<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2026:2517</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-24T15:25:55</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-02-05</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">SGR 25/7740 en SGR 26/370</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:2517">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:2517</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-24T15:21:54</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2026:2517 Rechtbank Den Haag , 05-02-2026 / SGR 25/7740 en SGR 26/370</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2026:2517:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Beroepen ingesteld wegens het niet tijdig beslissen in twee medische zaken van het Uwv. Samengevoegde behandeling. De rechtbank bepaalt dat in dit soort zaken verweerder een termijn van zes weken wordt gegeven om een medische beoordeling te verrichten en dat hij vervolgens binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken. In dit geval is de rechtbank van oordeel dat een termijn van negen weken na de dag van verzending van de uitspraak recht doet aan de reële mogelijkheden van verweerder om een besluit bekend te maken. De rechtbank zal dan ook bepalen dat verweerder binnen negen weken in alle zaken een besluit bekend moet maken.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2026:2517:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummers: SGR 25/7740 en 26/370 </para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 februari 2026 in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [eiser], uit [woonplaats], eiser</title>
    <para>(gemachtigde: mr. R.D. Ramnath),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, </emphasis>het Uwv (gemachtigde: [naam]).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiser tegen het niet-tijdig beslissen door het Uwv op twee herbeoordelingsverzoeken.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">SGR 25/7740</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Eiser ontvangt sinds 2018 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Op 10 januari 2023 heeft eiser een herbeoordeling aangevraagd van het recht op deze WIA-uitkering (aanvraag I). </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">SGR 26/370</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Op 31 januari 2025 heeft eiser nogmaals een herbeoordeling aangevraagd van het recht op deze WIA-uitkering (aanvraag II).</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">In beide beroepen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>Eiser heeft op 29 oktober 2025 beroep ingesteld wegens het uitblijven van een beslissing op de herbeoordelingsverzoeken. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <para>Het Uwv heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.6.</nr>
      <para>Omdat de beroepen kennelijk gegrond zijn, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>De rechtbank zal allereerst moeten beoordelen of de beroepen ontvankelijk zijn. Indien een beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, zoals in deze zaak, is het niet aan een termijn gebonden. Het beroep is niet-ontvankelijk indien het beroepschrift onredelijk laat is ingediend.<footnote-ref linkend="_e677a7b4-877d-42a9-83a0-87f28ec6b570" /> Als uitgangspunt kan worden aangenomen dat het beroepschrift onredelijk laat is ingesteld als het is ingediend meer dan een jaar na het moment waarop het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen.<footnote-ref linkend="_76c27873-4f2c-4ea4-971a-5d68031c379d" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Het Uwv heeft aanvraag I op 10 januari 2023 ontvangen. Het Uwv moet binnen acht weken beslissen op het verzoek.<footnote-ref linkend="_51f2a6f8-b274-4ec5-89a8-d7581b1f6f48" /> Het Uwv had dus uiterlijk op 7 maart 2023 op het herbeoordelingsverzoek moeten beslissen. Blijkens de stukken had het Uwv op 7 maart 2023 nog contact met eiser over een toeslag op zijn WIA-uitkering. Het volgende contactmoment vond pas plaats op 31 januari 2025, met het indienen van aanvraag II. Tussen aanvraag II en het instellen van beroep op 29 oktober 2025 heeft eiser geregeld contact gehad met het Uwv.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Eiser heeft meer dan twee jaar en zeven maanden na het einde van de beslistermijn van aanvraag I beroep ingesteld. Na aanvraag I heeft eiser daarnaast gedurende een periode van een jaar en tien maanden geen enkel contact met het Uwv gehad. In beginsel zou het beroep daarmee als onredelijk laat moeten worden aangemerkt. De rechtbank ziet aanleiding om in deze zaak van de hoofdregel af te wijken. De rechtbank hecht hierbij belang aan de lange wachttijden voor beslissingen van het Uwv, en aan het feit dat het Uwv niet heeft aangevoerd dat het beroep als onredelijk laat moet worden aangemerkt. Bovendien heeft eiser sinds 31 januari 2025 geregeld contact met het Uwv gehad. Onder deze omstandigheden moet aanvraag I als tijdig worden aangemerkt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Het Uwv heeft aanvraag II op 31 januari 2025 ontvangen. Het Uwv had dus uiterlijk op 28 maart 2025 op het herbeoordelingsverzoek moeten beslissen. Omdat eiser zeven maanden hierna beroep heeft ingesteld is aanvraag II ook niet onredelijk laat. Beide beroepen zijn dus ontvankelijk.</para>
