft de asielaanvraag daarom afgewezen als ongegrond. Daarnaast is een terugkeerbesluit tegen eiser uitgevaardigd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Eiser kan zich hiermee niet verenigen. De rechtbank zal hierna de beroepsgronden van eiser bespreken, voor zover dat nodig is.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Bijstand UNRWA</emphasis>
        </para>
        <para>5.	Eiser voert aan dat hij kort vóór zijn vertrek uit Syrië wel bijstand van de UNRWA heeft gehad, ook al is de administratie/afhandeling van de weinige hulp via zijn (inmiddels overleden) vader als hoofd van hun gezin gegaan. De gemachtigde van eiser heeft op de zitting gesteld dat de minister in het kader van de samenwerkingsplicht onderzoek had moeten doen of eiser voor zijn vertrek uit Syrië hulp van de UNRWA heeft ontvangen. Hij wijst er daarbij op dat eiser dertien jaar was toen hij uit Syrië is vertrokken, dat de hulp door de UNRWA altijd via de inmiddels overleden vader is gegaan en dat die hulp niet wordt gedocumenteerd. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>De minister stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat niet aannemelijk is dat eiser kort vóór zijn vertrek uit Syrië bijstand van de UNRWA heeft gehad. Enkel een registratie bij de UNRWA is niet voldoende om onder de uitsluitingsgrond van artikel 1 (D) van het Vluchtelingenverdrag te vallen.<footnote-ref linkend="_e3117403-e790-45fb-8d5d-fef09c3881f8" /> Uit het nader gehoor van 7 maart 2024 blijkt niet dat eiser tot vlak voor hij Syrië in 2023 heeft verlaten bijstand van de UNRWA heeft gehad.<footnote-ref linkend="_e68e7d03-cc5d-4e04-aaf1-e8e4389f4ae9" /> Eiser heeft zijn stelling dat hij bijstand heeft gekregen van UNRWA niet met objectieve bewijsstukken onderbouwd.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>De rechtbank begrijpt het betoog van eiser zo dat hij een beroep doet op de uitsluitingsgrond van artikel 1(D) van het Vluchtelingenverdrag en artikel 12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Kwalificatierichtlijn.<footnote-ref linkend="_8d7f93ec-415e-49ba-945b-3a54ebbc0473" /> Daarbij moet eerst worden beoordeeld of de uitsluitingsgrond van toepassing is. De uitsluitingsgrond is van toepassing als een vreemdeling bescherming krijgt van de UNRWA en om die reden uitgesloten is van bescherming van het Vluchtelingenverdrag. Vervolgens moet worden beoordeeld of de insluitingsgrond van toepassing is. Bij die beoordeling staat de vraag centraal of de minister een vreemdeling alsnog als vluchteling moet erkennen, omdat de bescherming of bijstand van de UNRWA is opgehouden.<footnote-ref linkend="_b168beb6-14c0-4cb3-80d6-128ab9a86246" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat voor het antwoord op de vraag of de uitsluitingsgrond van toepassing is niet zozeer bepalend is of iemand is geregistreerd bij de UNRWA, maar vooral of die persoon direct voorafgaand of kort vóór het indienen van een asielverzoek daadwerkelijk bijstand van de UNRWA heeft gekregen. Een UNRWA-registratiekaart leidt in beginsel tot de conclusie dat een persoon valt onder de reikwijdte van de uitsluitingsgrond. Dit kan anders zijn als die persoon nooit in het werkgebied van de UNRWA heeft verbleven of voor zijn of haar vertrek naar Nederland langdurig in een land heeft verbleven dat geen deel uitmaakt van het UNRWA-werkgebied.<footnote-ref linkend="_083de297-2274-4ec7-af05-80f97bd501c8" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>Eiser heeft bij zijn aanvraag een UNRWA-registratiekaart, die van zijn overleden vader is, overgelegd. Hij heeft tijdens het nader gehoor<footnote-ref linkend="_d0caf443-64bc-49e8-a46c-8fafefbac7b1" /> verklaard dat hij is geboren in een [naam kamp] -kamp van de UNRWA en daar zijn hele leven heeft gewoond tot aan zijn vertrek uit Syrië. De minister heeft deze verklaring van eiser geloofwaardig geacht. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet onder de uitsluitingsgrond valt, doordat hij geen uitvoering heeft gegeven aan de op hem rustende onderzoek- en samenwerkingsplicht. Hiervoor is het volgende van belang. Eiser heeft tijdens het nader gehoor<footnote-ref linkend="_bde5a47c-d206-4334-b99d-0a2c78ae9bb2" /> verklaard dat zij vroeger als Palestijnse vluchtelingen een klein geldbedrag kregen en 1 of 2 keer per jaar voedselproducten, dat zij (lees: de UNRWA) ook onderwijs aanboden aan Palestijnse kinderen en scholen hadden voor Palestijnse kinderen. Eiser heeft op de vraag wanneer de bijstand van de UNRWA is gestopt, geantwoord dat hij zelf geen informatie had over de UNRWA, dat hij dit van zijn vader hoorde omdat hij zelf nooit contact had met de UNRWA.