<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2026:2068</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-10T17:00:29</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-02-06</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL25.61160</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Arnhem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:2068">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:2068</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-09T08:36:55</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2026:2068 Rechtbank Den Haag , 06-02-2026 / NL25.61160</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2026:2068:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Dublin; Duitsland; rapport aanmeldgehoor; artikel 17 Dublinverordening; beroep gegrond; rechtsgevolgen blijven in stand.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2026:2068:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Arnhem</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL25.61160 </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 februari 2026 in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser], v-nummer: [nummer], eiser</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. E. Derksen),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de minister van Asiel en Migratie</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. R.R. de Groot).</para>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">Samenvatting</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiser is het niet eens met dit besluit en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er geen bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan de minister de behandeling van de asielaanvraag aan zich had moeten trekken (artikel 17 van de Dublinverordening). Wel is de rechtbank van oordeel dat de minister het rapport van het aanmeldgehoor niet tijdig aan eiser heeft verstrekt. Het beroep is daarom gegrond. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten, omdat eiser niet in zijn belangen is geschaad. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. Eiser heeft op 12 juli 2025 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 12 december 2025 niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 21 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Totstandkoming van het besluit</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.<footnote-ref linkend="_9b5fa0d8-47d0-4f64-8c4e-1f6e9fb5f0d6" /> In dit geval heeft Nederland op 15 augustus 2025 bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Op 18 augustus heeft Duitsland dit verzoek in eerste instantie afgewezen. Op 19 augustus 2025 heeft Nederland een heroverwegingsverzoek gestuurd, waarna Duitsland het verzoek op 20 augustus 2025 alsnog heeft aanvaard.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Heeft de minister in strijd gehandeld met artikel 5, zesde lid, van de Dublinverordening?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>4. Eiser voert aan dat de minister in strijd heeft gehandeld met artikel 5, zesde lid, van de Dublinverordening, omdat het rapport van het aanmeldgehoor pas gelijktijdig met het bestreden besluit aan hem en zijn gemachtigde is verstrekt. Volgens eiser is het daarom niet kenbaar welke verklaringen bij de besluitvorming zijn betrokken en heeft hij niet effectief een zienswijze kunnen indienen, vooral omdat het voornemen een standaardvoornemen betrof dat niet was toegespitst op zijn individuele omstandigheden. Volgens eiser is het indienen van een zienswijze een essentieel onderdeel van de besluitvormingsprocedure.<footnote-ref linkend="_5b600941-b77e-4b65-93f6-a199c464ce30" /></para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>De minister stelt zich op het standpunt dat de gemachtigde van eiser pas op 19 augustus 2025 aan het dossier van eiser is gekoppeld, en dat het rapport van het aanmeldgehoor daarom via de Raad voor Rechtsbijstand aan eiser is verstrekt. Daar komt volgens de minister bij dat eiser om uitstel heeft gevraagd voor het indienen van de zienswijze, waarbij hij ook om het rapport van het aanmeldgehoor had kunnen verzoeken. Daarnaast stelt de minister dat eiser bovendien niet heeft geconcretiseerd welke verklaringen uit het aanmeldgehoor betrokken hadden moeten worden bij de besluitvorming. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>De rechtbank stelt vast dat artikel 5, zesde lid, van de Dublinverordening bepaalt dat eiser en/of zijn gemachtigde tijdig toegang moet krijgen tot een schriftelijke samenvatting met daarin de belangrijkste informatie die eiser heeft verstrekt. In paragraaf C1/2.6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) staat dat het rapport van het gehoor uiterlijk gelijktijdig met het voornemen aan de vreemdeling bekend wordt gemaakt. Dit is een zelfstandige verplichting van de minister. Tussen partijen is niet in geschil dat het rapport van het aanmeldgehoor pas gelijktijdig met het bestreden besluit aan de gemachtigde van eiser is verstrekt. Volgens de rechtbank heeft de minister niet onderbouwd dat het rapport wel eerder aan eiser is verstrekt. Ook op de zitting kon de gemachtigde van de minister dit niet toelichten of onderbouwen. