<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:9987</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-06-06T13:31:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-06-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-06-06</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL25.7024</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Middelburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:9987">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:9987</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-06-06T13:30:08</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-06-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:9987 Rechtbank Den Haag , 06-06-2025 / NL25.7024</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:9987:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Beroep – opvolgende aanvraag – India – Sikh – Geen nieuwe, relevante feiten – beroep ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:9987:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG </emphasis>
      <?linebreak?>
    </para>
    <para>Zittingsplaats Middelburg </para>
    <para>
      <?linebreak?>Bestuursrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL25.7024</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser], eiser, V-nummer: [V-nummer 1],</bridgehead>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiseres],</emphasis> eiseres, V-nummer: [V-nummer 2], </para>
      <para>mede ten behoeve van de minderjarige kinderen:</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [kind 1], </emphasis>V-nummer: [V-nummer 3] en <emphasis role="bold">[kind 2], </emphasis>V-nummer: [V-nummer 4], </para>
      <para>hierna te noemen: eisers, </para>
      <para>(gemachtigde: mr. K. Mohasselzadeh),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder,</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. M.M. van Duren).</para>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <?linebreak?>Procesverloop <?linebreak?></title>
    <para>Bij besluit van 6 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de opvolgende asielaanvraag van eisers en hun minderjarige kinderen niet-ontvankelijk verklaard.<footnote-ref linkend="_14e5e1b6-60a8-430b-ac71-95dc933dcd21" /></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 5 juni 2025 op zitting behandeld in Breda. Eisers en hun gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Eisers zijn geboren op [datum 1] 1986 respectievelijk [datum 2] 1996, [datum 3] 2021 en [datum 4] 2022, en hebben allen de Indiase nationaliteit. Eisers hebben op 3 december 2020 hun eerste asielaanvraag ingediend in Nederland. Bij besluit van 14 april 2022 is de eerste asielaanvraag afgewezen als ongegrond.<footnote-ref linkend="_6b4a399b-eb3e-4556-b596-5ec728a24a37" /> Het beroep hiertegen is op 24 mei 2022 ongegrond verklaard.<footnote-ref linkend="_36aa2a9b-f06c-4640-a5cf-968a43becb54" /> Bij uitspraak van 22 december 2022 heeft de Afdeling<footnote-ref linkend="_b105216e-dfaf-42e6-9d0c-441228f3f025" /> het hoger beroep eveneens ongegrond verklaard.<footnote-ref linkend="_bc407d2e-725a-485f-bf70-30c5c3aba753" /> Op 30 januari 2024 hebben eisers een tweede asielaanvraag ingediend in Nederland. Deze aanvraag is bij besluit van 6 september 2024 niet-ontvankelijk verklaard. Het hiertegen ingestelde beroep is op 28 oktober 2024 ongegrond verklaard.<footnote-ref linkend="_ad7c616d-2490-4429-a3de-302e22a0bd54" /> Uit het bestreden besluit blijkt dat het daartegen ingestelde hoger beroep bij uitspraak van 27 november 2024 ongegrond is verklaard.</para>
    <para />
    <para>2. Op 4 december 2024 hebben eisers de huidige, opvolgende asielaanvraag ingediend. Zij hebben aan hun asielaanvraag het volgende ten grondslag gelegd. India wordt niet langer als veilig land van herkomst aangemerkt door verweerder. Deze beleidswijziging is van betekenis voor hun persoonlijke situatie. Ook is de positie van Sikhs verslechterd in India en vrezen zij bij terugkeer voor vervolging en mishandeling vanwege hun religieuze identiteit. Daarnaast zijn de autoriteiten van India mogelijk op de hoogte van hun asielaanvragen in Nederland, waardoor zij bij aankomst op de luchthaven in India risico lopen. Verder vrezen eisers dat hun minderjarige kinderen in India slachtoffer zullen worden van kinderarbeid en eiseres van seksueel geweld, waartegen de overheid geen bescherming biedt. </para>
