<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2026:1313</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-27T14:14:25</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-01-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-01-27</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL26.1686</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Middelburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:1313">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:1313</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-27T14:13:44</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-01-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2026:1313 Rechtbank Den Haag , 27-01-2026 / NL26.1686</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2026:1313:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bewaring – Artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a Vw. Grondslag ophouding – verblijf politiecel – vooringenomenheid – ongegrond</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2026:1313:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Middelburg</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL26.1686</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , eiserV-nummer: [V-nummer]</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. P.R.L.V.M. Kruik),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de minister van Asiel en Migratie, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: [gemachtigde] ).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 11 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 21 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser is bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1982 en de Poolse nationaliteit te hebben.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Grondslag van de ophouding</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Eiser voert aan dat hij op twee verschillende grondslagen is opgehouden. Zo volgt uit de M105b<footnote-ref linkend="_3c152d94-bc98-469d-9f04-96746b0d7285" /> dat eiser is staande gehouden op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw. omdat zijn identiteit niet onmiddellijk kon worden vastgesteld. Uit de M105a<footnote-ref linkend="_0630956d-5edf-45b4-aa1c-c5820aa8bf86" /> volgt dat eiser is opgehouden op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw, omdat zijn identiteit onmiddellijk kon worden vastgesteld en bleek dat eiser geen rechtmatig verblijf had. Dit is een gebrek in het voortraject, wat ertoe moet leiden dat er een belangenafweging plaatsvindt die in het voordeel van eiser moet uitvallen.<footnote-ref linkend="_945266b7-b491-4f05-9a69-7919aa836b8d" /><?linebreak?></para>
    <para>3. Verweerder heeft ter zitting de discrepantie in de M105b en M105a erkend en stelt zich op het standpunt dat ten aanzien van de grondslag van de ophouding sprake is van een verschrijving die als slordigheid dient te worden aangemerkt en niet als een gebrek in het voortraject. De grondslag zoals genoemd in de M105b betreft de eerstgenoemde en de juiste grondslag. <?linebreak?></para>
    <para>4. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser op de juiste grondslag staande gehouden en heeft verweerder in de M105b de juiste grondslag vermeld, namelijk artikel 50, tweede lid, van de Vw. Eiser voert terecht dat de M105a aangekruiste grondslag onjuist is. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een gebrek in het voortraject. Een gebrek in het voortraject maakt de bewaring echter pas onrechtmatig als daarmee gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van dat gebrek en de daardoor geschonden belangen. De te maken belangenafweging valt in dit geval in het voordeel van verweerder uit. Uit de overige onderdelen van de M105a blijkt immers wel voldoende dat eisers identiteit en nationaliteit niet onmiddellijk kon worden vastgesteld. Dit volgt uit de verschillende – in de M105a opgenomen – onderzoekshandelingen die zijn verricht ten behoeve van de vaststelling van eisers identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie. De rechtbank wijst verder op wat hierna wordt overwogen over de gronden van de maatregel en het daaruit voortvloeiende onttrekkingsrisico en het lichter middel. Verder is van belang dat eiser niet concreet heeft toegelicht op welke wijze hij in zijn belangen is geschaad. De maatregel van bewaring is dus niet onrechtmatig.</para>
    <para>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="italic">Vooringenomenheid </emphasis>
      <?linebreak?>
