<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2026:3127</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T14:09:57</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-02-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">26.5812</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Groningen</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:3127">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:3127</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T14:05:18</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2026:3127 Rechtbank Den Haag , 18-02-2026 / 26.5812</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2026:3127:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bewaring, 59a, lichter middel, ongegrond</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2026:3127:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Zittingsplaats Groningen</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: NL26.5812</para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [naam], eiseres,</title>
    <parablock>
      <para>geboren op [geboortedatum],</para>
      <para>van Nigeriaanse nationaliteit,</para>
      <para>V-nummer: [nummer], </para>
      <para>(gemachtigde: mr. U.H. Hansma),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de minister van Asiel en Migratie,</title>
    <para>(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. De minister heeft op 22 januari 2026 aan eiseres de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a van de Vw<footnote-ref linkend="_0de41954-aa81-4ba5-b902-85bec6a0c02d" /> opgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Eiseres heeft tegen de maatregel van bewaring op beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 16 februari 2026 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen op rechtbank in Groningen. Mr. H. Postma is verschenen als waarnemer voor de gemachtigde van eiseres. Ook is een tolk verschenen. De minister heeft zich op de rechtbank laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken en eiseres de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiseres:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">(zware gronden)</emphasis>
      </para>
      <para>3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;<?linebreak?>3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;<?linebreak?>3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van haar asielverzoek;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">(lichte gronden)</emphasis>
        <?linebreak?>4a. zich niet aan een of meer andere voor haar geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb<footnote-ref linkend="_88adc063-767f-4258-b02c-5ba43dd50e09" /> heeft gehouden;<?linebreak?>4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;<?linebreak?>4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister gemotiveerd waarom een minder dwingende maatregel (lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Voortraject </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>3. Eiseres voert aan dat het onzorgvuldig is dat de maatregel van bewaring en het verslag van het gehoor niet direct na de inbewaringstelling aan haar gemachtigde zijn toegezonden. De gemachtigde heeft de stukken pas ontvangen na telefonisch contact met de Dienst Terugkeer en Vertrek. Doordat de stukken nog niet waren ontvangen kon de gemachtigde pas later beroep instellen, en hierdoor is eiseres in haar belangen geschaad.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Eiseres stelt zich daarnaast op het standpunt dat de minister met haar in gesprek had moeten gaan alvorens over te gaan tot de inbewaringstelling. Eiseres heeft niet de gelegenheid gekregen om asiel aan te vragen. Mede gelet op de medische omstandigheden van eiseres, ze is namelijk Hiv-positief, had de minister eiseres in de gelegenheid moeten stellen om kenbaar te maken waarom ze zich opnieuw heeft gemeld in Ter Apel.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>De minister erkent dat de maatregel van bewaring en het daarbij behorende gehoor niet direct zijn toegezonden aan de gemachtigde van eiseres. Tegelijkertijd heeft eiseres niet betwist dat de maatregel op 22 januari 2026 aan haar in persoon is uitgereikt, evenals de bijbehorende Engelse informatiefolder zodat voor haar duidelijk was dat zij in bewaring was gesteld en dat zij met haar gemachtigde kon overleggen over het instellen van beroep. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Hoewel de rechtbank met eiseres van mening is dat de minister slordig heeft gehandeld, door de toegezegde documenten niet direct na de inbewaringstelling aan de gemachtigde van eiseres toe te zenden, volgt daaruit niet dat sprake is van een zodanige onzorgvuldigheid dat de maatregel niet rechtmatig zou zijn opgelegd. Eiseres heeft tijdig beroep ingesteld nadat de stukken alsnog aan de gemachtigde van eiseres zijn toegezonden. Eiseres is dan ook niet in haar belangen geschaad. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>De rechtbank ziet geen aanleiding om te oordelen dat eiseres voorafgaand aan de maatregel van bewaring, anders dan via het gehoor in het kader van de inbewaringstelling, had moeten worden gehoord. Eiseres heeft tijdens het gehoor de gelegenheid gekregen om toe te lichten waarom zij niet naar Duitsland wilde, en op welke wijze de minister volgens haar rekening moet houden met haar medische omstandigheden. Niet valt in te zien waarom eiseres hierover afzonderlijk had moeten worden gehoord. Deze beroepsgrond slaagt niet.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Grondslag </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>4. De rechtbank is van oordeel dat eiseres valt onder de in artikel 59a van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. Er bestaat een concreet aanknopingspunt voor een overdracht zoals bedoeld in de Dublinverordening. Uit Eurodac blijkt namelijk dat eiseres in Duitsland tweemaal een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Bovendien heeft Duitsland eerder een claimverzoek ten aanzien van eiseres geaccepteerd. Daarnaast heeft eiseres in het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling bevestigd dat zij een lopende Dublin procedure heeft. De minister heeft de maatregel van bewaring daarom op artikel 59a van de Vw mogen baseren.