    <para />
    <para>3. In het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eisers niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eisers geen nieuwe elementen of bevindingen hebben aangevoerd die relevant zijn voor de beoordeling van hun opvolgende aanvraag. Daarbij heeft verweerder overwogen dat de beleidswijziging waarbij India niet langer wordt aangemerkt als veilig land van herkomst, op zichzelf onvoldoende is om van een relevant nieuw element te spreken, nu dit hen in eerdere procedures niet is tegengeworpen en eisers niet hebben onderbouwd wat deze wijziging concreet voor hun persoonlijke situatie betekent. Ten aanzien van de aangevoerde verslechterde positie van  Sikhs in India meent verweerder dat deze stelling niet is onderbouwd en onvoldoende concreet is gemaakt. De enkele verwijzing naar algemene bronnen volstaat niet. Ook de stelling dat eisers bij aankomst in India risico lopen omdat zij eerder door de DT&amp;V<footnote-ref linkend="_b40d8bfa-3ba6-476b-8684-ab90c662b075" /> zijn gepresenteerd bij het Indiase consulaat, acht verweerder onvoldoende onderbouwd. De vrees voor kinderarbeid jegens de minderjarige kinderen en seksueel geweld jegens eiseres is volgens verweerder evenmin onderbouwd met individuele feiten of documenten. Deze risico’s zijn niet toegespitsts op de persoonlijke situatie van het gezin en zijn in het gehoor niet naar voren gekomen. Tot slot wijst verweerder erop dat de overige elementen, waaronder de eerdere problemen van eiser met de autoriteiten en de moord op eisers moeder, reeds in eerdere procedures zijn beoordeeld en dat eisers geen nieuwe onderbouwing hebben aangeleverd die aanleiding geeft om daar anders over te oordelen. </para>
    <para />
    <para>4. Eisers zijn het niet eens met het bestreden besluit en voeren daartegen het volgende aan. Verweerder heeft hun opvolgende asielaanvraag ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Eisers hebben nieuwe en relevante elementen aangevoerd die niet op voorhand als irrelevant konden worden beschouwd. In dat verband wijzen zij op de beleidswijziging waarbij India niet langer als veilig land van herkomst wordt aangemerkt. Volgens eisers heeft dit betekenis voor hun persoonlijke situatie, mede gezien het negatieve reisadvies voor hun herkomstregio en omdat zij behoren tot de Sikh-gemeenschap. Volgens eisers is de positie van Sikhs in India verslechterd. In dit kader verwijzen eisers naar openbare bronnen over het geweld tegen religieuze minderheden in India en het gebrek aan overheidsoptreden daartegen.<footnote-ref linkend="_8b47f1f1-49e8-49a8-a1fe-5dd82e4fcf8c" /> Daarnaast vrezen eisers dat de Indiase autoriteiten bij aankomst op de hoogte zullen zijn van hun asielaanvraag, mede vanwege een eerdere presentatie bij het consulaat. In de brief van 30 november 2024, die ten grondslag ligt aan hun opvolgende aanvraag, hebben zij voorts gewezen op het risico van kinderarbeid en seksueel geweld bij terugkeer voor hun minderjarige kinderen en eiseres, waartegen de overheid geen bescherming biedt. De risico’s kunnen niet met documenten worden onderbouwd, nu het om een toekomstige situatie gaat. Verder zijn eisers onvoldoende gehoord over hun opvolgende aanvraag. Zij wijzen erop slechts kort te zijn gehoord op 4 december 2024 in het kader van een voorgenomen uitzetting en niet naar aanleiding van de inhoud van een nieuwe asielaanvraag. Tot slot is in eerdere procedures geen rekening gehouden met de belangen van de kinderen, terwijl zij nu expliciet aandacht vragen voor hun veiligheid bij terugkeer. