<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2026:2067</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-10T17:00:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-02-06</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL26.5241</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Arnhem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:2067">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:2067</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-09T08:22:42</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2026:2067 Rechtbank Den Haag , 06-02-2026 / NL26.5241</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2026:2067:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bewaring; vervolgberoep; ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2026:2067:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Arnhem</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL26.5241</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 februari 2026 in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser], v-nummer: [nummer], eiser</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. A. Jhingoer),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de minister van Asiel en Migratie,</bridgehead>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De minister heeft op 11 augustus 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft deze maatregel eerder getoetst. Op het eerste beroep is beslist bij uitspraak van 1 september 2025.<footnote-ref linkend="_28df8d93-f02c-4890-bded-1557381015b0" /> Het voortduren van deze maatregel is getoetst bij de uitspraken van 17 november 2025<footnote-ref linkend="_9347f0b8-7112-4a75-ac52-42974b83e984" /> en 19 januari 2026.<footnote-ref linkend="_5e330e4d-f480-490b-a470-cc6ca0d49215" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het vooronderzoek op 3 februari 2026 gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.<footnote-ref linkend="_c657300d-61af-4b71-b16a-9edf8a41c6f7" /></para>
    <para />
    <para>2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 19 januari 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (15 januari 2026) rechtmatig is.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Ontbreekt het zicht op uitzetting?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>3. Eiser voert aan dat het zicht op uitzetting ontbreekt, omdat er sinds de vaststelling van eisers identiteit en nationaliteit door Algerije op 20 oktober 2025 geen laissez-passer (lp) is afgegeven.</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat de hierboven genoemde beroepsgrond van eiser in het eerdere beroep ook is aangevoerd en getoetst.<footnote-ref linkend="_e5c92cf1-47dc-49df-9560-98aa0203b63f" /> Zoals toen is overwogen ontbreekt het zicht op uitzetting niet en heeft eiser ook niet aannemelijk gemaakt dat zicht op uitzetting in zijn specifieke geval wel ontbreekt. Dit heeft eiser ook nu niet aannemelijk gemaakt. De minister heeft voor het laatst op 29 januari 2026 schriftelijk gerappelleerd. Dat de autoriteiten hier nog niet op hebben gereageerd, betekent niet dat er geen lp zal worden verstrekt. De minister moet voorlopig in de gelegenheid worden gesteld om een antwoord af te wachten. Er bestaan geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het lp-traject op niets zal uitlopen. Het traject duurt ook nog niet zo lang dat die conclusie op dit moment moet worden getrokken. In dit kader acht de rechtbank van belang dat er op 4 februari 2026 een presentatie in persoon gepland staat bij de Algerijnse ambassade. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Werkt de minister onvoldoende voortvarend aan de uitzetting?</emphasis>
        </para>
        <para>4. 	Eiser betoogt dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de uitzetting naar Algerije, door alleen schriftelijk en in het algemeen te rappelleren. Dit betreft geen standaard lopende zaak waarin de minister bijna voor de vorm een rappel dient te versturen. Het is immers voor de Algerijnse autoriteiten duidelijk wie eiser is. Uit de M120 blijkt dat eiser opnieuw wordt gepresenteerd. De minister moet kenbaar maken hoe de presentatie is verlopen en welk resultaat is geboekt. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat de hierboven genoemde beroepsgrond van eiser in het eerdere beroep ook is aangevoerd en getoetst.<footnote-ref linkend="_ecf99189-20f2-4310-893c-321b2039c0a1" /> In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering uit Nederland. Er bestaat nog steeds geen aanleiding om aan te nemen dat de minister nu opnieuw bij de Algerijnse vertegenwoordiging om extra aandacht heeft moeten vragen voor de zaak van eiser. De minister heeft op 27 januari 2026 nog een vertrekgesprek gevoerd met eiser. Ook heeft de minister op 29 januari 2026 bij de Algerijnse autoriteiten gerappelleerd en op 4 februari 2026 staat er een presentatie in persoon gepland. Dit is voldoende voortvarend. Aan het verzoek aan de minister om eiser op de hoogte te houden van het verloop van de persoonlijke presentatie gaat de rechtbank voorbij, omdat dit verzoek aan de minister is gericht. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Dient de belangenafweging in het voordeel van eiser uit te vallen?</emphasis>
        </para>
