<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2026:29471</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-10-12T14:18:54</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-10-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-09-24</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB - 26 _ 355</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:29471">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:29471</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-10-12T14:17:55</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-10-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2026:29471 Rechtbank Den Haag , 24-09-2026 / AWB - 26 _ 355</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2026:29471:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Spreidingswet. In het Verdeelbesluit Zuid-Holland heeft de minister voor de gemeenten in de provincie, waaronder de gemeente Bodegraven-Reeuwijk, bepaald hoeveel opvangplaatsen voor asielzoekers er gerealiseerd moeten worden. Met het bestreden besluit heeft een herverdeling van de restopgave plaatsgevonden. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Hierbij is onder meer ingegaan op de werkwijze bij de berekening (peilperiode en de drempel van 200%) van de uitzonderlijke bijdrage in het kader van opvang van Oekraïense ontheemden. De gemeente Bodegraven-Reeuwijk komt niet voor uitsluiting van de restverdeling in aanmerking.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2026:29471:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: SGR 26/355</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>uitspraak van de meervoudige kamer van 24 september 2026 in de zaak tussen</title>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">het college van burgemeester en wethouders van Bodegraven-Reeuwijk</emphasis>, te Bodegraven, eiser</para>
      <para>(gemachtigden: mr. R. Janssen, mr. D.R. Kuijpers en mr. drs. H. Doornhof),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de minister van Asiel en Migratie, verweerder</title>
    <para>(gemachtigden: mr. B.S. Jaasma, mr. I.M. van der Heijden en mr. A. Al-Edani).</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen zullen hierna respectievelijk het college en de minister worden genoemd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.  	In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van het college tegen het Verdeelbesluit Zuid-Holland van de minister op grond van de Wet gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen (de Spreidingswet).</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <parablock>
        <para>De minister heeft met het Verdeelbesluit van 20 december 2024 bepaald hoeveel</para>
        <para>opvangplaatsen voor asielzoekers de gemeenten in de provincie Zuid-Holland moeten realiseren. Met het bestreden besluit van 8 december 2025 heeft de minister beslist op de bezwaren van een aantal gemeenten, waaronder de gemeente Bodegraven-Reeuwijk.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank heeft het verzoek van de minister om versnelde behandeling van het</para>
        <para>beroep<footnote-ref linkend="_a1ca5fd1-78c0-4b9c-8045-946731670cdc" /> op 17 maart 2026 toegewezen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2026, tegelijk met het beroep bekend onder</para>
        <para>nummer SGR 26/3209, op zitting behandeld. Voor de onderhavige zaak hebben aan de zitting deelgenomen: de gemachtigden van het college, vergezeld van [naam 1] (burgemeester) en [naam 2] . Voorts de gemachtigden van de minister, vergezeld van [naam 3] en [naam 4] . In deze zaken wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Waar gaat deze zaak over?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. In het Verdeelbesluit Zuid-Holland heeft de minister voor alle aangewezen</para>
    <para>gemeenten in de provincie, waaronder de gemeente Bodegraven-Reeuwijk, bepaald hoeveel opvangplaatsen voor asielzoekers er gerealiseerd moeten worden. Het college is het niet eens met het aantal opvangplaatsen dat de gemeente Bodegraven-Reeuwijk moet realiseren. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat zijn de regels?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. De relevante regels zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Hoe worden de opvangplaatsen over de gemeenten verdeeld?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. De minister heeft toegelicht dat op grond van de Spreidingswet wordt vastgesteld</para>
    <para>hoe de verdeling van het benodigde aantal opvangplaatsen over alle provincies wordt bepaald (provinciale opvangopgave) en hoe een indicatieve verdeling naar het benodigde aantal opvangplaatsen per gemeente wordt bepaald (indicatieve verdeling). De provinciale opvangopgave is de optelsom van de indicatieve verdelingen per gemeente in die provincie. Voor de indicatieve verdeling naar het benodigde aantal opvangplaatsen per gemeente vormt het inwonersaantal van gemeenten en de sociaaleconomische status (neergelegd in de "SES-WOA-score" per gemeente) een uitgangspunt. Ook de duur van de eerder geboden opvang, de omvang van de eerder geboden opvang en de aanwezigheid van speciale opvangmodaliteiten binnen de gemeente worden hierbij betrokken.</para>
