<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2026:2510</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-25T09:30:19</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-02-11</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL26.4828</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:2510">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:2510</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-24T14:27:34</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2026:2510 Rechtbank Den Haag , 11-02-2026 / NL26.4828</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2026:2510:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Artikel 6, eerste en tweede lid + toegangsweigering. - zware grond 3a en vrije termijn - lichte grond 4c en verblijf in detentiecentrum - objectieve criteria toegespitst op individuele situatie - speciale bewaringsaccommodatie en detentiecentrum Zeist - ongegrond</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2026:2510:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL26.4828</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. F.W. Verweij),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de minister van Asiel en Migratie, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. J.E. Herlaar).</para>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <?linebreak?>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Bij besluit van 27 januari 2026 (bestreden besluit 1) is aan eiser op grond van artikel 14, gelezen in samenhang met artikel 6 van Verordening (EU) nr. 2016/399 (Schengengrenscode) de toegang geweigerd en bij besluit van diezelfde datum (bestreden besluit 2) is aan eiser op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Eiser heeft tegen de vrijheidsontnemende maatregel beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Op grond van artikel 94, tweede lid, van de Vw wordt, indien aan de vreemdeling een besluit tot weigering van toegang tot Nederland is uitgereikt, het beroep geacht mede een beroep tegen dit besluit te omvatten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 5 februari 2026 tezamen met het beroep van zijn echtgenote met kenmerk NL26.4818 op zitting behandeld. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Over bestreden besluit 1 (toegangsweigering)</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Verweerder heeft eiseres de toegang geweigerd omdat eiser:</para>
    <para>- niet in het bezit is van een geldig reisdocument;<?linebreak?>- niet over voldoende middelen van bestaan kan beschikken voor zowel de duur van het voorgenomen verblijf als voor de terugreis naar het land van herkomst of voor de doorreis naar een derde land, waar de toegang is gewaarborgd, dan wel niet in staat is deze middelen rechtmatig te verwerven.</para>
    <para />
    <para />
    <para>3. Eiser heeft geen gronden aangevoerd tegen de toegangsweigering. De rechtbank is, ambtshalve toetsend, van oordeel dat aan eiser terecht de toegang is geweigerd.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Over bestreden besluit 2 (vrijheidsontnemende maatregel)</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. In de vrijheidsontnemende maatregel heeft verweerder overwogen dat ten aanzien van eiser het risico op onderduiken bestaat. Verweerder heeft daartoe als zware gronden vermeld dat eiser:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;<?linebreak?>3j. aan de grens te kennen heeft gegeven een aanvraag tot het verlenen van een<?linebreak?>verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 Vw te willen indienen, en zijn aanvraag met toepassing van de grensprocedure niet in behandeling is genomen, niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en als lichte gronden vermeld dat eiser:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;<?linebreak?>4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. Eiser voert aan dat zware grond 3a niet van toepassing is. Hij is in zijn vrije termijn naar Nederland gereisd. De vrije termijn is verlopen tijdens zijn asielprocedure en terwijl hij in bewaring is gesteld. Daarnaast is lichte grond 4c niet van toepassing. Hoewel eiser niet is ingeschreven in de Basisregistratie personen (BRP) heeft hij een vaste woon- of verblijfplaats aangezien hij in het detentiecentrum verblijft. Daarbij zijn deze gronden op vrijwel alle asielzoekers in de grensprocedure van toepassing. Van een objectief criterium toegespitst op de individuele situatie is dan geen sprake meer. Verder is detentiecentrum Zeist geen speciale bewaringsaccommodatie in de zin van de Opvangrichtlijn<footnote-ref linkend="_83a8f670-de76-47af-b9eb-047ba20bc816" />, omdat daar vreemdelingen met verschillende procedures niet van elkaar zijn gescheiden, bijvoorbeeld Dublinclaimanten en vreemdelingen met een visum kort verblijf in een andere lidstaat. </para>
    <para />
    <para>6. De rechtbank overweegt als volgt. </para>
    <para />