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank oordeelt als volgt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. Uit de brief van de Tweede Kamer van 1 maart 2024<footnote-ref linkend="_4cbc1b8b-c492-44c4-b721-56c1cb2b40f6" /> volgt dat het beleid ten aanzien van India als veilig land van herkomst is herbeoordeeld. Daarbij is geconcludeerd dat het beleid wordt voortgezet, met uitzondering van onder andere religieuze mindereden die vanwege hun achtergrond risico lopen. Niet in geschil is dat eisers tot een religieuze minderheid behoren en dat voor hen om die reden niet zonder meer van een veilig land van herkomst kan worden uitgegaan. Verweerder heeft terecht overwogen dat in eerdere procedures, met inachtneming van dit beleid, aan eisers ook niet India als veilig land van herkomst is tegengeworpen. De afwijzing van de eerste asielaanvraag van eisers berustte op een individuele beoordeling van hun asielrelaas, dat toentertijd niet geloofwaardig is geacht. In de huidige opvolgende aanvraag hebben eisers niet aannemelijk gemaakt dat de wijziging van het beleid gevolgen heeft voor hun persoonlijke situatie. Weliswaar kan India als gevolg van een uitspraak van het Hof van Justitie<footnote-ref linkend="_9a088e69-2441-4ba5-b31d-a5314bbeccaf" /> formeel niet meer als veilig land van herkomst worden gezien, maar eisers hebben niet onderbouwd dat sprake zou zijn van een wezenlijke wijziging in de veiligheidssituatie in hun herkomstgebied. Dat India in algemene zin niet langer als veilig land van herkomst wordt aangemerkt, betekent dus niet dat het eerdere inhoudelijke oordeel van verweerder over de door hen gestelde risico’s bij terugkeer geen stand meer kan houden. </para>
    <para />
    <para>6. Verweerder heeft voorts terecht overwogen dat het reisadvies van het Ministerie van Buitenlandse Zaken is bedoeld voor reizigers en niet voor de beoordeling van asielaanvragen. De enkele omstandigheid dat een negatief reisadvies geldt, betekent niet zonder meer dat sprake is van een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.<footnote-ref linkend="_50fc9f85-a413-4945-9e46-cc949a1af8c8" /></para>
    <para />
    <para>7. Uit het dossier blijkt dat op 4 december 2024 een gehoor heeft plaatsgevonden in het kader van artikel 3.1 van het Vreemdelingenbesluit 2000. Tijdens dit gehoor zijn eisers expliciet gevraagd naar de redenen voor hun opvolgende aanvraag. Eisers hebben verklaard te vrezen voor de verslechterde positie van Sikhs in India en voor problemen bij terugkeer vanwege hun religieuze achtergrond. Aan het eind van het gehoor hebben eisers aangegeven dat zij alles hebben kunnen vertellen.<footnote-ref linkend="_4a974aaf-8e2c-4bfa-879e-0c1d9940dfaf" /> Niet is gebleken dat verweerder ten onrechte heeft afgezien van een aanvullend gehoor. Eisers hebben daarnaast gebruikgemaakt van de mogelijkheid een zienswijze in te dienen, die bij de besluitvorming is betrokken. Ook het schrijven van de gemachtigde van eisers van 30 november 2024 is kenbaar in die besluitvorming betrokken. Gelet hierop is van een onzorgvuldige voorbereiding van het bestreden besluit geen sprake. </para>
    <para />
    <para>8. De door eisers overgelegde bron van het European Country of Origin Information Network, waarin melding wordt gemaakt van structureel falend overheidsoptreden ten aanzien van religieuze minderheden in India, schetst een algemeen beeld. Ook uit deze bron volgt niet dat eisers persoonlijk een verhoogd risico lopen bij terugkeer naar India. Verweerder heeft dan ook terecht overwogen dat, zonder verdere individualisering, geen sprake is van een nieuw of relevant element, te meer nu de persoonlijke situatie van eisers en de door hen gestelde problemen vanwege het behoren tot de Sikh-gemeenschap reeds in eerdere procedures is beoordeeld en eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat de situatie ten aanzien van hen is gewijzigd noch dat de situatie van de Sikhs in het algemeen is verslechterd. </para>
    <para />
    <para>9. Ten aanzien van de stellingen van eisers over de consulaire presentatie door de DT&amp;V, heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat bij een dergelijke presentatie geen inhoudelijke informatie wordt verstrekt over de aard van het verblijf hier te lande of de redenen van vertrek uit Nederland. Eisers hebben hun stellingen dat de Indiase autoriteiten uit de presentatie zouden hebben afgeleid dat zij asiel hebben aangevraagd, en dat dit tot negatieve gevolgen zou kunnen leiden bij terugkeer, niet onderbouwd. Verweerder heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat ook hierin geen nieuw of relevant element besloten ligt. </para>
    <para />