    </para>
    <para>5. Eiser voert aan dat in de melding vreemdelingenpiket van 10 januari 2026 al is aangekondigd dat hij ter uitzetting in bewaring wordt gesteld. Hiermee is sprake van vooringenomenheid, terwijl elke procedure individueel moet worden getoetst. <?linebreak?></para>
    <para>6. Verweerder stelt in dit kader dat sprake is geweest van het voornemen tot inbewaringstelling. In de M110 – voor aanvang van het gehoor – is door de ambtenaar aangegeven dat hij voornemens is om aan eiser een maatregel van bewaring op te leggen. Aan eiser is vervolgens duidelijk de ruimte geboden om zijn zienswijze daarop kenbaar te maken. De piketmelding waar door eiser naar wordt verwezen is door een ander persoon opgesteld dan de ambtenaar die het gehoor met eiser heeft afgenomen of de maatregel heeft opgelegd. Hieruit kan geen vooringenomenheid worden afgeleid. <?linebreak?></para>
    <para>7. De rechtbank ziet in de piketmelding van de AVIM met daarin de formulering “<emphasis role="italic">Betrokkene wordt ter uitzetting in bewaring gesteld</emphasis>” geen grond voor het oordeel dat al vóór het gehoor vaststond dat aan eiser de maatregel van bewaring zou worden opgelegd en dat er bij verweerder sprake is geweest van vooringenomenheid. De piketmelding is naar het oordeel van de rechtbank bedoeld om aan de Raad voor Rechtsbijstand kenbaar te maken in welke soort procedure de vreemdeling aanspraak kan maken op rechtsbijstand. Bovendien is de melding niet door dezelfde persoon gedaan als de persoon die de maatregel van de bewaring heeft opgelegd. In het licht van het voorgaande valt uit de gehanteerde bewoordingen in de piketmelding niet zonder meer af te leiden dat oplegging van de maatregel reeds bij voorbaat vaststond. De rechtbank ziet ook verder geen aanknopingspunten in het dossier voor vooringenomenheid.  <?linebreak?></para>
    <bridgehead role="italic">Verblijf in politiecel</bridgehead>
    <para />
    <para>8. Eiser voert aan dat hij langer dan de toegestane 24-uurstermijn in de politiecel heeft verbleven. Dit vereist directe opheffing van de maatregel, dan wel een belangenafweging die in het voordeel van eiser dient uit te vallen.  <?linebreak?></para>
    <para>9. Verweerder erkent ter zitting dat eiser langer dan 24 uur in de politiecel heeft verbleven, maar stelt zich op het standpunt dat dit een dermate korte overschrijding van de toegestane tijd betreft, dat de belangenafweging in het voordeel van verweerder moet uitvallen. <?linebreak?></para>
    <para>10. De rechtbank stelt vast dat aan eiser op 11 januari 2026 om 11:22 uur de maatregel van bewaring opgelegd. Uit het door verweerder opgestelde formulier externe bijzonderheden volgt dat eiser op 12 januari 2026 om 12:40 uur de politiecel heeft verlaten en door DV&amp;O<footnote-ref linkend="_06f8137b-a83c-4ffb-a4ff-62a17aeb4f58" /> is overgebracht naar het detentiecentrum in Rotterdam. Dit is niet binnen de vereiste 24 uur en leidt derhalve tot een onrechtmatige aanvankelijke tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring, zoals de Afdeling in haar uitspraak van 27 januari 2025<footnote-ref linkend="_4cbaafdf-68c3-4259-8574-697cdb37c32b" /> heeft geoordeeld. Eiser heeft daarom recht op een schadeloosstelling.<footnote-ref linkend="_2db3832d-b107-4046-9ddf-b313b84ab66e" /> De rechtbank overweegt daarbij dat de overschrijding niet betekent dat de maatregel zelf onrechtmatig is, maar enkel dat de wijze van tenuitvoerlegging aanvankelijk onrechtmatig was. Omdat sprake is van een overschrijding van de maximale verblijfsduur met bijna een uur, stelt de rechtbank de schadeloosstelling, naar de norm van € 40 per dag of gedeelte van een dag, vast op € 40.<footnote-ref linkend="_64613f98-b727-41ea-a1c3-bd63ed731098" /></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Maatregel van bewaring</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>11. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. </para>
    <para>Als zware gronden<footnote-ref linkend="_78519e9b-700d-4439-8942-4e2e2acd0bf5" /> zijn in de maatregel vermeld dat eiser: </para>
    <para />
    <para>- <emphasis role="italic">3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; </emphasis><?linebreak?>- <emphasis role="italic">3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; </emphasis><?linebreak?>- <emphasis role="italic">3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; </emphasis></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en als lichte gronden<footnote-ref linkend="_00f0666d-3ce1-4109-977b-eaa12d60d428" /> zijn in de maatregel vermeld dat eiser:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- <emphasis role="italic">4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; </emphasis><?linebreak?>- <emphasis role="italic">4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.</emphasis></para>