    <para>7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht zware grond 3a tegengeworpen. Door asiel aan te vragen heeft eiser langdurig verblijf beoogt. Daarmee voldoet eiser niet aan de in artikel 6 van de Schengengrenscode<footnote-ref linkend="_601d089c-250a-4f77-bbb7-fe0bf0dd0fa7" /> neergelegde voorwaarden. De visumvrije periode is immers bedoeld voor een kort verblijf van in beginsel 90 dagen. Verder heeft verweerder kunnen tegenwerpen dat eiser geen vaste woon- of verblijfplaats heeft. Volgens vaste rechtspraak is voor de toepassing van de bepalingen gesteld bij en krachtens de Vw slechts sprake van een vaste woon- of verblijfplaats als de vreemdeling op een gesteld adres is ingeschreven in de BRP<footnote-ref linkend="_456569c4-1915-47cf-89ab-18138eb0324c" />, of wanneer de vreemdeling op een andere wijze aantoont dat hij een vaste woon- of verblijfplaats heeft.<footnote-ref linkend="_6e58cbed-1b04-4aab-ae7f-16b6dd2055ef" /> Verblijf in het detentiecentrum valt hier niet onder. De rechtbank wijst ter vergelijking op de uitspraak van de Afdeling van 1 juni 2017<footnote-ref linkend="_c7befecf-2fe5-49c5-b5cc-71893cd9925c" /> waarbij de Afdeling – kort gezegd – heeft geoordeeld dat met de enkele stelling van de vreemdeling dat hij verblijf had in het aanmeldcentrum Ter Apel hij niet heeft aangetoond dat hij een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft.</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>7.1.</nr>
      <para>Eiser heeft de overige gronden niet bestreden. Gelet op artikel 5.1b, tweede lid, van het Vb zijn vorengenoemde gronden en de daarbij gegeven motivering voldoende om het risico op onderduiken aanwezig te achten. Dat één of meer van deze gronden van toepassing zijn op meerdere, zo niet alle, asielzoekers in de grensprocedure betekent niet dat er geen individuele beoordeling is gemaakt. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>8. Verder volgt uit artikel 10 van de Opvangrichtlijn, kort gezegd en voor zover hier van belang, dat verzoekers in bewaring in de regel worden afgescheiden van andere onderdanen van derde landen die geen verzoek om internationale bescherming hebben ingediend. Indien verzoekers niet van andere onderdanen van derde landen kunnen worden afgescheiden, zorgt de betrokken lidstaat ervoor dat de voorwaarden met betrekking tot bewaring van deze richtlijn worden toegepast.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>8.1.</nr>
      <para>Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat het detentiecentrum in Zeist geen gespecialiseerde bewaringsaccommodatie is in de zin van de Opvangrichtlijn. Eiser heeft onvoldoende geconcretiseerd dat hij niet wordt afgescheiden van andere onderdanen van derde landen die geen verzoek om internationale bescherming hebben ingediend. Immers, Dublinclaimanten hebben per definitie een verzoek om internationale bescherming ingediend. Weliswaar niet altijd in Nederland, maar dat vereiste stelt de Opvangrichtlijn ook niet. Daarnaast is niet uitgesloten dat derdelanders die een visum kort verblijf hebben van een andere lidstaat niet ook in een asielprocedure zitten. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>8.2.</nr>
      <para>Bovendien, ook als eiser niet afgescheiden kan worden van onderdanen van derde landen die geen verzoek om internationale bescherming hebben ingediend, dan nog is niet gebleken dat detentiecentrum Zeist niet de voorwaarden met betrekking tot bewaring van de Opvangrichtlijn toepast. </para>
      <para />
      <para>9. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is,<footnote-ref linkend="_6c0d4d48-e617-4185-8dc1-60bf2cadd082" /> ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is geweest. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.</para>
      <para />
      <para>10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para>- verklaart het beroep ongegrond;</para>
    <para>- wijst het verzoek om schadevergoeding af.<?linebreak?></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 2 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 1 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_83a8f670-de76-47af-b9eb-047ba20bc816" label="1">
    <para> Richtlijn 2013/33/EU.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_601d089c-250a-4f77-bbb7-fe0bf0dd0fa7" label="2">
    <para> Verordening (EU) 2016/399.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_456569c4-1915-47cf-89ab-18138eb0324c" label="3">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 10 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4131.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6e58cbed-1b04-4aab-ae7f-16b6dd2055ef" label="4">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 5 augustus 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR5036, onder 2.1.4.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c7befecf-2fe5-49c5-b5cc-71893cd9925c" label="5">
    <para> ECLI:NL:RVS:2017:1467, onder 4.2.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6c0d4d48-e617-4185-8dc1-60bf2cadd082" label="6">
    <para> Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>