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat het rapport van het aanmeldgehoor niet tijdig aan eiser is verstrekt. De beroepsgrond slaagt. Om die reden verklaart de rechtbank het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>De rechtbank ziet echter aanleiding om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand worden gelaten met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De reden daarvoor is dat de minister terecht heeft gesteld dat eiser niet heeft geconcretiseerd welke verklaringen uit het aanmeldgehoor niet zijn betrokken bij de besluitvorming en ook niet in beroep heeft kunnen concretiseren hoe hij in zijn belangen is geschaad hierdoor. Volgens de rechtbank is daarom niet gebleken dat eiser in zijn belangen is geschaad, doordat het rapport van het aanmeldgehoor niet tijdig aan hem is verstrekt. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Had de minister artikel 17 van de Dublinverordening moeten toepassen?</emphasis>
        </para>
        <para>5.	Eiser voert aan dat er bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan de minister de behandeling van de asielaanvraag aan zich moet trekken. Hij voert aan dat hij in Nederland onder specialistische behandeling staat wegens psychische klachten. Volgens eiser had de minister moeten toetsen aan het arrest C.K.<footnote-ref linkend="_46fda7c4-92f1-4fb7-8d80-57597c4c8936" />. Daarnaast voert eiser aan dat samen met zijn neef, wiens asielaanvraag in Nederland wordt behandeld, traumatische gebeurtenissen heeft meegemaakt in Turkije en dat zij elkaar daarom steun bieden. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat het aan eiser is om aannemelijk te maken dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat overdracht aan Duitsland zou leiden tot onevenredige hardheid. Eiser is daar niet in geslaagd. Eiser heeft zijn gestelde medische behandeling in Nederland niet onderbouwd. Dat eiser psychische problemen heeft, is verder ook niet onderbouwd en het bestaan van psychische problemen is op zichzelf onvoldoende om te spreken van bijzondere omstandigheden. De minister mag bovendien, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan uitgaan dat eiser in Duitsland toegang krijgt tot vergelijkbare medische zorg. <footnote-ref linkend="_fa53e344-5595-438d-ad01-9a12ed941874" />Eiser heeft niet onderbouwd waarom hij daar niet behandeld zou kunnen worden voor zijn medische problematiek. Nu eiser niet heeft aangetoond dat sprake is van een lopende medische behandeling in Nederland, zoals bedoeld in het arrest C.K., heeft de minister geen aanleiding hoeven zien om een BMA-advies op te vragen. Ten aanzien van de aanwezigheid van de neef in Nederland heeft de minister terecht gesteld dat dit op zichzelf onvoldoende is voor toepassing van artikel 17 van de Dublinverordening. De beroepsgrond slaagt niet. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>6.	Gelet op wat onder 4.2 is overwogen is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank laat uit het oogpunt van definitieve geschilbeslechting de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand, omdat eiser niet in zijn belangen is geschaad.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <para>Omdat het beroep gegrond is, bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De rechtbank veroordeelt de minister daarom in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde rechtmatig verleende rechtsbijstand vast op €1.868 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van €934 en een wegingsfactor 1).</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep gegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>vernietigt het besluit van 12 december 2025;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt de minister tot betaling van €1.868 aan proceskosten aan eiser.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Kompier, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Pruijn, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Informatie over hoger beroep</emphasis>
      </para>
      <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_9b5fa0d8-47d0-4f64-8c4e-1f6e9fb5f0d6" label="1">
    <para> Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5b600941-b77e-4b65-93f6-a199c464ce30" label="2">
    <para> ABRvS 10 februari 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AH9079 (niet gepubliceerd) en ABRvS 31 juli 2007 ECLI:NL:RVS:2007:BB1457. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_46fda7c4-92f1-4fb7-8d80-57597c4c8936" label="3">
    <para> HvJEU 16 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:127 (arrest C.K.)</para>
  </footnote>
  <footnote id="_fa53e344-5595-438d-ad01-9a12ed941874" label="4">
    <para> ABRvS 14 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:588. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>