    <para />
    <para>5. De colleges van burgemeester en wethouders van gemeenten, gedeputeerde staten</para>
    <para>en het COA treden met elkaar in overleg over de verdeling van de provinciale opvangopgave. De commissaris van de Koning brengt hiervan aan de minister een verslag uit (het provinciaal verslag). Als het deze partijen niet lukt om de provinciale opvangopgave onderling te verdelen, dan zal de minister de provinciale opvangopgave verdelen op basis van een berekening.</para>
    <para />
    <para>6. De minister legt de verdeling vast in een verdeelbesluit. De minister neemt de verdeling die is opgenomen in het provinciale verslag als uitgangspunt voor het verdeelbesluit. Dit aantal wordt aangevuld met opvangplaatsen die in het provinciale verslag als kansrijk worden aangemerkt. Dit zijn vaak plannen die al in een vergevorderd stadium zijn, maar nog niet zijn gerealiseerd. De minister doet dat, mede ter bevordering van de haalbaarheid en uitvoerbaarheid, aangezien daarmee wordt voorkomen dat gemeenten die al</para>
    <para>kansrijke plannen hebben, geen wettelijke taak krijgen. De minister berekent vervolgens hoeveel opvangplaatsen er nog extra moeten komen om aan de provinciale opvangopgave te voldoen (restopgave). Deze restopgave wordt vervolgens verdeeld. In dat kader worden allereerst gemeenten uitgesloten die voor verdeling van de restopgave al boven hun eigen indicatieve verdeling zitten. De restopgave wordt dus alleen verdeeld onder gemeenten die op grond van het provinciaal verslag nog onder hun eigen indicatieve verdeling blijven. Daarnaast worden gemeenten uitgesloten die in de afgelopen tien jaar gemiddeld een grotere bijdrage hebben geleverd aan de opvangopgave dan van de gemeente op basis van de indicatieve verdeling mocht worden verwacht. Hierbij speelt de duur (maanden, jaren) en omvang (aantal opvangplaatsen) van de eerder geboden asielopvang een rol. Wanneer de gemiddelde historische bijdrage van een gemeente hoger was dan de indicatieve verdeling, is de gemeente niet meegenomen bij de verdeling van de restopgave. Ditzelfde is gedaan voor gemeenten die een uitzonderlijke bijdrage hebben geleverd aan de opvang van Oekraïners.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat heeft de minister beslist voor de provincie Zuid-Holland en de gemeente Bodegraven-Reeuwijk?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>7. Voor de provincie Zuid-Holland geldt dat in het provinciaal verslag geen volledige</para>
    <para>en uitvoerbare verdeling van de provinciale opvangopgave is opgenomen. De totale provinciale opgave bedroeg 19.776 opvangplaatsen en het aantal dat gemeenten konden realiseren kwam uit op 17.431. De minister heeft daarom een verdeling gemaakt van de restopgave van 2.345 plaatsen, die bestond uit 1.601 reguliere opvangplaatsen en 744 opvangplaatsen voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv-ers). De minister heeft bij de verdeling de gemeenten uitgesloten die meer opvangplaatsen realiseerden dan op basis van de indicatieve verdeling van hen verwacht mocht worden en die een uitzonderlijke historische bijdrage in het kader van de opvang van ontheemden uit Oekraïne hebben geleverd. Om het totaal van de overgebleven (de totale opgave min het aantal dat al door de uitgesloten gemeenten wordt gerealiseerd) 11.575 opvangplaatsen te realiseren, moesten de overgebleven gemeenten 91% van hun indicatieve verdeling realiseren. Gemeenten die op basis van het provinciaal verslag al ten minste 91% van hun indicatieve verdeling realiseerden, hebben geen deel van de restopgave gekregen, omdat zij al voldoende hebben gedaan om hun deel van de provinciale opvangopgave te realiseren. Zij hebben in het verdeelbesluit het aantal opvangplaatsen toegewezen gekregen zoals zij op basis van het provinciaal verslag al realiseren. Voor de overige zeventien gemeenten resteerde daarmee een gezamenlijke opgave van 7.567 opvangplaatsen. Dit betreft de gemeenten Albrandswaard, Alphen aan den Rijn, Bodegraven-Reeuwijk, Capelle aan den IJssel, Delft, Gorinchem, Krimpenerwaard, Lansingerland, Leidschendam-Voorburg, Maassluis, Molenlanden, Nissewaard, Papendrecht, Schiedam, Den Haag, Voorne aan Zee en Westland. Om tot een sluitende verdeling te komen, moesten deze gemeenten in totaal ongeveer 90% van hun indicatieve verdeling realiseren. Het ging om 6.228 reguliere opvangplaatsen en 1.339 amv-opvangplaatsen. Dat betekent dat de gemeenten ongeveer 85% van hun indicatieve verdeling regulier en ongeveer 150% van hun indicatieve verdeling amv moeten realiseren.</para>
    <para />