    <para>10. Wat betreft de aangevoerde risico’s voor de minderjarige kinderen van eisers en voor eiseres, overweegt de rechtbank dat het op de weg van eisers ligt om aannemelijk te maken dat sprake is van een reëel risico op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. In dit geval zijn de stellingen van eisers beperkt gebleven tot verwijzingen naar algemene bronnen, zonder dat de individuele omstandigheden van eisers zijn onderbouwd of enige documenten daartoe zijn overgelegd. Verder blijkt uit het bestreden besluit dat de belangen van de kinderen en eiseres zijn betrokken bij de beoordeling. Verweerder heeft in het bestreden besluit uitdrukkelijk stilgestaan bij de positie van eiseres en haar kinderen en gemotiveerd uiteengezet waarom de gestelde risico’s geen aanleiding vormen voor een ander oordeel. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat aan deze belangen onvoldoende aandacht is besteed. </para>
    <para />
    <para>11. Tot slot is reeds in het besluit van 14 april 2022, bevestigd in de uitspraak van 28 oktober 2024, geoordeeld dat het overlijden van eisers moeder niet in verband kan worden gebracht met hun persoonlijke situatie. In de uitspraak van 28 oktober 2024 is geoordeeld dat het gestelde verband is gebaseerd op vermoedens en niet met objectieve documenten is onderbouwd. Zo vermeldt de overlijdensakte van eisers moeder geen oorzaak van haar overlijden. Eisers hebben in de huidige procedure geen nieuwe, objectieve informatie overgelegd die tot een ander oordeel zou moeten leiden. De verwijzing naar algemene bronnen waarin wordt gesproken over falend overheidsoptreden is daarvoor onvoldoende. Verweerder heeft het eerdere oordeel dan ook terecht gehandhaafd. </para>
    <para />
    <para>12. Gelet op het vorengaande, in samenhang bezien, heeft verweerder terecht overwogen dat wat eisers in de onderhavige asielprocedure hebben aangevoerd geen relevante nieuwe elementen of bevindingen zijn voor de beoordeling van hun asielaanvraag. Verweerder heeft de asielaanvraag van eisers dan ook niet-ontvankelijk kunnen verklaren op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw. </para>
    <para />
    <para>13. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. </para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan op 6 juni 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op <emphasis role="underline">www.rechtspraak.nl</emphasis>. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Informatie over hoger beroep</emphasis>
      </para>
      <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_14e5e1b6-60a8-430b-ac71-95dc933dcd21" label="1">
    <para> Op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6b4a399b-eb3e-4556-b596-5ec728a24a37" label="2">
    <para> Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_36aa2a9b-f06c-4640-a5cf-968a43becb54" label="3">
    <para> Uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, ECLI:NL:RBAMS:2022:2890.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b105216e-dfaf-42e6-9d0c-441228f3f025" label="4">
    <para> Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_bc407d2e-725a-485f-bf70-30c5c3aba753" label="5">
    <para> ECLI:NL:RVS:2022:3846.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ad7c616d-2490-4429-a3de-302e22a0bd54" label="6">
    <para> Uitspraak van de rechtbank Den Haag, NL24.35644 en NL24.35646 (niet gepubliceerd).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b40d8bfa-3ba6-476b-8684-ab90c662b075" label="7">
    <para> Dienst Terugkeer en Vertrek.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8b47f1f1-49e8-49a8-a1fe-5dd82e4fcf8c" label="8">
    <para> Artikel van Vice van 2 mei 2023, “Sikhs over hoe het is als je cultuur en identiteit onder druk staan” en USDOS – US Department of State: “2023 Report on International Religious Freedom: India”, Document #2111881 - ecoi.net. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_4cbc1b8b-c492-44c4-b721-56c1cb2b40f6" label="9">
    <para> Kamerstuk 19637-3209.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9a088e69-2441-4ba5-b31d-a5314bbeccaf" label="10">
    <para> HvJ EU 4 oktober 2024, C-406/22</para>
  </footnote>
  <footnote id="_50fc9f85-a413-4945-9e46-cc949a1af8c8" label="11">
    <para> Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4a974aaf-8e2c-4bfa-879e-0c1d9940dfaf" label="12">
    <para> Rapport gehoor opvolgende aanvraag Artikel 3.1 Vb, pagina 4.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>