<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2026:1436</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-29T17:00:07</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-01-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-01-27</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL26.1250</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Arnhem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:1436">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:1436</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-29T09:27:22</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-01-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2026:1436 Rechtbank Den Haag , 27-01-2026 / NL26.1250</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2026:1436:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>bewaring, vervolgberoep, artikel 28, derde lid, van de Dublinverordening, voortvarendheid, zicht op overdracht, proportionaliteit maatregel van bewaring gezien eisers medische situatie, ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2026:1436:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Arnhem</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL26.1250</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 januari 2026 in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser], v-nummer: [nummer], eiser</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. E. Derksen),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de minister van Asiel en Migratie,</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. R.L.F. Zandbelt).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De minister heeft op 28 november 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft deze maatregel eerder getoetst. Op het eerste beroep is beslist bij uitspraak van 22 december 2025.<footnote-ref linkend="_f571d6a9-bb3f-4db8-9cfa-a42781c2527a" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 20 januari 2026 op zitting behandeld. De gemachtigde van eiser is, met bericht van verhindering, niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.<footnote-ref linkend="_402c69bd-2bfe-4614-8915-aa5f80dc6d26" /></para>
    <para />
    <para>2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 22 december 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 16 december 2025) rechtmatig is.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Kon eiser tot uiterlijk 9 januari 2026 in bewaring worden gehouden?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>3. Eiser betoogt dat sinds 28  november 2025 in bewaring zit en dat hij op grond van artikel 28, derde lid, van de Dublinverordening tot 9 januari 2026 in bewaring kon worden gehouden. </para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>De minister heeft op de zitting terecht toegelicht dat de termijn van zes weken die staat vermeld in artikel 28, derde lid, van de Dublinverordening, alleen geldt als de vreemdeling al in bewaring zit ten tijde van het claimakkoord, danwel de opschortende werking van een beroep is geëindigd.<footnote-ref linkend="_fa643651-d82b-4a55-a953-fc84639decc4" /> Dat is bij eiser niet het geval. De maximale duur in eisers situatie wordt bepaald door de eerste alinea van artikel 28, derde lid, van de Dublinverordening, namelijk dat de bewaring zo kort mogelijk duurt en niet langer dan de tijd die redelijkerwijs nodig is om de vereiste administratieve procedures zorgvuldig af te ronden totdat de overdracht is uitgevoerd. Een bewaringsduur van twee maanden kan gelet op de beoordelingsmarge van de lidstaten niet als noodzakelijkerwijze buitensporig worden beschouwd.<footnote-ref linkend="_177018f8-dcdb-43bd-b87f-d413ebc4d468" /> De termijn van twee maanden is in het geval van eiser nog niet verstreken. De beroepsgrond slaagt niet.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Werkt de minister voldoende voortvarend aan de uitzetting?</emphasis>
        </para>
        <para>4.	Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering, omdat de vlucht die gepland stond op 7 januari 2026 geannuleerd is en er nog geen nieuwe vluchtdatum bekend is. De annulering van de vlucht dient niet voor rekening en risico van eiser te komen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering uit Nederland. De reden hiervoor is dat de vliegtuigmaatschappij de vlucht heeft geannuleerd vanwege de slechte weersomstandigheden op die dag. Er was sprake van een overmachtssituatie. De minister heeft op de zitting toegelicht dat er inmiddels een nieuwe vlucht gepland staat op 26 januari 2026. Zeker in aanmerking genomen dat eiser op de vlucht begeleid zal worden door een psychiatrisch verpleegkundige en na aankomst in Kroatië aan een arts moet worden overgedragen, acht de rechtbank dat voldoende voortvarend. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Ontbreekt het zicht op overdracht aan Kroatië?</emphasis>
        </para>
        <para>5.	Eiser betoogt dat er geen redelijk vooruitzicht op overdracht aan Kroatië is, omdat niet bekend is aan welke arts eiser in dat land zal worden overgedragen. Daarmee is niet aan de reisvoorwaarden voldaan. Daarnaast betoogt eiser dat er nog een asielaanvraag loopt waar nog niet op is beslist. Ook dient er eerst een beoordeling van het arrest C.K.<footnote-ref linkend="_fe7c4021-b06c-4004-8243-6f21b68101fd" /> plaats te vinden.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>De beroepsgrond slaat niet. De minister heeft op 20 januari 2026 een nieuw voortgangsrapport aan het dossier toegevoegd waaruit blijkt dat eiser in Kroatië zal worden overgedragen aan een arts.<footnote-ref linkend="_4eb8cc43-9e88-4028-a38f-a07fa6b1046d" /> Dat de naam van deze arts niet bekend is maakt niet dat het zicht op overdracht aan Kroatië ontbreekt. Ook het feit dat er nog een asielprocedure loopt maakt niet dat het zicht op overdracht ontbreekt. Eiser mag de uitkomst van zijn asielaanvraag niet in Nederland afwachten. Dat nog geen beoordeling van het arrest C.K. zou hebben plaatsgevonden maakt ook niet dat er een procedurele belemmering bestaat om eiser over te dragen aan Kroatië, waarbij de rechtbank opmerkt dat het arrest C.K. in de verschillende procedures die eiser heeft gevoerd wel degelijk aan de orde is gekomen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Is de maatregel van bewaring disproportioneel gezien eisers medische situatie?</emphasis>
        </para>
        <para>6.	Eiser voert aan dat de voortduring van de bewaring niet proportioneel is gelet op het feit dat hij bekend is met ernstige psychische klachten en het feit dat hij een aanmerkelijk lange periode in een observatiecel heeft moeten doorbrengen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <para>De rechtbank heeft eisers medische situatie al eerder beoordeeld in haar uitspraak van 22 december 2025.<footnote-ref linkend="_24e73198-6581-4a6e-8d77-f264204e1cc1" /> In wat eiser nu aanvoert ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. Daarnaast kan eiser een klacht indienen bij het detentiecentrum als hij van mening is dat hij te lang in een observatiecel heeft doorgebracht. De beroepsgrond slaagt daarom niet.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?</emphasis>
        </para>
        <para>7.	Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet (langer) is voldaan.<footnote-ref linkend="_720c0848-942b-4190-81f8-9f9069b732ff" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>8.	Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para>- verklaart het beroep ongegrond;</para>
    <para>- wijst het verzoek om schadevergoeding af.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van mr. T.M.T. Brandsma, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.</para>
      <para />
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_f571d6a9-bb3f-4db8-9cfa-a42781c2527a" label="1">
    <para> Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 22 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:24763.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_402c69bd-2bfe-4614-8915-aa5f80dc6d26" label="2">
    <para> Op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_fa643651-d82b-4a55-a953-fc84639decc4" label="3">
    <para> Dit volgt uit ABRvS 14 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:735.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_177018f8-dcdb-43bd-b87f-d413ebc4d468" label="4">
    <para> ABRvS 14 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:735 en HvJEU 13 september 2017, ECLI:EU:C:2017:675 (<emphasis role="italic">Khir Amayry</emphasis>).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_fe7c4021-b06c-4004-8243-6f21b68101fd" label="5">
    <para> HvJEU 16 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:127 (<emphasis role="italic">C.K</emphasis>.).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4eb8cc43-9e88-4028-a38f-a07fa6b1046d" label="6">
    <para> M120 Voortgangsrapport mbt uitzetting, p. 6.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_24e73198-6581-4a6e-8d77-f264204e1cc1" label="7">
    <para> Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 22 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:24763, r.o. 3.1 en 3.2.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_720c0848-942b-4190-81f8-9f9069b732ff" label="8">
    <para> Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>