    <para>8. Op basis van de indicatieve verdeling van 31 januari 2024 zou de gemeente Bodegraven-Reeuwijk 232 opvangplaatsen (212 regulier en 20 amv) moeten realiseren. Uit het provinciaal verslag volgt dat de gemeente Bodegraven-Reeuwijk 100 opvangplaatsen zou realiseren (0 regulier en 100 amv). Dat is ongeveer 43,10%  van de indicatieve verdeling voor Bodegraven-Reeuwijk. De minister heeft in het verdeelbesluit bepaald dat Bodegraven-Reeuwijk 201 opvangplaatsen moet realiseren (101 regulier en 100 amv).</para>
    <para />
    <para>9. Een aantal gemeenten, waaronder de gemeente Bodegraven-Reeuwijk, heeft bezwaar gemaakt tegen het verdeelbesluit. De minister heeft met het bestreden besluit de bezwaren van een aantal gemeenten gegrond verklaard, waardoor een nieuwe restopgave ontstond en een deel van de opvangplaatsen moest worden herverdeeld. De nieuwe restopgave is op dezelfde wijze als in het verdeelbesluit verdeeld. De bezwaren van het college en een aantal andere gemeenten zijn ongegrond verklaard. Voor de gemeente Bodegraven-Reeuwijk is in het bestreden besluit bepaald dat, op grond van de herverdeling, in totaal 208 (108 reguliere en 100 amv) opvangplaatsen gerealiseerd moeten worden.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat vindt het college in beroep?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>10. Het college kan zich niet vinden in de wijze waarop de minister de structurele overprestatie van Bodegraven-Reeuwijk bij de opvang van Oekraïense ontheemden heeft beoordeeld. Het college meent dat de cijfers op basis van de door hem gehanteerde dag-tot-dag registratie van deze opvang tot en met 31 december 2024 een nauwkeuriger beeld geeft dan waar de minister van uitgaat. Op grond van de eigen cijfers zou de gemeente in aanmerking komen voor een uitsluiting van de restverdeling op grond van een uitzonderlijke historische bijdrage. De minister heeft niet gemotiveerd waarom deze gegevens niet worden gevolgd. Het college heeft nader aangevoerd dat de in dit kader door de minister gehanteerde drempelnorm van 200% geen grondslag vindt in de regelgeving. </para>
    <para />
    <para>11. Daarnaast wordt aangevoerd dat geen rekening is gehouden met de extra inspanningen en lasten die opvangplekken van bijzondere aard, in dit geval amv-opvangplaatsen, met zich brengen. </para>
    <para />
    <para>12. Verder is de opgave uit het bestreden besluit niet haalbaar en uitvoerbaar. Het college stelt zich op het standpunt dat de beoordeling van relevante feiten en omstandigheden die de praktische haalbaarheid van opvangplaatsen binnen de gemeente betreffen moet plaatsvinden in de onderhavige procedure. Het college is het niet eens met het standpunt van de minister dat bezwaren over de praktische uitvoerbaarheid eerst aan de orde kunnen komen in het kader van interbestuurlijk toezicht. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat is het oordeel van de rechtbank?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Zijn het verdeelbesluit en de beslissing op bezwaar bevoegd genomen?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>13. Het college heeft in beroep geen grond gericht tegen de bevoegdheid. De rechtbank stelt vast dat de bevoegdheid tot het nemen van een verdeelbesluit op grond van artikel 5, eerste lid, in samenhang met artikel 1 van de Spreidingswet toekomt aan de minister van Justitie en Veiligheid, en dat de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 2 van het Besluit instelling Ministerie van Asiel en Migratie (Stcrt. 2024, 22497) is belast met de behartiging van de aangelegenheden op het terrein van asiel en migratie voor zover die voor 2 juli 2024 aan de minister van Justitie en Veiligheid waren opgedragen. Het bestreden besluit is genomen in de hoedanigheid van minister van Asiel en Migratie. In overeenstemming met haar eerdere rechtspraak ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het Verdeelbesluit Zuid-Holland en het bestreden besluit onbevoegd zijn genomen.<footnote-ref linkend="_1d6f2684-5e9d-486e-955f-3eda73998e5f" /></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Wat staat er in het beleid en is het beleid redelijk?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>14. Zoals de rechtbank eerder heeft geoordeeld<footnote-ref linkend="_26fb4f1c-9e41-44d3-9857-8079e4db0160" />, heeft de minister een aanzienlijke beoordelingsruimte bij het nemen van het verdeelbesluit. In artikel 3 van de Beleidsregel is neergelegd dat de minister, wanneer in het verslag geen volledige en uitvoerbare verdeling van de provinciale opvangopgave is opgenomen, zich bij het nemen van het verdeelbesluit laat leiden door:</para>
    <para>a. het streven naar een zo evenwichtig mogelijke verdeling over het grondgebied van Nederland, waarbij hij zoveel mogelijk rekening houdt met de SES-WOA-score op gemeenteniveau;</para>
    <para>b. de duur en omvang van eerder geboden asielopvang en de aanwezigheid van bijzondere opvangmodaliteiten binnen de gemeenten;</para>
    <para>c. de haalbaarheid en uitvoerbaarheid van het verdeelbesluit.</para>
    <para />
