<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2026:3419</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-20T16:30:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-02-20</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL26.6668</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Middelburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:3419">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:3419</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-20T16:29:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2026:3419 Rechtbank Den Haag , 20-02-2026 / NL26.6668</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2026:3419:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Vervolgberoep. Tijdige toetsing voortduring. Voortvarend handelen. Zicht op uitzetting. Ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2026:3419:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Middelburg</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL26.6668</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser], eiser,</bridgehead>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [V-nummer]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. A.W.J. van der Meer),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de minister van Asiel en Migratie, verweerder.</bridgehead>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft op 26 september 2025 aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd.<footnote-ref linkend="_3be95d31-d1ca-46e2-9179-f7d88213884a" /> Deze maatregel duurt nog voort.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft hierop gereageerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 13 februari 2026 gesloten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1994 en de Egyptische nationaliteit te hebben. </para>
    <para />
    <para>2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.</para>
    <para />
    <para>3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring en de voortduring daarvan al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, volgt dat de maatregel van bewaring en het voortduren daarvan tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraken ten grondslag heeft gelegen rechtmatig was.<footnote-ref linkend="_f7ea4b6b-8d12-4a45-b99e-8486ffb663d7" /> Daarom staat nu, voor zover dat in beroep wordt aangevochten, ter beoordeling of sinds 26 november 2025 het voortduren van de maatregel van bewaring rechtmatig is.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Tijdige toetsing voortduring maatregel van bewaring</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Eiser voert allereerst aan dat de voortduring van de maatregel van bewaring niet tijdig is getoetst. Uit de stukken in het dossier blijkt niet dat verweerder een kennisgeving van de voortduring van de maatregel van bewaring binnen 75 dagen aan de rechtbank heeft toegezonden, aldus eiser.</para>
    <para />
    <para>5. Uit paragraaf A5/6.8. van de Vc volgt dat verweerder in het tijdvak van drie maanden op grond van artikel 94 van de Vw gehouden is de rechtbank ambtshalve op de hoogte te stellen van het opleggen of voortduren van een vrijheid ontnemende maatregel. </para>
    <para />
    <para>6. De rechtbank stelt vast dat sinds de sluiting van het onderzoek in het laatste beroep tegen de voortduring van de maatregel van bewaring, zoals volgt uit rechtsoverweging 3, de periode van drie maanden nog niet is verstreken, zodat verweerder nog niet gehouden was een kennisgeving aan de rechtbank toe te zenden om de voortduring van de maatregel van bewaring te toetsen. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Voortvarend handelen en zicht op uitzetting</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>7. Eiser voert verder aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt, omdat hij handelingen verricht zonder dat er een concrete voortgang is bewerkstelligd. Daarnaast ontbreekt het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Egypte. Sinds 16 oktober 2025 wordt gerappelleerd bij de Egyptische autoriteiten zonder dat er enig concreet vooruitzicht op uitzetting is. </para>
    <para />
    <para>8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend handelt. Uit het voortgangsrapport blijkt dat verweerder regelmatig rappelleert bij de Egyptische autoriteiten, laatstelijk op 29 januari 2026, en voert hij regelmatig vertrekgesprekken met eiser, laatstelijk op 19 januari 2026. Verder zijn er ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ten aanzien van Egypte in het algemeen, of in het bijzonder van eiser, is komen te ontbreken. Dat de Egyptische autoriteiten nog niet hebben gereageerd op de LP<footnote-ref linkend="_5acd5316-64da-48e6-80f2-4925dbf29a5b" />-aanvraag of de rappels, leidt niet tot een andere conclusie. De LP-aanvraag is nog in behandeling en is niet gebleken dat de Egyptische autoriteiten geen LP zullen verstrekken. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ambtshalve toets</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>10. Verder leidt ook de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Conclusie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.</para>
    <para />
    <para>10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para> verklaart het beroep ongegrond; en</para>
      <para> wijst het verzoek om schadevergoeding af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan op 20 februari 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op <emphasis role="underline">www.rechtspraak.nl</emphasis>. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.</para>
      <para />
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_3be95d31-d1ca-46e2-9179-f7d88213884a" label="1">
    <para> Op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f7ea4b6b-8d12-4a45-b99e-8486ffb663d7" label="2">
    <para> Rb Den Haag (zittingsplaats Rotterdam) 15 oktober 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:12014 en 2 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:23985.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5acd5316-64da-48e6-80f2-4925dbf29a5b" label="3">
    <para> Laissez-passer.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>