        <para>5.	 Eiser voert aan dat de belangenafweging in zijn voordeel dient uit te vallen, vanwege zijn medische situatie. Eiser is ongeneeslijk ziek, hij heeft multiple sclerose (MS) en is rolstoel gebonden. Ter onderbouwing heeft eiser meerdere medische stukken overgelegd. In dit verband is ook van belang dat de medische zorg in het detentiecentrum beperkt is. Alleen het hoogstnoodzakelijke wordt gedaan en een uitgebreid behandeltraject gericht op verbetering van de kwaliteit van leven wordt niet gestart. Verder wijst eiser erop dat hij inmiddels bijna 6 maanden in detentie verblijft. Ook dit dient in zijn voordeel te worden meegewogen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>De beroepsgrond van eiser slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat eiser deze grond ook in het vervolgberoep heeft aangevoerd dat heeft geleid tot de uitspraak van 19 januari 2026. Zoals ook al in dat beroep geoordeeld is vormen de door eiser genoemde omstandigheden geen reden om van de minister te verlangen dat de belangenafweging in het voordeel van eiser moet uitvallen.<footnote-ref linkend="_edb462da-88c3-4660-83ba-def218dcbc36" /> Dat eiser bijna zes maanden in detentie verblijft is geen reden om die afweging nu anders uit te laten vallen. Daarbij wijst de rechtbank op het beperkte tijdsverloop sinds de vorige uitspraak. De rechtbank ziet in wat eiser aanvoert of in het dossier nog steeds geen aanleiding om de bewaring op te heffen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>De rechtbank begrijpt uit de voortgangsrapportage dat op 27 januari 2026 een voornemen naar de gemachtigde van eiser is verstuurd inzake de verlenging van de bewaringstermijn (na zes maanden). Indien eiser het daar niet mee eens is, kan hij daar rechtsmiddelen tegen instellen. Omdat eiser zich ten tijde van het sluiten van het onderzoek nog niet zes maanden in bewaring bevond, ligt het verlengingsbesluit in deze procedure niet voor. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?</emphasis>
        </para>
        <para>6. 	Eiser betoogt dat aan hem een lichter middel moet worden opgelegd, omdat het onttrekkingsgevaar zeer beperkt is, vanwege het feit dat hij in een rolstoel zit en hij daardoor niet mobiel is. Niet valt in te zien waarom eiser niet elders geplaatst zou kunnen</para>
        <para>worden, in een AZC dan wel een vrijheidsbeperkende locatie. Die laatste zijn bovendien</para>
        <para>dusdanig afgelegen (Ter Apel of Budel) dat eiser in feite ook nergens naartoe kan</para>
        <para>vertrekken.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <para>Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Ook deze grond heeft eiser in het eerdere vervolgberoep aangevoerd. Zoals ook al in het eerdere beroep geoordeeld vormen de door eiser genoemde omstandigheden geen reden om van de minister te verlangen dat hij een lichter middel oplegt.<footnote-ref linkend="_f61dd186-0b16-4eef-9c57-1868062dda2c" /> Dat is in dit beroep niet anders. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?</emphasis>
          <?linebreak?>7.	 Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet (langer) is voldaan.<footnote-ref linkend="_2710157d-037a-45af-a08d-fe2887d9259e" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>8. 	Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>De rechtbank:</title>
    <para>- verklaart het beroep ongegrond;</para>
    <para>- wijst het verzoek om schadevergoeding af.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van S. Voolstra, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.</para>
      <para />
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_28df8d93-f02c-4890-bded-1557381015b0" label="1">
    <para> Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 1 september 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:16500.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9347f0b8-7112-4a75-ac52-42974b83e984" label="2">
    <para> Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 17 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:21714.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5e330e4d-f480-490b-a470-cc6ca0d49215" label="3">
    <para> Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 19 januari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:896.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c657300d-61af-4b71-b16a-9edf8a41c6f7" label="4">
    <para> Op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e5c92cf1-47dc-49df-9560-98aa0203b63f" label="5">
    <para> Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 19 januari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:896, r.o. 3.1.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ecf99189-20f2-4310-893c-321b2039c0a1" label="6">
    <para> Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 19 januari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:896, r.o. 4.1.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_edb462da-88c3-4660-83ba-def218dcbc36" label="7">
    <para> Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 19 januari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:896, r.o. 5.1.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f61dd186-0b16-4eef-9c57-1868062dda2c" label="8">
    <para> Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 19 januari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:896, r.o. 6.1.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2710157d-037a-45af-a08d-fe2887d9259e" label="9">
    <para> Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>