<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2026:15593</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-06-11T11:00:19</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-06-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-04-24</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL25.3463 en NL25.3464</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#mondelingeUitspraak">Mondelinge uitspraak</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorzieningbodemzaak">Voorlopige voorziening+bodemzaak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:15593">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:15593</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-06-10T14:58:16</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-06-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2026:15593 Rechtbank Den Haag , 24-04-2026 / NL25.3463 en NL25.3464</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2026:15593:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Mondelinge uitspraak. Het beroep is niet-ontvankelijk doordat de gemachtigde van eiser te laat beroep heeft ingesteld en daar geen verschoonbare reden voor heeft. Uit vaste rechtspraak volgt dat het handelen van een gemachtigde voor risico van eiser komt, tenzij er sprake is van een bijzondere omstandigheid. Van een bijzondere omstandigheid is niet gebleken.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2026:15593:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG </bridgehead>
    <para>
      <?linebreak?>Zittingsplaats Amsterdam</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummers: 	NL25.3463 (beroep) </para>
      <para>NL25.3464 (voorlopige voorziening)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>V-nummer:	[v-nummer]</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter op 16 april 2026 in de zaken tussen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiser], eiser/verzoeker, hierna: eiser,</bridgehead>
    <parablock>
      <para>geboren op [geboortedag] 2005, van Ghanese nationaliteit,</para>
      <para>(gemachtigde: mr. T. Mustafazade),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de minister van Asiel en Migratie, hierna: de minister,</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. M.K. Ruijzendaal).<?linebreak?></para>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop  </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep van eiser tegen de ongegrondverklaring van zijn bezwaar en het verzoek om een voorlopige voorziening. De rechtbank komt tot de conclusie dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat eiser te laat beroep heeft ingesteld en hier geen goede reden voor heeft. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft op 13 januari 2022 een mvv<footnote-ref linkend="_14fc37c3-f6e0-4549-82a0-dbb18698e91e" /> aangevraagd voor het verblijfsdoel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [referent] (hierna te noemen: referent)’. De minister heeft deze aanvraag op 20 juli 2023 afgewezen. Eiser is tegen dit besluit in bezwaar gegaan. Bij besluit van 27 november 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar ongegrond verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser is het daar niet mee eens en heeft op 23 januari 2025 beroep en gelijktijdig een verzoek om een voorlopige voorziening bij de rechtbank ingediend. De minister heeft daarop gereageerd met een verweerschrift.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep en het verzoek op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiser, referent en de gemachtigde van de minister deelgenomen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met inachtneming van artikel 8:67 van de Awb<footnote-ref linkend="_a1221728-c65b-4bd5-a569-df5be16b90ce" /> heeft de rechtbank onmiddellijk na sluiting van het onderzoek ter zitting mondeling uitspraak gedaan. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder NL25.3463:</para>
    </parablock>
    <para>- verklaart het beroep niet-ontvankelijk.</para>
    <para>De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder NL25.3464:</para>
    <para>- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Motivering </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Ten aanzien van het griffierecht  </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. Eiser heeft verzocht om te worden vrijgesteld van het betalen van griffierecht in zowel het beroep als het verzoek om een voorlopige voorziening. De rechtbank wijst deze verzoeken definitief toe. </para>
    <bridgehead role="underline">Ten aanzien van het beroep </bridgehead>
    <para />
    <para>2. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld om te beoordelen of het beroep ontvankelijk is, omdat het bestreden besluit dateert van 27 november 2024 en eiser op 23 januari 2025 beroep heeft ingesteld. </para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Het is niet in geschil dat het beroep te laat is ingediend. Eiser heeft aangevoerd dat hij een goede reden heeft voor het te laat indienen van het beroepschrift, omdat zijn voormalig advocaat pas op de laatste dag van de beroepstermijn hem op de hoogte stelde van de beslissing op bezwaar. Hij heeft toen van alles in het werk gesteld om alsnog beroep in te (laten) stellen, wat uiteindelijk is gebeurd door zijn huidige gemachtigde.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>De rechtbank ziet dat referent namens eiser van alles heeft gedaan om uiteindelijk toch nog beroep in te dienen. Dat valt referent en eiser ook te prijzen, maar helaas was de beroepstermijn toen al verstreken.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Gedurende de beroepstermijn werd eiser bijgestaan door een advocaat. Dat eiser geen advocaat had, omdat de advocaat zich op de laatste dag van de termijn heeft teruggetrokken, kan eiser niet helpen, omdat de rechtbank daarvan geen bewijs ziet in het dossier. Uit vaste rechtspraak volgt dat het handelen van een advocaat in beginsel voor het risico van eiser komt<footnote-ref linkend="_37898575-5d78-43a8-9f40-4eeb4f3d8c22" />. Een uitzondering hierop is wanneer er sprake is van heel bijzondere persoonlijke omstandigheden aan de kant van de advocaat zelf. Bijvoorbeeld als deze ernstig ziek wordt. Maar van heel bijzondere omstandigheden is niet gebleken. Dat eiser een tuchtklacht heeft ingediend, kan ook niet worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid. Eiser heeft dan ook geen goede reden voor het te laat indienen van zijn beroep.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank zal het beroep dan ook niet-ontvankelijk verklaren. Dat heeft als gevolg dat de rechtbank niet ingaat op de inhoud van de zaak.</para>
        <para>
          <emphasis role="underline">Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>3. Omdat met deze uitspraak op het beroep is beslist, bestaat voor de gevraagde voorlopige voorziening geen aanleiding meer. Het verzoek hiertoe wordt daarom afgewezen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>4. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 april 2026 door mr. C.A.R. Bleijendaal, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R. Hol, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De proces-verbaal is bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Informatie over hoger beroep</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw<footnote-ref linkend="_b301d5cd-0c62-45af-8f99-9eb4029c83c7" /> een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_14fc37c3-f6e0-4549-82a0-dbb18698e91e" label="1">
    <para> Machtiging tot voorlopig verblijf. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_a1221728-c65b-4bd5-a569-df5be16b90ce" label="2">
    <para> Algemene wet bestuursrecht.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_37898575-5d78-43a8-9f40-4eeb4f3d8c22" label="3">
    <para> De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3150, en 17 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6119. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_b301d5cd-0c62-45af-8f99-9eb4029c83c7" label="4">
    <para> Vreemdelingenwet 2000.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>