      <para />
      <para>3. De rechtbank overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat de termijnen om te beslissen op de herbeoordelingsverzoeken is overschreden. Eiser heeft het Uwv op 11 april 2025 in gebreke gesteld met betrekking tot het herbeoordelingsverzoek van 10 januari 2023, en op 17 april 2025 met betrekking tot het herbeoordelingsverzoek van 31 januari 2025. Sinds de ontvangst daarvan door het Uwv op respectievelijk 14 april 2025 en 22 april 2025 zijn meer dan twee weken verstreken. Niet is gebleken dat het Uwv alsnog heeft beslist op de bezwaren. De beroepen zijn daarom gegrond.</para>
      <para />
      <para>4. Het Uwv heeft op 13 juni 2025 een dwangsombeslissing genomen met betrekking tot aanvraag I, waarin aan eiser een dwangsom van € 1.442,- is toegekend. Met betrekking tot aanvraag II heeft het Uwv de dwangsom op 28 mei 2025 oorspronkelijk afgewezen, maar in de beslissing op bezwaar van 18 augustus 2025 heeft het Uwv alsnog een dwangsom van € 1.442,- aan eiser toegekend. Gelet hierop hoeft de rechtbank de hoogte van de verbeurde bestuurlijke dwangsommen niet vast te stellen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>Omdat het Uwv nog geen besluiten op de bezwaren heeft genomen, zal de rechtbank bepalen dat het Uwv dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het bestuursorgaan dit in beginsel doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>Eiser heeft de rechtbank verzocht het Uwv op te dragen binnen twee weken te beslissen op de herbeoordelingsverzoeken.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>Het Uwv heeft in het verweerschrift toegelicht dat de beslistermijn is overschreden vanwege het tekort aan verzekeringsartsen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat in dit soort zaken waarin het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. De rechtbank verwijst hierbij naar de overwegingen in haar uitspraak van 27 februari 2025.<footnote-ref linkend="_06cf2ed1-bf35-40ea-b7e5-4a6a5d99ddc3" />In het kort komt het erop neer dat de rechtbank bij haar oordeel dat sprake is van een bijzonder geval met name gewicht heeft toegekend aan de omstandigheid dat het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is en dat al geruime tijd sprake is van tekorten aan verzekeringsartsen bij het Uwv waardoor beslistermijnen structureel niet kunnen worden gehaald.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5.</nr>
      <para>In twee uitspraken van 31 maart 2025 heeft de rechtbank bepaald dat in beroepen tegen het uitblijven van beslissingen van het Uwv waarin een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, het Uwv in beginsel een termijn van zes weken na de datum van verzending van de uitspraak wordt gegeven om een medische beoordeling te verrichten, bijvoorbeeld een spreekuurcontact (al dan niet telefonisch), een hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of dossieronderzoek door een verzekeringsarts zonder spreekuurcontact. Vervolgens wordt het Uwv een termijn van drie weken na het moment van de medische beoordeling gegeven om een beslissing te nemen. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat het binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van de uitspraak.<footnote-ref linkend="_a925f3e4-c567-4aa5-a4c2-8f987903b5a3" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.6.</nr>
      <para>Indien het Uwv blijkens de dossierstukken of het verweerschrift ten tijde van de uitspraak de medische beoordeling al op een spreekuurcontact, hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of voor dossieronderzoek heeft gepland op een bepaalde datum, dan geldt dat de termijn van negen weken na de dag van verzending van de uitspraak wordt bekort, waarbij rekening wordt gehouden met de al geplande datum voor het medisch onderzoek. Het Uwv krijgt in ieder geval de wettelijke termijn van minimaal twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om het besluit bekend te maken. Bijzondere feiten en omstandigheden in het individuele geval kunnen aanleiding zijn om van deze termijnen af te wijken. Het is dan aan de partijen om bijzondere feiten en omstandigheden met betrekking tot de individuele situatie aan te voeren, die zouden moeten leiden tot verkorting dan wel verlenging van deze termijnen.<footnote-ref linkend="_e6b18237-7052-45af-bb20-9a05c05fdabb" /></para>