    <para>15. De rechtbank is van oordeel dat het beleid geen ruimte laat voor het meewegen van al de door het college genoemde specifieke omstandigheden die aan de orde zijn in een gemeente. Anders dan het college stelt, zien de in het beleid genoemde haalbaarheid en uitvoerbaarheid niet op de vraag of de gemeenten het aantal toegewezen opvangplaatsen concreet kunnen realiseren. De minister stelt terecht dat blijkens de toelichting de haalbaarheid en uitvoerbaarheid van het verdeelbesluit met name zien op de gevolgen hiervan voor de uitvoeringsorganisaties in de migratieketen en voor het asiel-, vertrek- en opvangproces. Beoogd is dat de minister bij de vaststelling van het verdeelbesluit in aanmerking kan nemen of de bij de uitvoering betrokken partijen nog problemen zien bij de vastgestelde verdeling. Daaruit volgt niet dat hij gehouden is per gemeente te onderzoeken of en onder welke voorwaarden de toegewezen opvangplaatsen daadwerkelijk kunnen worden gerealiseerd.</para>
    <para />
    <para>16. De rechtbank vindt het niet onredelijk dat het beleid naast de genoemde omstandigheden geen ruimte laat voor het meewegen van andere aspecten die in de verschillende gemeenten aan de orde zijn. Het systeem is zo ingericht dat de gemeenten in de eerste plaats onderling zelf tot een verdeling kunnen komen. De minister stelt dat hij zich vervolgens zal inspannen om de op gemeentelijk niveau gemaakte keuzes te faciliteren. Als er toch opvangplaatsen moeten worden verdeeld, worden, zoals hiervoor is weergegeven, de nog niet gerealiseerde opvangplaatsen die in het provinciale verslag als kansrijk worden aangemerkt meegenomen in de berekening. Daarnaast houdt de minister rekening met de SES-WOA-score van een gemeente, dus zowel het inwonersaantal als de sociaaleconomische status van de gemeente, en wordt gekeken naar wat een gemeente eerder aan opvang heeft geboden en welke bijzondere opvangmodaliteiten een gemeente heeft. Hiermee kan naar het oordeel van de rechtbank tot een evenwichtige verdeling worden gekomen.</para>
    <para />
    <para>17. Bij een wet zoals hier aan de orde, die een wettelijke taakstelling geeft aan de gemeenten, past het niet om van tevoren ook nog rekening te houden met alle mogelijke factoren die in een gemeente van invloed zijn op de mogelijkheid om die taakstelling uit te voeren. Dit zou ook niet werkbaar zijn. In elke gemeente gelden immers weer andere omstandigheden. Zo heeft de minister erop gewezen dat in grote steden uitdagingen spelen bij de asielopvang vanwege bevolkingsdichtheid. Verder zou in krimpgebieden bijvoorbeeld het gebrek aan voorzieningen een probleem kunnen vormen, net als het gebrek aan internationaal onderwijs. In landelijke gebieden zou leerlingenvervoer en bereikbaarheid een probleem kunnen vormen. Sommige gemeenten moeten rekening houden met Natura 2000-gebieden voor het realiseren van nieuwe locaties, terwijl het in andere gemeenten een probleem is om geschikte panden te vinden. Zoals de minister heeft gesteld zou het onmogelijk zijn om de genoemde individuele omstandigheden van alle betrokken gemeenten te inventariseren en objectief te wegen, in samenhang met de omstandigheden bij andere gemeenten in dezelfde provincie, om vervolgens deugdelijk te motiveren waarom de ene gemeentelijke uitdaging zwaarder weegt dan de andere gemeentelijke uitdaging. Daar komt bij dat de verschillende omstandigheden ook nog eens aan verandering onderhevig zijn. Dat maakt dat er bij het vaststellen van de verdeling slechts beperkt kan worden ingegaan op wat er in een specifieke gemeente aan de orde is. Zoals de minister heeft gesteld kan met alle voor een gemeente specifieke omstandigheden wel rekening worden gehouden bij het interbestuurlijk toezicht, mocht in de toekomst blijken dat een gemeente moeite heeft om de opdracht uit te voeren.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Mocht de minister in redelijkheid het aantal opvangplaatsen voor Bodegraven-Reeuwijk vaststellen zoals hij heeft gedaan?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>18. Niet in geschil is dat onder eerder geboden asielopvang ook de opvang van ontheemden in het geval van acute noodsituaties (zoals in het geval van Oekraïne) wordt verstaan.<footnote-ref linkend="_ce4fa5a5-6f12-43b5-81ba-4ebcabccb582" /> Het college kan zich niet vinden in de wijze waarop de minister de opvang van Oekraïense ontheemden door de gemeente heeft berekend en meegewogen. </para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>18.1.</nr>