<footnote-ref linkend="_2678a153-2fc2-4f89-85ad-c23c4c958a63" /> Verder is van belang dat eiser nog maar dertien jaar was toen hij uit Syrië is vertrokken en dat zijn vader is overleden. Eiser heeft in dit verband op de zitting verklaard dat de hulp door de UNRWA via de ouder gaat en dat er niets wordt gedocumenteerd. Gelet hierop ligt het in het kader van de onderzoeks- en samenwerkingsplicht op de weg van de minister om onderzoek te doen bij de UNRWA of eiser kort vóór zijn vertrek uit Syrië bijstand van de UNRWA heeft ontvangen. Het betoog van de gemachtigde van de minister op de zitting dat het niet op de  weg van de minister ligt om onderzoek te doen, slaagt, gelet op wat hiervoor is overwogen, niet. Dat leidt ertoe dat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel.<footnote-ref linkend="_cb3248a7-50a4-4efc-bc52-cba99050900d" /> De beroepsgrond slaagt.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Overige beroepsgronden</emphasis>
        </para>
        <para>6.	Omdat het beroep reeds op de vorige beroepsgrond slaagt, behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking meer.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <para>7. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt. Het bestreden besluit wordt vernietigd. De minister moet een nieuw besluit nemen en daarbij rekening houden met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor acht weken.</para>
    <para />
    <para>8. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op <?linebreak?>€ 1.868,-.<footnote-ref linkend="_e780cd0c-d7b9-4ce9-bd60-5e1c8a7b6f6b" /> Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep gegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>vernietigt het bestreden besluit van 21 september 2025;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>draagt de minister op binnen acht weken na de dag van het bekendmaken van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van eiser, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.<?linebreak?></para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van mr. E.A. Ruiter, griffier, en openbaar gemaakt door gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Informatie over hoger beroep</emphasis>
      </para>
      <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_8b4aea09-7d94-4f5e-91cf-8d3fd7187616" label="1">
    <para> Als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_483b1c43-b363-4fe6-b7de-cdd9b90c0b8c" label="2">
    <para> Als bedoeld in artikel 1D, eerste volzin, van het Vluchtelingenverdrag.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_638e7f90-4b28-4481-bcb7-485593ec16f8" label="3">
    <para> Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_82853bf5-c4dc-428c-9c63-82a954a392d4" label="4">
    <para> Op grond van artikel 62, eerste lid, van de Vw. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_b28854af-d2c6-464b-baca-0a7c315290c2" label="5">
    <para> United Nations Relief and Works Agency for Palestine Refugees in the Near East.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f1ac97b5-231b-41b3-b8e0-a65d79333f64" label="6">
    <para> Zoals bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e3117403-e790-45fb-8d5d-fef09c3881f8" label="7">
    <para> Pagina 24 van Werkinstructie 2020/19 Palestijnen.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e68e7d03-cc5d-4e04-aaf1-e8e4389f4ae9" label="8">
    <para> Pagina 4 van het rapport nader gehoor.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8d7f93ec-415e-49ba-945b-3a54ebbc0473" label="9">
    <para> Richtlijn 2011/95/EU.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b168beb6-14c0-4cb3-80d6-128ab9a86246" label="10">
    <para> Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van </para>
    <para>6 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3671, onder 2 en 2.1.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_083de297-2274-4ec7-af05-80f97bd501c8" label="11">
    <para> Zie de uitspraken van de Afdeling van 6 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3671, onder 3.4, en van 23 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:827, onder 6. Zie ook de uitspraak van de Afdeling van </para>
    <para>24 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4512, onder 1.4.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d0caf443-64bc-49e8-a46c-8fafefbac7b1" label="12">
    <para> Pagina  4 en 5 van het rapport van nader gehoor.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_bde5a47c-d206-4334-b99d-0a2c78ae9bb2" label="13">
    <para> Pagina 4 van het rapport nader gehoor. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_2678a153-2fc2-4f89-85ad-c23c4c958a63" label="14">
    <para> Pagina 9 van het rapport nader gehoor.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_cb3248a7-50a4-4efc-bc52-cba99050900d" label="15">
    <para> Op grond van de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_e780cd0c-d7b9-4ce9-bd60-5e1c8a7b6f6b" label="16">
    <para> 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>