<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2026:1861</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-04T16:22:53</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-02-04</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL26.5242</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Middelburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:1861">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:1861</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-04T16:21:51</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2026:1861 Rechtbank Den Haag , 04-02-2026 / NL26.5242</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2026:1861:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bewaring. Eerste beroep. Marokkaanse. Inzet beëdigde tolk. Zicht op uitzetting. Ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2026:1861:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Middelburg</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL26.5242</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [naam] , eiser,</bridgehead>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [nummer]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. A. Jhingoer),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de minister van Asiel en Migratie, verweerder,</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. K. Bruin).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 22 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd.<footnote-ref linkend="_e8210e50-e903-4da0-8514-03f6ff34e52e" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 4 februari 2026 op zitting behandeld in Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. F. Boone, die waarneemt voor zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Cherradi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Eiser is geboren [geboortedatum] en heeft de Marokkaanse nationaliteit.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Inzet beëdigde tolk</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Eiser voert aan dat verweerder hem ten onrechte heeft gehoord in het Nederlands tijdens het gehoor voorafgaand aan de maatregel van bewaring. Het lag op de weg van verweerder om een beëdigde tolk Arabisch in te schakelen. Ter onderbouwing hiervan verwijst hij naar de uitspraak van 15 mei 2023 van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond.<footnote-ref linkend="_fc7b893f-32bb-4df3-a0b9-cfc3bf718719" /></para>
    <para />
    <para>3. Op grond van artikel 5.2, eerste lid, van het Vb<footnote-ref linkend="_62d30725-87f2-4157-88a7-34bb083598db" /> wordt een vreemdeling gehoord voordat hij in bewaring wordt gesteld. Dit gehoor dient in een voor de vreemdeling begrijpelijke taal plaats te vinden. De rechtbank stelt vast dat uit het proces-verbaal van het gehoor voorafgaand aan de oplegging van de maatregel van bewaring blijkt dat eiser bij aanvang van het gehoor desgevraagd heeft verklaard dat hij in het Nederlands wil spreken, omdat hij dat goed verstaat en begrijpt. Eiser geeft daarnaast aan dat hij zich in het Nederlands beter kan uitdrukken dan in het Arabisch.<footnote-ref linkend="_d645e17b-e39e-4983-be0f-fa6469bd8b34" /> Verder blijkt uit dit proces-verbaal dat eiser adequaat reageert op de vragen die aan hem zijn gesteld en meermaals heeft aangegeven dat hij de verbalisant heeft begrepen. Reeds hierom is geen aanleiding voor het oordeel dat eiser de Nederlandse taal zodanig gebrekkig beheerst dat hij niet in die taal kon worden gehoord. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Maatregel van bewaring</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Als zware gronden<footnote-ref linkend="_1469dbfe-e2f2-4403-bed4-500c0e88eb8b" /> zijn in de maatregel vermeld dat eiser:</para>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;</emphasis>
        </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;</emphasis>
        </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;</emphasis>
        </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">3h. tot ongewenst vreemdeling is verklaard als bedoeld in artikel 67 van de Wet of tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Wet;</emphasis>
        </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; </emphasis>
        </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>En als lichte gronden<footnote-ref linkend="_1d4cdeef-aa78-4af3-9d6b-af3a33f1a08f" /> zijn in de maatregel vermeld dat eiser:</para>
    </parablock>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;</emphasis>
        </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;</emphasis>
        </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.</emphasis>
        </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para>5. Eiser betwist lichte grond 4e. Hiertoe voert hij aan dat het niet aan verweerder is om te bepalen of hij al dan niet schuldig is aan enig misdrijf, omdat dit aan het OM is. Verder is onduidelijk waarom het risico op onttrekking van het toezicht volgt uit het feit waarvoor hij is veroordeeld. </para>
    <para />
    <para>6. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling<footnote-ref linkend="_8e3eb17f-d411-4bbd-96dc-8c1fd68d3b41" /> volgt dat voor het opleggen van onder meer de zware gronden 3b en 3c alleen is vereist dat deze gronden feitelijk juist zijn en dat verweerder daarop – als dat het geval is – geen nadere toelichting hoeft te geven.<footnote-ref linkend="_6e90899a-dd6e-4c77-877e-2c4219ffc69f" /> De rechtbank is van oordeel dat verweerder in ieder geval terecht de zware gronden 3b en 3c aan de maatregel van bewaring ten grondslag heeft gelegd. Eiser is eerder op 25 september 2018 met onbekende bestemming vertrokken. Verder is aan eiser op 25 april 2014 een terugkeerbesluit uitgevaardigd en op 1 november 2025 een aanvullend terugkeerbesluit. Deze zware gronden zijn dan ook feitelijk juist en voldoende toegelicht om aan te nemen dat sprake is van een risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen. De overige gronden behoeven daarom geen bespreking.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Zicht op uitzetting</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>7. Tot slot voert eiser aan dat het zicht op uitzetting naar Marokko ontbreekt, omdat zijn LP<footnote-ref linkend="_a5aefd42-eda2-4a25-8c62-c72ee0fd62d1" /> inmiddels is verlopen.</para>
    <para />
    <para>8. Anders dan eiser stelt, is de rechtbank van oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ten aanzien van Marokko in het algemeen, of in het bijzonder van eiser, is komen te ontbreken. Voor eiser is inmiddels een nieuwe LP afgegeven, waarna een nieuwe vlucht is aangevraagd. Eiser zal op de door verweerder in het verweerschrift genoemde datum worden uitgezet naar Marokko.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ambtshalve toets</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>9. Verder leidt ook de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Conclusie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.</para>
    <para />
    <para>11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep ongegrond; en</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>wijst het verzoek om schadevergoeding af.<?linebreak?></para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan op 4 februari 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op <emphasis role="underline">www.rechtspraak.nl</emphasis>. </para>
      <para>De uitspraak is bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_e8210e50-e903-4da0-8514-03f6ff34e52e" label="1">
    <para> Op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_fc7b893f-32bb-4df3-a0b9-cfc3bf718719" label="2">
    <para> Rb Den Haag (zittingsplaats Roermond) 15 mei 2023, ECLI:NLRBDHA:2023:6969.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_62d30725-87f2-4157-88a7-34bb083598db" label="3">
    <para> Vreemdelingenbesluit 2000.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d645e17b-e39e-4983-be0f-fa6469bd8b34" label="4">
    <para> Proces-verbaal van gehoor van 22 januari 2026, p. 2 van 10.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1469dbfe-e2f2-4403-bed4-500c0e88eb8b" label="5">
    <para> Artikel 5.1b, derde lid, van het Vb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1d4cdeef-aa78-4af3-9d6b-af3a33f1a08f" label="6">
    <para> Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8e3eb17f-d411-4bbd-96dc-8c1fd68d3b41" label="7">
    <para> Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6e90899a-dd6e-4c77-877e-2c4219ffc69f" label="8">
    <para>ABRvS 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a5aefd42-eda2-4a25-8c62-c72ee0fd62d1" label="9">
    <para> Laissez-passer.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>