<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2026:2122</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-20T10:00:39</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-02-06</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL25.30640 V</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#verzet">Verzet</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:2122">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:2122</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-16T13:51:44</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2026:2122 Rechtbank Den Haag , 06-02-2026 / NL25.30640 V</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2026:2122:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verzet tegen uitspraak op beroep niet tijdig beslissen. Beslistermijn in asielzaken die vallen onder het besluit- en vertrekmoratorium Syrie. Waar deze rechtbank eerder oordeelde dat de verlenging van een jaar ingaat op het moment van inwerkingtreding van het moratorium, neemt zij nu aan dat de oorspronkelijke beslistermijn van zes maanden door het moratorium met een jaar is verlengd. In beginsel geldt dus voor alle asielaanvragen die vóór en tijdens het moratorium zijn ingediend een beslistermijn van bij elkaar opgeteld achttien maanden. Verzet gegrond, beroep niet tijdig gegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2026:2122:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL25.30640 V</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van</bridgehead>
    <parablock>
      <para>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="bold">
          [opposant]
        </emphasis>, opposant<footnote-ref linkend="_d8f45a56-342f-4504-b0fc-21f786f68a1a" />, V-nummer: [v-nummer]</para>
      <para>(gemachtigde: J.M.M. Heilbron),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">en met toepassing van artikel 8:55, tiende lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de zaak tussen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>opposant</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de minister van Asiel en Migratie</bridgehead>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Opposant heeft op 10 juli 2025 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door de minister op zijn asielaanvraag van 15 november 2023.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij uitspraak van 4 september 2025 (de bestreden uitspraak) heeft de rechtbank het beroep van opposant niet-ontvankelijk verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het verzet op 9 januari 2026 op zitting behandeld. Opposant en de minister hebben zich afgemeld voor de zitting.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen over het verzet</title>
    <para />
    <para>1. De rechtbank beoordeelt eerst of in de uitspraak van 4 september 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel<footnote-ref linkend="_b7f0d49b-7cb4-4036-9add-1ef2cce732e2" /> is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.</para>
    <para />
    <para>2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Het beroep van opposant</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>3. Het beroep van opposant ging over het niet tijdig nemen van een besluit door de minister op zijn asielaanvraag van 15 november 2023.</para>
    <bridgehead role="underline">De uitspraak van 4 september 2025</bridgehead>
    <para>4. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat sprake is van een premature ingebrekestelling. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat met ingang van 11 december 2024 voor Syrië een besluit- en vertrekmoratorium<footnote-ref linkend="_7035d1f5-4437-4bcb-80a5-7949628cbb61" /> gold voor de duur van zes maanden, waarbij de wettelijke beslistermijn van lopende asielaanvragen en van asielaanvragen die tijdens het moratorium werden ingediend, is verlengd met een periode van een jaar tot ten hoogste eenentwintig maanden. De beslistermijn op de aanvraag van opposant liep in beginsel tot en met 15 mei 2024. In dit geval geldt volgens de rechtbank daarom dat de beslistermijn door het besluitmoratorium op 16 augustus 2025 was verstreken. Omdat opposant de minister bij brief van 23 juni 2025 heeft medegedeeld dat hij in gebreke is tijdig een besluit te nemen, is deze ingebrekestelling te vroeg gestuurd.<?linebreak?></para>
    <para>5. Opposant heeft aangevoerd dat zijn ingebrekestelling ten onrechte prematuur is geacht en de rechtbank zijn beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het besluitmoratorium is op 14 december 2024 door plaatsing in de Staatscourant in werking getreden. Omdat nog niet op de asielaanvraag van opposant is beslist, en hij ook niet valt onder één van de in het besluitmoratorium genoemde categorieën die uitgesloten zijn van de werking ervan, is de verplichting van de minister om op de asielaanvraag van opposant te beslissen alsnog opgeschort voor de in het besluitmoratorium genoemde duur van een jaar. Deze verlengde beslistermijn (van 18 maanden) is op 15 mei 2025 geëindigd. De minister is na het verstrijken van die termijn in gebreke gesteld, namelijk op 23 juni 2025. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag is meer dan twee weken na de</para>
    <para>ingebrekestelling ingesteld en had hierom ontvankelijk en gegrond moeten worden verklaard. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft opposant gewezen op uitspraken<footnote-ref linkend="_678b805c-3ceb-42a7-b0af-6e04528412c1" /> van verschillende zittingsplaatsen waarin wordt uitgegaan van deze berekening van de beslistermijn.</para>
    <para />