    <para />
    <para>12. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag liggen niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist zijn en voor zover nodig ook voldoende zijn toegelicht in de maatregel van bewaring. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen, zodat een risico op onttrekking daarmee is gegeven.<?linebreak?></para>
    <bridgehead role="italic">Lichter middel </bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>13. Eiser verzoekt de rechtbank om te oordelen dat kan worden volstaan met een lichter middel. Eiser heeft eerder verklaard klaar te zijn met het leven en er kan niet worden uitgesloten dat hij het in detentie niet goed heeft. <?linebreak?></para>
      <para>13. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend kon worden toegepast om het onttrekkingsrisico te ondervangen. Zo heeft verweerder er terecht op gewezen dat eiser al twaalf keer is uitgezet naar Polen en steeds na korte tijd weer terugkeert naar Nederland. Verweerder heeft in zijn motivering in maatregel van bewaring ook rekening gehouden met eisers medische problematiek. In dit kader heeft verweerder kunnen overwegen dat eiser zelf verklaart geen medische en psychische klachten te hebben. Verweerder heeft er verder terecht op gewezen dat eiser, indien nodig, ook in het detentiecentrum toegang heeft tot eventuele noodzakelijke medische zorg die gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Voorts heeft verweerder in de maatregel voldoende gemotiveerd dat in het geval van eiser niet is gebleken van detentieongeschiktheid. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>15. Ook overigens is er geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Conclusie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>16. Gelet op het voorgaande zal het beroep ongegrond worden verklaard. Voor het nadeel dat eiser heeft geleden door zijn te lange verblijf in de politiecel, heeft hij aanspraak op € 40 aan schadeloosstelling. <?linebreak?></para>
      <para>16. De rechtbank ziet gelet op genoemde gebreken aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para>- verklaart het beroep ongegrond;</para>
    <para>- veroordeelt verweerder om aan eiser bij wijze van schadeloosstelling € 40 te betalen; </para>
    <para>- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868. <?linebreak?></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan op 27 januari 2026 door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op <emphasis role="underline">www.rechtspraak.nl</emphasis>. </para>
      <para>De uitspraak is bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_3c152d94-bc98-469d-9f04-96746b0d7285" label="1">
    <para> Het proces-verbaal van staandehouding. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_0630956d-5edf-45b4-aa1c-c5820aa8bf86" label="2">
    <para> Het proces-verbaal van ophouding en onderzoek. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_945266b7-b491-4f05-9a69-7919aa836b8d" label="3">
    <para> Eiser verwijst in dit kader naar de uitspraak met het kenmerk: ECLI:NL:RBDHA:2025:25435 en de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:134 en van 14 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4662</para>
  </footnote>
  <footnote id="_06f8137b-a83c-4ffb-a4ff-62a17aeb4f58" label="4">
    <para> Dienst Vervoer en Ondersteuning. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_4cbaafdf-68c3-4259-8574-697cdb37c32b" label="5">
    <para> Met het kenmerk: ECLI:NL:RVS:2025:219.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2db3832d-b107-4046-9ddf-b313b84ab66e" label="6">
    <para> Als bedoeld in artikel 5, vijfde lid, van het EVRM in samenhang gelezen met artikel 94, zesde lid, van de Vw.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_64613f98-b727-41ea-a1c3-bd63ed731098" label="7">
    <para> Zie de uitspraak van de Afdeling van 27 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:219.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_78519e9b-700d-4439-8942-4e2e2acd0bf5" label="8">
    <para> Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_00f0666d-3ce1-4109-977b-eaa12d60d428" label="9">
    <para> Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>