      <para>De minister heeft uiteengezet dat de ruimte om gemeenten uit te sluiten op grond van een uitzonderlijke bijdrage bij deze opvang beperkt is. Voor de berekening van de historische opgave zijn de asiel- en Oekraïne-opvang op hetzelfde niveau bezien, nu de landelijke cijfers van de omvang daarvan vergelijkbaar waren. Bij de berekening van de opvang van Oekraïense ontheemden is de minister uitgegaan van de informatie die hij krijgt vanuit het Knooppunt Coördinatie Informatie Oekraïne (het KCIO).<footnote-ref linkend="_42410113-71b5-49fd-86d7-658180108b2a" /> Voor het verdeelbesluit is bij de bepaling van genoemde opvanginspanningen uitgegaan van een gemiddelde over de periode 1 januari 2023 tot en met september 2024. Deze periode is als peilperiode gehanteerd, omdat bij het opstellen van het verdeelbesluit de cijfers van alle gemeenten over deze periode beschikbaar waren. Deze systematiek is niet nader uitgewerkt in een regeling. Het bij het KCIO geregistreerde aantal beschikbare opvangplaatsen in een gemeente op de eerste dag van iedere maand (het meetmoment) is als uitgangpunt genomen. Hangende bezwaar tegen het verdeelbesluit zijn aanvullende cijfers van de door Bodegraven-Reeuwijk geboden opvangplaatsen aangeleverd bij het KCIO. De minister heeft vervolgens het totale aantal van die geregistreerde opvangplaatsen gedeeld door de 21 meetmomenten, waardoor het gemiddelde van Bodegraven-Reeuwijk uitkwam op 319 opvangplaatsen. Door dit gemiddelde te delen door de indicatieve verdeling van Bodegraven-Reeuwijk (232 opvangplaatsen), is de minister uitgekomen op afgerond 138%. Om in aanmerking te komen voor uitsluiting van de verdeling van de restopgave moet een gemeente qua aantal tenminste 200% van haar indicatieve verdeling aan Oekraïne-opvang hebben gerealiseerd. Ter zitting heeft de minister toegelicht dat beoogd is alleen de gemeenten die een uitzonderlijke prestatie hebben geleverd bij de opvang van Oekraïense vluchtelingen in aanmerking te laten komen voor de bedoelde vrijstelling. Een percentage van 200% is daarvoor passend bevonden. Deze werkwijze wordt voor alle gemeenten gehanteerd. Voor Bodegraven-Reeuwijk betekent dit dat zij gemiddeld 464 opvangplaatsen aan Oekraïense ontheemden had moeten bieden in de peilperiode om te voldoen aan de drempel van 200%.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>18.2.</nr>
      <para>De rechtbank vindt deze vaste werkwijze bij de berekening van de uitzonderlijke bijdrage niet onredelijk. Dit geldt ook voor de gekozen peilperiode en het percentage inzake de uitzonderlijke bijdrage.  De minister heeft de werkwijze afdoende toegelicht en de daarbij gemaakte keuzes zijn begrijpelijk en navolgbaar. Bij besluitvorming zoals hier aan de orde, mede gelet op het grote aantal gemeenten dat daarbij moet worden vergeleken, kan niet worden geoordeeld dat niet met deze meer abstracte benadering mag worden volstaan. Daarbij is tevens van belang dat bij de bepaling van het percentage een bepaalde bandbreedte moet worden gehanteerd om ervoor te zorgen dat dit niet zo hoog is dat geen enkele daadwerkelijke extra inspanning de drempel haalt, maar ook niet zo laag dat feitelijk geen sprake is meer is van een uitzonderingssituatie omdat een te groot aantal gemeenten eronder valt. Het college heeft er terecht op gewezen dat de peilperiode en de drempel van 200% niet in de Spreidingswet, het Besluit of de Beleidsregel zijn vastgelegd. Dat betekent echter niet dat de minister deze niet als vaste gedragslijn mocht toepassen. Artikel 3, aanhef en onder b, van de Beleidsregel laat de minister ruimte om de duur en omvang van de eerder geboden asielopvang te wegen, zonder die weging op voorhand te normeren. De minister mag die ruimte invullen met een vaste gedragslijn, mits hij die gedragslijn kenbaar maakt en het besluit ook in het individuele geval van een deugdelijke motivering voorziet (artikel 3:46 van de Awb). Aan die eisen is hier voldaan: de minister heeft de peilperiode, het meetmoment, de gebruikte bron en de drempel uiteengezet en toegelicht dat hij deze werkwijze bij alle gemeenten in de provincie op dezelfde wijze heeft toegepast. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>18.3</nr>
      <para>Het college heeft de door de minister gebruikte registratie van het KCIO als zodanig niet bestreden, maar stelt dat zijn eigen dag-tot-dagregistratie tot en met 31 december 2024 een nauwkeuriger beeld geeft en dat de minister deze cijfers had moeten gebruiken. De rechtbank volgt het college, mede gelet op het voorgaande, daarin niet. De minister heeft toegelicht dat hij voor alle gemeenten van dezelfde bron en dezelfde meetmomenten is uitgegaan en dat een berekening op basis van per gemeente verschillend ingerichte registraties de onderlinge vergelijkbaarheid, en daarmee de evenwichtigheid van de verdeling, zou aantasten. Daarmee heeft de minister voldoende gemotiveerd waarom hij de cijfers van het college niet heeft gevolgd. Daarbij komt dat de aanvullende cijfers die het college hangende bezwaar bij het KCIO heeft aangeleverd wél in de berekening zijn betrokken. Bovendien heeft het college niet onderbouwd dat toepassing van zijn eigen registratie zou leiden tot een gemiddelde van ten minste 464 opvangplaatsen en dus tot het bereiken van de drempel van 200%. Voor deze gemeente betekent dit dat niet is voldaan aan het aantal opvangplaatsen dat in de peilperiode geboden had moeten worden om in aanmerking te komen voor bedoelde vrijstelling. De rechtbank hecht eraan te vermelden dat de minister heeft benadrukt dat hij waardering heeft voor de opvanginspanningen van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk ten aanzien van Oekraïense ontheemden. Ook is de minister de gemeente zeer erkentelijk voor het feit dat zij zich solidair heeft gesteld met haar buurgemeenten en daarin de nodige verantwoordelijkheid heeft genomen. Dit neemt echter niet weg dat niet is voldaan aan de drempel van 200%.  </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>19.	Voor het overige is niet in geschil dat het aantal opvangplaatsen dat de gemeente Bodegraven-Reeuwijk moet realiseren is berekend in overeenstemming met de Spreidingswet, het Besluit en de Beleidsregel. Deze berekening heeft ertoe geleid dat de gemeente minder opvangplaatsen moet realiseren dan dat de gemeente op grond van de indicatieve verdeling zou moeten realiseren, namelijk ongeveer 90%. Wel moet de gemeente naar verhouding meer amv-plaatsen realiseren (80 meer ten opzichte van de indicatieve verdeling van 20). Het college heeft aangevoerd dat de gemeente in het kader van het provinciaal plan expliciet heeft aangegeven dat zij bereid is om 100 amv-opvangplaatsen te realiseren, omdat het om een kwetsbare doelgroep gaat. Volgens het college is de verdeling echter niet evenwichtig, omdat de opvang van amv's een zwaardere inzet vergt dan reguliere asielopvang. Dit vanwege de benodigde intensieve pedagogische begeleiding, gespecialiseerde jeugdzorg en onderwijsvoorzieningen. De verdeling van amv-opvangplaatsen vergt daarom een afzonderlijke afweging, waarbij bestaande opvanginspanningen, lokale draagkracht en de aanwezigheid van passende voorzieningen moeten worden betrokken. De burgemeester van Bodegraven-Reeuwijk heeft op zitting benadrukt dat de gemeente zich bijzonder inzet om structurele locaties voor de amv-opvang te realiseren. De gemeente wenst met andere (overheids)organen langlopende contracten te kunnen afsluiten voor dergelijke locaties, om deze opvang humaner en goedkoper te maken en daarbij lokaal meer draagvlak te krijgen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>19.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Dat de gemeente Bodegraven-Reeuwijk relatief veel amv-opvangplaatsen moet realiseren is een gevolg van het feit dat de gemeente in het overleg met de andere gemeenten van de provincie geen afspraken heeft kunnen maken om ervoor te zorgen dat aan de gezamenlijke indicatieve verdeling zou worden voldaan. Volgens het college is het ingewikkeld gebleken om met andere gemeenten tot uitruil te komen en is het gebleven bij de vraag aan die gemeenten om verantwoordelijkheid te nemen. De rechtbank stelt in dit verband vast dat de 100 amv-opvangplaatsen die de gemeente op grond van het bestreden besluit moet realiseren, overeenkomen met het aantal amv-opvangplaatsen dat de gemeente in het provinciaal verslag zelf heeft aangeboden (zie r.o. 8), en dat bij de verdeling van de restopgave aan de gemeente uitsluitend reguliere opvangplaatsen zijn toegedeeld. Dat de gemeente in verhouding tot haar indicatieve verdeling veel amv-opvangplaatsen moet realiseren, is dus niet het gevolg van de door de minister gemaakte verdeling van de restopgave, maar van de keuze die de gemeente zelf in het provinciaal overleg heeft gemaakt. </para>
        <para>Zoals de rechtbank in haar eerdere rechtspraak heeft overwogen, was er een relatief grote restopgave amv-opvangplaatsen waardoor de gemeenten waarover de restopgave is verdeeld meer amv-opvangplaatsen moeten realiseren dan in de oorspronkelijke indicatieve verdeling werd voorzien. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat de Spreidingswet geen zwaarder gewicht toekent aan deze opvangplaatsen en dat hij dat op grond van de Spreidingswet ook niet verplicht is om dat te doen.<footnote-ref linkend="_965c66ed-eaf7-4760-83a3-90df29c2038b" />De gemeente Bodegraven-Reeuwijk krijgt daarnaast ook meer geld voor amv-opvangplaatsen<footnote-ref linkend="_ed531a47-b0fc-48bb-9db5-2f87f67b3b4b" />, wat volgens de minister neerkomt op € 2.000,- extra per gerealiseerde opvangplaats van bijzondere aard.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>19.2.</nr>
      <para>Het college heeft niet aangetoond dat er sprake is van dermate bijzondere omstandigheden dat de minister, in afwijking van zijn beleid, de specifieke problemen van Bodegraven-Reeuwijk had moeten meewegen. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat, in relatie tot de indicatieve verdeling, tegenover het relatief hoge aantal amv-plaatsen een relatief laag aantal reguliere opvangplaatsen en een lager totaal aantal opvangplaatsen staan. Het grotere aantal amv-opvangplaatsen legt weliswaar een grote druk op de diverse voorzieningen, maar daarvan is vooralsnog niet aannemelijk gemaakt dat dit tot onoverkomelijke problemen zal leiden. De rechtbank overweegt dat het voor het college nu ook nog mogelijk is om te onderhandelen met andere gemeenten over uitruil. Daarnaast kan de druk op de diverse voorzieningen en de invloed van andere procedures door de minister worden meegenomen bij het interbestuurlijke toezicht.  </para>
      <para />