<footnote-ref linkend="_fa8d5979-44df-4119-b8bb-8c1e05d34728" /></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Gronden </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>5. Eiseres voert aan dat er geen sprake is van een significant risico op onderduiken. Eiseres heeft zich gemeld en is ook zelfstandig naar Duitsland vertrokken. Door terug te keren naar Nederland is het claimakkoord niet meer geldig, en heeft de minister dit niet kunnen gebruiken als motivering voor het risico op onderduiken. Dit maakt ook dat zware grond 3k niet aan haar kan worden tegengeworpen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>De wettelijke grondslag van de maatregel van bewaring is artikel 59a, eerste lid, van de Vw. Om deze wettelijke grondslag te gebruiken, moet zijn voldaan aan de vereisten uit artikel 5.1a, vijfde lid, van het Vb. Daarin staat dat met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat met inachtneming van artikel 28 van de Dublinverordening, een vreemdeling in bewaring kan worden gesteld indien een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening, en een significant risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen heeft de minister mogen overwegen dat er sprake is van een concreet aanknopingspunt voor een overdracht. Aan het tweede vereiste is op grond van artikel 5.1b, tweede lid, Vb in beginsel voldaan wanneer ten minste twee gronden zich voordoen, waarvan ten minste één zware grond.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat de zware en lichte gronden 3a, 3b, 4a, 4c en 4d aan de maatregel ten grondslag kunnen worden gelegd en dat deze, in samenhang gezien, voldoende zijn om de maatregel van bewaring te kunnen dragen en dat voldoende grond bestaat voor het standpunt van de minister dat een significant risico bestaat dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken. Eiseres heeft de feitelijke juistheid van deze gronden niet betwist. Dat eiseres zichzelf weer in Nederland heeft gemeld en na haar vertrek met onbekende bestemming zelf uiteindelijk naar Duitsland is vertrokken, neemt niet weg dat eiseres Nederland niet op voorgeschreven wijze is binnengekomen (grond 3a), zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken (grond 3b). Ook beschikt zij niet over een document als bedoeld in artikel 4.21 van het Vb (grond 4a) heeft ze geen vaste woon- en verblijfplaats (grond 4c) en onvoldoende middelen van bestaan (grond 4d). De minister heeft hiermee deugdelijk gemotiveerd dat uit deze gronden in beginsel een risico op onderduiken volgt. De rechtbank laat daarom zware grond 3k onbesproken.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Lichter middel </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat aan haar een lichter middel had moeten worden opgelegd, omdat zij Hiv-positief is. Door eiseres meteen in bewaring te stellen heeft de minister haar geen mogelijkheid geboden om mee te werken aan haar terugkeer.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiseres een lichter middel dan de maatregel van bewaring op te leggen. In dit kader acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, de gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen en dat hiermee het risico op onttrekking is gegeven.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2.</nr>
      <para>Ten aanzien van de medische omstandigheden van eiseres overweegt de rechtbank dat deze voldoende kenbaar zijn meegewogen in de maatregel van bewaring. Op het JC<footnote-ref linkend="_ae52f22b-08eb-464a-b77f-7bb5eeccb08b" /> Zeist is medische ondersteuning aanwezig, en eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit ontoereikend is. Ook hierin heeft de minister terecht geen reden gezien om aan eiseres een lichter middel dan bewaring op te leggen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Voortvarendheid en zicht op overdracht</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>7. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de overdracht van eiseres en dat zicht op overdracht niet ontbreekt. Er is op 27 januari 2026 een vertrekgesprek gevoerd met eiseres, en de overdracht staat gepland voor 19 februari 2026.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen </title>
    <para />
    <para>8. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat het opleggen van de maatregel van bewaring onrechtmatig moet worden geacht.<footnote-ref linkend="_89504b29-9e57-4332-a110-bcf7e98dd92a" /></para>
    <para />
    <para>9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.</para>
    <para />
    <para>10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
      <para>- verklaart het beroep ongegrond;<?linebreak?>- wijst het verzoek om schadevergoeding af.<?linebreak?></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen-Telman, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Postma, griffier¸ en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_0de41954-aa81-4ba5-b902-85bec6a0c02d" label="1">
    <para> Vreemdelingenwet 2000. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_88adc063-767f-4258-b02c-5ba43dd50e09" label="2">
    <para> Vreemdelingenbesluit 2000.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_fa8d5979-44df-4119-b8bb-8c1e05d34728" label="3">
    <para> Zie ECLI:NL:RVS:2018:2070.</para>
    <para />
  </footnote>
  <footnote id="_ae52f22b-08eb-464a-b77f-7bb5eeccb08b" label="4">
    <para> Justitieel Complex.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_89504b29-9e57-4332-a110-bcf7e98dd92a" label="5">
    <para> Arrest van het Hof van Justitie van 8 november 2022 in de zaak C, B en X tegen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, C-704/20 en C-39/21, ECLI:EU:C:2022:858.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>