    <para>6. Deze verzetsgrond slaagt. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende. Bij uitspraak van 29 januari 2026<footnote-ref linkend="_6238beae-e8c7-45ea-b7fc-466850a723bd" /> heeft deze rechtbank in zaken waarin een vergelijkbaar standpunt is ingenomen, aanleiding gezien anders te oordelen dan zij tot dan toe heeft gedaan. Waar zij eerder oordeelde dat de verlenging van een jaar ingaat op het moment van inwerkingtreding van het moratorium, neemt zij nu aan dat de oorspronkelijke beslistermijn van zes maanden door het moratorium met een jaar is verlengd. In beginsel geldt dus voor alle asielaanvragen die vóór en tijdens het moratorium zijn ingediend een beslistermijn van bij elkaar opgeteld achttien maanden. Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet buiten redelijke twijfel is dat het beroep waarop de buiten-zittinguitspraak ziet niet-ontvankelijk is. Niet uitgesloten is namelijk dat een zitting in het licht van het vorenstaande tot een andere uitkomst zou hebben geleid.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Conclusie over het verzet</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>7. Het verzet is daarom gegrond. Dat betekent dat de buiten-zittinguitspraak vervalt en de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin dat zich bevond voordat die buiten-zittinguitspraak werd gedaan. </para>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Overwegingen over het beroep</title>
    <para />
    <para>8. Partijen zijn uitgenodigd voor de zitting over het verzet, waarbij zij zijn gewezen op de bevoegdheid van de rechtbank om meteen uitspraak te doen op het beroep.<footnote-ref linkend="_1fef793d-dd4d-41ab-b306-4f8531017f11" /> De rechtbank is van oordeel dat nader onderzoek na de zitting niet kan bijdragen aan de beoordeling van de beroepszaak. De rechtbank doet daarom niet alleen uitspraak op het verzet, maar ook op het beroep.</para>
    <para />
    <para>9. Niet is gebleken dat opposant valt onder één van de categorieën die zijn uitgesloten van de werking van het besluitmoratorium.<footnote-ref linkend="_c4054c21-86f2-42e0-97e3-55e031ca4337" /> Na het verstrijken van de beslistermijn van achttien maanden heeft de minister op 23 juni 2025 een ingebrekestelling ontvangen. Hierna heeft opposant tenminste twee weken gewacht voordat hij op 10 juli 2025 beroep instelde.</para>
    <para />
    <para>10. Gelet op het voorgaande is het beroep ontvankelijk en is er sprake van een overschrijding van de beslistermijn. De rechtbank verklaart het beroep daarom gegrond. Aangezien het beroep gegrond is en nog geen besluit bekend is gemaakt, zal de rechtbank de minister opdragen alsnog een besluit te nemen. Daarbij zal de rechtbank de minister een termijn stellen voor het nemen van het nieuwe besluit.<footnote-ref linkend="_e10f55d6-971a-441c-b831-9f91cda99c3d" /></para>
    <para />
    <para>11. Uit het procesdossier blijkt dat de maximale beslistermijn van 21 maanden inmiddels is overschreden. De rechtbank neemt in dat geval het uitgangspunt dat de minister binnen acht weken op de asielaanvraag moet beslissen. Daarom bepaalt de rechtbank dat de minister binnen acht weken na bekendmaking van deze uitspraak een besluit aan opposant bekend moet maken.</para>
    <para />
    <para>12. De rechtbank bepaalt verder dat een dwangsom wordt verbeurd voor elke dag dat de minister in gebreke blijft om aan de termijn van deze uitspraak te voldoen. In overeenstemming met de vaste gedragslijn van de zittingsplaats Den Haag, stelt de rechtbank de hoogte van de dwangsom vast op een bedrag van € 100,- voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden. In overeenstemming met de vaste gedragslijn wordt het maximum bepaald op € 7.500,-. </para>
    <para />
    <para>13. Omdat het beroep gegrond is, krijgt opposant een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt opposant een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend (1 punt) en een verzetschrift ingediend (0,5 punt). De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat het alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is verstreken. Daarom is op de waarde een factor van 0,5 toegepast. De vergoeding bedraagt dan 1,5 x 0,5 x € 934,- is in totaal € 700,50. Omdat aan opposant een toevoeging is verleend, moet de minister de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener. </para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het verzet gegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep gegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit te nemen op de aanvraag;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bepaalt dat de minister aan opposant een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,-;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt de minister in de proceskosten van opposant tot een bedrag van € 700,50.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, rechter, in aanwezigheid van mr. S.M.H. van der Velden, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Informatie over hoger beroep</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak staat voor zover daarbij is beslist op het verzet geen hoger beroep of verzet open.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep, kan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_d8f45a56-342f-4504-b0fc-21f786f68a1a" label="1">
    <para> Met opposant wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b7f0d49b-7cb4-4036-9add-1ef2cce732e2" label="2">
    <para> Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7035d1f5-4437-4bcb-80a5-7949628cbb61" label="3">
    <para> Staatscourant van 13 december 2024, nr. 41538. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_678b805c-3ceb-42a7-b0af-6e04528412c1" label="4">
    <para> Zie onder meer de uitspraak van zittingsplaats Utrecht van 31 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:14419, de uitspraak van zittingsplaats Roermond van 9 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:12145 en de uitspraak van zittingsplaats Arnhem van 15 september 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:7691. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_6238beae-e8c7-45ea-b7fc-466850a723bd" label="5">
    <para> Zaaknummers: NL25.43751 en NL25.63389, nog niet gepubliceerd.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1fef793d-dd4d-41ab-b306-4f8531017f11" label="6">
    <para> Artikel 8:55, tiende lid, van de Awb maakt dat mogelijk. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_c4054c21-86f2-42e0-97e3-55e031ca4337" label="7">
    <para> Zie artikel 4 van het Besluit tot instelling van het besluitmoratorium. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_e10f55d6-971a-441c-b831-9f91cda99c3d" label="8">
    <para> Op grond van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>