      <para />
      <para>6. In de onderhavige beroepen heeft het Uwv in het verweerschrift toegelicht dat de primaire afdeling met klem is verzocht deze zaak met spoed op te pakken, maar dat vanwege de grote drukte geen inschatting kan worden gegeven van de afhandelingstermijn. Het is de rechtbank niet gebleken dat bekend is wanneer de medische beoordeling zal plaatsvinden. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat het binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van deze uitspraak. </para>
      <para />
      <para>7. Eiser heeft de rechtbank verzocht om een gerechtelijke dwangsom op te leggen van € 1.442,- per niet genomen beslissing, en een dwangsom van € 100,- per dag. Eiser verzoekt de rechtbank haar beleid omtrent artikel 8:55d, tweede lid, Awb toe te passen betreffende een extra dwangsom. De rechtbank stelt vast dat een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,- in overeenstemming is met het landelijke beleid van de rechtbanken hierover.<footnote-ref linkend="_e8395548-dfda-431c-bcc4-3e4f5b717aae" /> De rechtbank ziet geen aanleiding om hier in deze zaak van af te wijken. De rechtbank zal bepalen dat het Uwv in beide beroepen een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-.</para>
      <para />
      <para>8. Omdat de beroepen gegrond zijn, moet het Uwv het door eiser betaalde griffierecht vergoeden. De rechtbank heeft de beroepen aangemerkt als ingediend tegen twee samenhangende besluiten in de zin van artikel 8:41, derde lid, van de Awb. Er is daarom eenmaal griffierecht geheven en betaald. </para>
      <para />
      <para>9. De rechtbank veroordeelt het Uwv in de door eiser gemaakte proceskosten. De rechtbank merkt de beroepen aan als samenhangende zaken in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht, zodat 1 punt voor het indienen van de beroepschriften, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5, voor vergoeding in aanmerking komt. </para>
      <para>
        <?linebreak?>
      </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart de beroepen gegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>vernietigt in beide zaken het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>draagt het Uwv op om uiterlijk binnen negen weken na de dag van verzending van deze uitspraak in beide zaken alsnog een besluit bekend te maken;</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para>- bepaalt dat het Uwv per besluit aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;</para>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>bepaalt dat het Uwv het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt het Uwv tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiser.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A.J. Overdijk, rechter, in aanwezigheid van <?linebreak?>mr.M.J. Bronsveld, griffier.</para>
      <para>Uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2026.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over verzet</title>
    <para>Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. </para>
  </section>
  <footnote id="_e677a7b4-877d-42a9-83a0-87f28ec6b570" label="1">
    <para> De rechtbank verwijst naar artikel 6:12, eerste lid, van de Awb, in samenhang met het vierde lid van dat artikel.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_76c27873-4f2c-4ea4-971a-5d68031c379d" label="2">
    <para> Hoge Raad 2 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:711, r.o. 3.3.2.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_51f2a6f8-b274-4ec5-89a8-d7581b1f6f48" label="3">
    <para> Dit staat in artikel 102, derde lid van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wia).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_06cf2ed1-bf35-40ea-b7e5-4a6a5d99ddc3" label="4">
    <para> Uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:2966, r.o. 4.4 en 4.5.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a925f3e4-c567-4aa5-a4c2-8f987903b5a3" label="5">
    <para> Uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451, r.o. 5.2 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, r.o. 5.2.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e6b18237-7052-45af-bb20-9a05c05fdabb" label="6">
    <para> Uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451, r.o. 5.3 en 5.4 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, r.o. 5.3 en 5.4.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e8395548-dfda-431c-bcc4-3e4f5b717aae" label="7">
    <para> https://www.rechtspraak.nl/onderwerpen/overheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd/extra-dwangsom.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>