<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2026:1863</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-04T16:28:53</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-02-04</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL26.4798</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Middelburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:1863">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:1863</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-04T16:28:18</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2026:1863 Rechtbank Den Haag , 04-02-2026 / NL26.4798</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2026:1863:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bewaring. Eerste beroep. Haïtiaanse. Ondertekening machtiging tot binnentreden. Voortraject. Voortvarend handelen. Ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2026:1863:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Middelburg</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL26.4798</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [naam] , eiser,</bridgehead>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [nummer]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. S.T.V. Le),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de minister van Asiel en Migratie, verweerder,</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. K. Bruin).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 28 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd.<footnote-ref linkend="_8cd6570e-9562-448e-80f5-ce3debab059d" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft op 30 januari 2026 de maatregel van bewaring opgeheven. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 4 februari 2026 op zitting behandeld in Breda. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Haïtiaanse nationaliteit te hebben. </para>
    <para />
    <para>2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ondertekening machtiging tot binnentreden</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Eiser voert aan dat het binnentreden onrechtmatig is geweest, omdat hij niet kan verifiëren dat de machtiging tot binnentreden is ondertekend door één van de personen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Awob.<footnote-ref linkend="_2a6a73da-2484-4094-8730-6e2edfabebe1" /></para>
    <para />
    <para>4. De rechtbank heeft in het digitale dossier gecontroleerd of de machtiging tot binnentreden is voorzien van een rechtsgeldige elektronische handtekening en vastgesteld dat dit het geval is. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Staandehouding</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. Eiser voert verder aan dat sprake is geweest van een onrechtmatige staandehouding, omdat in het proces-verbaal van de staandehouding is opgenomen dat hij onvoldoende medewerking heeft verleend aan zijn terugkeer naar Panama. Het terugkeerbesluit van 28 april 2025 is namelijk gericht op een terugkeer naar Haïti.</para>
    <para />
    <para>6. De rechtbank stelt vast dat in het terugkeerbesluit van 28 april 2025 is opgenomen dat eiser dient terug te keren naar Haïti, zijn land van herkomst. Hier is de maatregel van bewaring ook op gebaseerd. Hoewel in het proces-verbaal van staandehouding is opgenomen dat eiser niet of onvoldoende medewerking heeft verleend aan zijn terugkeer naar Panama blijkt uit het dossier dat op 1 september 2023 een removal order is afgegeven voor gedwongen terugkeer naar Panama. Dit betekent dan ook dat verweerder op grond hiervan een redelijk vermoeden van illegaal verblijf heeft mogen aannemen en eiser dan ook heeft mogen staandehouden. Als blijkt dat verweerder toch zal overgaan tot een gedwongen terugkeer naar Panama, al dan niet door gebruik te maken van een removal order, dan dient hij een aanvullend of gewijzigd terugkeerbesluit te nemen.<footnote-ref linkend="_d093ccb2-9df2-4bea-9242-2567cce1427b" /> Nu nog geen sprake is van een gedwongen uitzetting, is dat nog niet nodig geweest. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Voortvarend handelen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>7. Tot slot voert eiser aan dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. In eisers geval is sprake van een geplande inbewaringstelling, zodat verweerder bepaalde handelingen ter voorbereiding op de uitzetting sneller dient te verrichten. Ter onderbouwing hiervan verwijst hij naar een uitspraak van de Afdeling<footnote-ref linkend="_36b47be2-5906-46fd-bbd3-635224ad1c43" /> van 6 juni 2019.<footnote-ref linkend="_df93c9d3-78a5-4fdc-8031-8885e41aa9b5" /> Uit het dossier blijkt verder niet dat verweerder aan KLM<footnote-ref linkend="_6322ed3b-febe-4f81-b5bf-8f1c280195ef" /> heeft verzocht eiser uit te zetten. Ook is niet gebleken dat een LP<footnote-ref linkend="_83c9b92f-c906-41f3-afa6-a42c4ff2f932" />-aanvraag is verzonden naar de Haïtiaanse autoriteiten.</para>
    <para />
    <para>8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend heeft gehandeld. Uit het dossier blijkt dat aan eiser op 28 januari 2026 de maatregel van bewaring is opgelegd. Op 29 januari 2026 heeft een vertrekgesprek plaatsgevonden waarin aan eiser is medegedeeld dat verweerder aan KLM heeft verzocht de removal order te effectueren. Op 30 januari 2026 heeft de Afdeling een verzoek om voorlopige voorziening toegewezen, waarna de maatregel van bewaring op dezelfde dag is opgeheven. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ambtshalve toets</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>9. Verder leidt ook de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot aan de opheffing ervan op enig moment onrechtmatig was.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Conclusie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.</para>
    <para />
    <para>11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para> verklaart het beroep ongegrond; en</para>
      <para> wijst het verzoek om schadevergoeding af.<?linebreak?></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan op 4 februari 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op <emphasis role="underline">www.rechtspraak.nl</emphasis>. </para>
      <para>De uitspraak is bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_8cd6570e-9562-448e-80f5-ce3debab059d" label="1">
    <para> Op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2a6a73da-2484-4094-8730-6e2edfabebe1" label="2">
    <para> Algemene wet op het binnentreden.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d093ccb2-9df2-4bea-9242-2567cce1427b" label="3">
    <para> ABRvS 12 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2843.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_36b47be2-5906-46fd-bbd3-635224ad1c43" label="4">
    <para> Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_df93c9d3-78a5-4fdc-8031-8885e41aa9b5" label="5">
    <para> ABRvS 6 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1855.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6322ed3b-febe-4f81-b5bf-8f1c280195ef" label="6">
    <para> Koninklijke Luchtvaart Maatschappij.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_83c9b92f-c906-41f3-afa6-a42c4ff2f932" label="7">
    <para> Laissez-passer.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>