<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2026:1942</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-05T14:26:59</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-02-05</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB25-23435 en NL26.60210</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Groningen</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:1942">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:1942</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-05T14:26:27</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2026:1942 Rechtbank Den Haag , 05-02-2026 / AWB25-23435 en NL26.60210</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2026:1942:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>HTL + art 56 Vw</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2026:1942:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Zittingsplaats Groningen</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummers: AWB25/23435 en NL25.60210</para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [naam], eiser,</title>
    <parablock>
      <para>geboren op [geboortedatum],</para>
      <para>van Turkse nationaliteit,</para>
      <para>V-nummer: [nummer],</para>
      <para>(gemachtigde: mr. R.J. Schenkman),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, het COa,</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>alsmede</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de minister van Asiel en Migratie, de minister,</title>
    <para>(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank twee beroepen. Het eerste beroep van eiser is gericht tegen het besluit van het COa van 22 november 2025. In dat besluit heeft het COa besloten om eiser vanaf 22 november 2025 in een HTL<footnote-ref linkend="_9f34300f-2c39-4cc8-a0d9-1ade8484d54e" /> in Hoogeveen te plaatsen (het plaatsingsbesluit).<footnote-ref linkend="_92190222-6030-48e8-b41b-4333e471c00a" /> Het tweede beroep van eiser richt zich tegen het besluit van de minister van 21 november 2025 om hem een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 56 van de Vw<footnote-ref linkend="_369c313a-3abd-43de-a67e-14e8cd17d7bc" /> op te leggen. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Eiser heeft op 8 december 2025 gronden van beroep ingediend. De minister heeft op 31 december 2025 een verweerschrift ingediend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 8 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister en het COa deelgenomen via een Teams-verbinding.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <para>2. De beroepen zijn ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt wel een vergoeding van de proceskosten. Hierna legt de rechtbank hoe zij tot dit oordeel komt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Het beroep tegen het plaatsingsbesluit</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het incident dat heeft geleid tot het plaatsingsbesluit</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Uit de verslaglegging van het COa blijkt – kort samengevat – het volgende. Op 19 november 2025 is de beveiliging van de COa-locatie Oostrum op de hoogte gebracht van het feit dat eiser merkbaar onder invloed verkeerde. Toen de COa-medewerker aan eiser vroeg wat hij nodig had, zei eiser dat hij cocaïne wilde. Hierop sloeg eiser zichzelf meermaals hard in het gezicht met gebalde vuist, en gaf hij aan dat hij gestoord was. Eiser trok vervolgens zijn bovenkleding uit en stond te schreeuwen met ontbloot bovenlichaam. De beveiliging zag  dat eiser een aardappelschilmesje in zijn broekzak had, en gebruikte de trui van eiser om het mes veilig weg te nemen. Hierop werd eiser agressief en liep hij op de COa-medewerker af, maar werd door de beveiliging naar de grond gewerkt. Daar bleef eiser zich verzetten en spuugde hij op de grond. Medebewoners die de Turkse taal machtig zijn verklaarden dat eiser uitlatingen deed  als: “COa mag mij dood maken”, “ik ga iedereen vermoorden” en “ik ga medewerker 1 neersteken”. De politie heeft eiser afgevoerd met een spuugmasker op.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat vindt eiser?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Eiser voert aan dat hij zich niets van het incident kan herinneren. Eiser geeft aan dat hij alcohol had gedronken en dat dit slecht is gevallen in combinatie met zijn medicatie. Volgens eiser houdt de beschikking er geen rekening mee dat eiser alleen zichzelf heeft geslagen, en geen COa-medewerkers of anderen. Ook had hij het aardappelschilmesje slechts bij zich, en heeft hij dit niet in zijn hand genomen. Daarnaast is onduidelijk op wat voor manier eiser agressief is geworden richting medewerker 1.</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Verder voert eiser aan dat het incident niet van zeer grote impact is. Eiser heeft slechts zichzelf geslagen, en er was alcohol in het spel. Openbare dronkenschap en algemene uitingen van eiser vallen onder gedragingen van middelgrote impact. Er is derhalve hooguit sprake van een gedraging met middelgrote impact. Dit volgt volgens eiser ook uit het feit dat de maatregel pas drie dagen na het incident is opgelegd.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>5.	