      <para>20. Het college heeft ten slotte gesteld dat de opgave uit het bestreden besluit niet haalbaar en uitvoerbaar is en dat de beoordeling van feiten en omstandigheden die de gemeente betreffen moet plaatsvinden in de onderhavige procedure. Zoals de rechtbank eerder heeft geoordeeld<footnote-ref linkend="_c3784791-1c4a-4fdf-9f27-a7b0fc583ed9" /> laat het beleid geen ruimte voor het meewegen van al de door het college genoemde specifieke omstandigheden per gemeente. De in het beleid genoemde haalbaarheid en uitvoerbaarheid zien niet op de vraag of de gemeenten het aantal toegewezen opvangplaatsen kunnen realiseren, maar op de gevolgen hiervan voor de uitvoeringsorganisaties in de migratieketen en voor het asiel-, vertrek- en opvangproces. Zoals de minister heeft gesteld kan met alle voor een gemeente specifieke omstandigheden wel rekening worden gehouden bij het interbestuurlijk toezicht, mocht in de toekomst blijken dat een gemeente moeite heeft om de opdracht uit te voeren. Het standpunt van het college dat de beoordeling van de feiten en omstandigheden die de gemeente betreffen in deze procedure moet plaatsvinden, volgt de rechtbank dus niet. Dat betekent niet dat het college zonder rechtsmiddel is. Als de terbeschikkingstelling of de vergunningverlening naar verwachting niet tijdig kan worden gerealiseerd, moet het college daarvan op grond van artikel 8 van de Spreidingswet onverwijld melding maken aan de minister. Verder kan het verdeelbesluit op grond van artikel 5, derde lid, van de Spreidingswet bij bijzondere omstandigheden tussentijds worden gewijzigd, waarbij de minister zich op grond van artikel 4 van de Beleidsregel laat leiden door de in artikel 3 van de Beleidsregel genoemde omstandigheden.</para>
      <para />
      <para>21. Gelet op het voorgaande mocht de minister het aantal opvangplaatsen voor Bodegraven-Reeuwijk vaststellen op 208, waarvan 108 reguliere opvangplaatsen en 100 amv-opvangplaatsen. Wat het college heeft aangevoerd geeft geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid of ontoereikend is gemotiveerd, of anderszins in strijd met een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur tot stand is gekomen.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <para>22. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college geen gelijk krijgt en dat het aantal door de minister in het bestreden besluit vastgestelde opvangplaatsen voor Bodegraven-Reeuwijk gelijk blijft.</para>
    <para />
    <para>23. Het college krijgt het griffierecht daarom niet terug. Voor een vergoeding van proceskosten bestaat evenmin aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, voorzitter, mr. D.C. Laagland en </para>
      <para>mr. B. Wallage, leden, in aanwezigheid van A.J. van Rossum, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 24 september 2026.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier						voorzitter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Bijlage</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Wet gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen (de Spreidingswet)</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 3</para>
    </parablock>
    <para>1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld hoe de verdeling van het benodigd aantal opvangplaatsen over alle provincies wordt bepaald en hoe een indicatieve verdeling naar het benodigde aantal opvangplaatsen per gemeente wordt bepaald. De verdeling is gebaseerd op het aantal inwoners van de betreffende gemeente en op de Sociaaleconomische status – Welvaart, Opleiding en Arbeidsscore (SES-WOA-score) op gemeenteniveau, waarbij deze score wordt bepaald aan de hand van de meest recente «SES-WOA-score per gemeente» van het CBS. Bij de verdeling kan worden bepaald dat een gedeelte van de opvangplaatsen van bijzondere aard moet zijn.</para>
    <para>2. Onze Minister maakt eens in de twee jaren voor 1 februari van het kalenderjaar de verdeling over alle provincies bekend alsmede de indicatieve verdeling per gemeente.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 5</para>
    </parablock>
    <para>1. Onze Minister neemt eens in de twee jaren voor 31 december van het kalenderjaar een verdeelbesluit, per provincie, waarin de benodigde opvangplaatsen per provincie, bedoeld in artikel 3, voor de duur van twee daarop volgende kalenderjaren voor asielzoekers over de in het besluit aangewezen gemeenten worden verdeeld.</para>
    <para>2. Bij het verdeelbesluit slaat Onze Minister acht op het verslag, bedoeld in artikel 4, tweede lid, en streeft hij naar een zo evenwichtig mogelijke verdeling over het grondgebied van Nederland. Hij houdt bij die verdeling zo veel mogelijk rekening met de Sociaaleconomische status – Welvaart, Opleiding en Arbeidsscore (SES-WOA-score) op gemeenteniveau, waarbij deze score wordt bepaald aan de hand van de meest recente «SES-WOA-score per gemeente» van het CBS.</para>
    <para>(…).</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Besluit gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen (het Besluit)</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 2.1</para>
    </parablock>
    <para>1. Onze Minister stelt op basis van de Meerjaren Productie Prognose en het capaciteitsbesluit van het COA vast wat de capaciteitsraming is. Deze capaciteitsraming gaat uit van de verwachte behoefte aan opvangplaatsen voor asielzoekers in een bij ministeriële regeling te bepalen periode of op een in zodanige regeling te bepalen datum.</para>
    <para>2. De provinciale opvangopgave is de optelsom van de indicatieve verdelingen per gemeente in de provincie.</para>
    <para>3. De indicatieve verdeling per gemeente is de uitkomst, rekenkundig afgerond op een geheel getal, van de volgende formulereeks:</para>
    <parablock>
      <para>(SES-WOA + 1)*iG/In = Wf</para>
      <para>BO*Wf/TWf = Iv</para>
      <para>in welke formule voorstelt:</para>
    </parablock>
    <para>a. SES-WOA: weergave van de sociaaleconomische status op gemeenteniveau (SESWOA-score per gemeente van het Centraal Bureau voor de Statistiek;</para>
    <para>b. BO: de door Onze Minister van Justitie en Veiligheid vastgestelde behoefte aan opvangplaatsen bedoeld in het eerste lid;</para>
    <para>c. iG: het aantal inwoners van de gemeente volgens de meest recente door het Centraal Bureau voor de Statistiek vastgestelde bevolkingscijfers;</para>
    <para>d. In: het aantal inwoners van Nederland volgens de meest recente door het Centraal Bureau voor de Statistiek vastgestelde bevolkingscijfers;</para>
    <para>e. Wf: de wegingsfactor per gemeente;</para>
    <para>f. TWf: de totale wegingsfactor die wordt berekend door alle wegingsfactors van de gemeenten (Wf) bij elkaar op te tellen;</para>
    <para>g. Iv: de indicatieve verdeling per gemeente, bedoeld in artikel 3 van de wet.</para>
    <para>(…).</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Beleidsregel verdeelbesluiten (de Beleidsregel)</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 2</para>
    </parablock>
    <para>1. De staatssecretaris neemt steeds het verslag van de commissaris van de Koning als uitgangspunt voor het nemen van een verdeelbesluit voor de provincie.</para>
    <para>2. Wanneer in het verslag een volledige en uitvoerbare verdeling van de provinciale opvangopgave is opgenomen, wordt deze verdeling uit het verslag door de staatssecretaris overgenomen in het verdeelbesluit.</para>
    <para>3. Wanneer in het verslag geen volledige en uitvoerbare verdeling van de provinciale opvangopgave is opgenomen, dan vult de staatssecretaris deze verdeling in.</para>
    <parablock>
      <para>Artikel 3</para>
      <para>Wanneer in het verslag geen volledige en uitvoerbare verdeling van de provinciale opvangopgave is opgenomen laat de staatssecretaris zich bij het nemen van het verdeelbesluit leiden door:</para>
    </parablock>
    <para>a. het streven naar een zo evenwichtig mogelijke verdeling over het grondgebied van Nederland, waarbij hij zoveel mogelijk rekening houdt met de SES-WOA-score op gemeenteniveau;</para>
    <para>b. de duur en omvang van eerder geboden asielopvang en de aanwezigheid van bijzondere opvangmodaliteiten binnen de gemeenten;</para>
    <para>c. de haalbaarheid en uitvoerbaarheid van het verdeelbesluit.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_a1ca5fd1-78c0-4b9c-8045-946731670cdc" label="1">
    <para>Artikel 8:52 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1d6f2684-5e9d-486e-955f-3eda73998e5f" label="2">
    <para>Zie de uitspraak van deze rechtbank van 2 juni 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:15471, r.o. 14 e.v.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_26fb4f1c-9e41-44d3-9857-8079e4db0160" label="3">
    <para>Zie voetnoot 2, r.o. 18 tot en met 21.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ce4fa5a5-6f12-43b5-81ba-4ebcabccb582" label="4">
    <para>Zie artikel 3, aanhef en onder b, van de Beleidsregel in samenhang met de toelichting op de Beleidsregel (Stcrt. 2024, 21380, p. 3).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_42410113-71b5-49fd-86d7-658180108b2a" label="5">
    <para>De informatie van het KCIO betreft de verwachte toestroom van vluchtelingen/ontheemden en de beschikbare gemeentelijke opvangcapaciteit. Het KCIO is in dat kader afhankelijk van informatie die wordt geleverd door (gemeenten in) de veiligheidsregio’s.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_965c66ed-eaf7-4760-83a3-90df29c2038b" label="6">
    <para>Zie voetnoot 2, r.o. 23.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ed531a47-b0fc-48bb-9db5-2f87f67b3b4b" label="7">
    <para>Zie artikel 9, tweede lid, aanhef en onder a, van de Spreidingswet in samenhang met artikel 4, eerste lid, van de Regeling specifieke uitkeringen Wet gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c3784791-1c4a-4fdf-9f27-a7b0fc583ed9" label="8">
    <para>Zie voetnoot 3 en de overwegingen 14 tot en met 17 in de onderhavige uitspraak. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>