De rechtbank ziet in wat eiser naar voren heeft gebracht geen reden om te twijfelen aan de verslaglegging van het incident. De rechtbank is van oordeel dat in het plaatsingsbesluit het incident en de feitelijke gedragingen van eiser gedetailleerd zijn omschreven. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat het COa het incident en de feitelijke gedragingen niet deugdelijk heeft onderzocht en vastgelegd. Dat eiser zich het incident niet goed kan herinneren omdat hij onder invloed was, doet niet af aan de ernst van de gedragingen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>Ook de impact van het incident is naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd uiteengezet. Door de minister is terecht verwezen naar het Maatregelenbeleid<footnote-ref linkend="_81e6fe46-77b3-4b06-a094-f02cab0776db" />, waaruit blijkt dat sprake is van een incident met zeer grote impact wanneer er sprake is van agressie en geweld tegen medebewoners en/of derden, zoals gedrag met als doel de ander ernstig te bedreigen of fysieke schade toe te brengen. Het COa heeft het voorhanden hebben van een wapen, in combinatie met de dreigende houding en de verbale bedreigingen richting medewerker 1 terecht aangemerkt als gedrag met als doel de ander ernstig te bedreigen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>Het beroep gericht tegen het plaatsingsbesluit is ongegrond.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Het beroep gericht tegen de vrijheidsbeperkende maatregel</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>6.	Ten aanzien van de vrijheidsbeperkende maatregel voert eiser aan dat deze prematuur is opgelegd, nu een dag later pas het plaatsingsbesluit is opgelegd. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <para>De rechtbank stelt vast dat de vrijheidsbeperkende maatregel is opgelegd op 21 november 2025, terwijl het plaatsingsbesluit dateert van 22 november 2025. Nu de vrijheidsbeperkende maatregel voor de motivering volledig steunt op het plaatsingsbesluit, dat ten tijde van het opleggen van de maatregel nog niet was genomen, is de vrijheidsbeperkende maatregel ondeugdelijk gemotiveerd. Dit levert wel een formeel gebrek op. De rechtbank ziet echter aanleiding om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te passeren, omdat niet aannemelijk is dat eiser door dit gebrek in zijn belangen is geschaad. Eiser is op de dag van zijn aankomst op de HTL over de kwestie gehoord in het kader van de vrijheidsbeperkende maatregel, die vervolgens is genomen. De volgende dag is het plaatsingsbesluit opgelegd. Dit had zeker te maken met het late moment van aankomst van eiser.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <para>7. Dit betekent dus dat eiser geen gelijk krijgt en dat het COa het besluit tot plaatsing in de HTL mocht nemen en ook de minister de vrijheidsbeperkende maatregel mocht nemen. Eiser krijgt dus ook geen schadevergoeding.</para>
    <para />
    <para>8. Omdat de rechtbank met toepassing van artikel 6:22 van de Awb een gebrek in het bestreden besluit heeft gepasseerd, ziet de rechtbank aanleiding om de minister in de proceskosten van eiser te veroordelen.<footnote-ref linkend="_e8278ecb-f7d4-432f-b165-155a37c780ce" /> De rechtbank stelt deze kosten op grond van het Bpb<footnote-ref linkend="_3775df52-272b-4b1d-b579-d0a96cab52cf" /> vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van de beroepschriften en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Omdat beide beroepen als samenhangend moeten worden gezien worden de zaken voor de proceskostenveroordeling beschouwd als één zaak.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para>- verklaart de beroepen ongegrond;</para>
    <para>- veroordeelt de Staat tot vergoeding van schade aan eiser tot een bedrag van € 25,-;</para>
    <para>- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan op 5 februari 2026 door mr. F. Sijens, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Postma, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>de griffier 				de rechter is buiten staat te tekenen </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen het plaatsingsbesluit, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking van het proces-verbaal. Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel, staat geen rechtsmiddel open.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_9f34300f-2c39-4cc8-a0d9-1ade8484d54e" label="1">
    <para> Handhaving- en Toezichtlocatie.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_92190222-6030-48e8-b41b-4333e471c00a" label="2">
    <para> Op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder h en i, en artikel 11, eerste lid van de Regelingen verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_369c313a-3abd-43de-a67e-14e8cd17d7bc" label="3">
    <para> Vreemdelingenwet 2000.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_81e6fe46-77b3-4b06-a094-f02cab0776db" label="4">
    <para> Maatregelenbeleid COa, 28 mei 2025, paragraaf 4.1.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e8278ecb-f7d4-432f-b165-155a37c780ce" label="5">
    <para> Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 17 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1602, rechtsoverweging 14.1.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3775df52-272b-4b1d-b579-d0a96cab52cf" label="6">
    <para> Besluit proceskosten bestuursrecht.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>