<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:9913</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-06-05T15:10:38</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-06-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-06-05</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL25.7073</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#mondelingeUitspraak">Mondelinge uitspraak</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#procesverbaal">Proces-verbaal</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Middelburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:9913">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:9913</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-06-05T15:09:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-06-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:9913 Rechtbank Den Haag , 05-06-2025 / NL25.7073</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:9913:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Mondelinge uitspraak – statushouder Duitsland – beroep ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:9913:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Middelburg</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL25.7073</para>
      <para>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="bold">proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser], eiser,</bridgehead>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [V-nummer],</para>
      <para>(gemachtigde: mr. W.A. Berghuis),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de minister van Asiel en Migratie, verweerder,</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. M.M. van Duren).</para>
    <para />
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 13 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 5 juni 2025 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para>
      <?linebreak?>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw<footnote-ref linkend="_bc2104dc-8a92-4bff-8038-34797a16d5bb" /> kan een asielaanvraag niet-ontvankelijk worden verklaard als de vreemdeling in een andere lidstaat van de Europese Unie internationale bescherming geniet.</para>
    <para />
    <para>2. Gelet op vaste rechtspraak van de Afdeling<footnote-ref linkend="_3e7ab750-148f-4ad2-9713-eacb03d2e050" /> mag verweerder in beginsel afgaan op informatie van een andere lidstaat, zoals een Eurodac-resultaat.<footnote-ref linkend="_148d91b9-3596-405a-a592-424c2cdd4858" /> Daarbij is van belang dat het tijdsverloop sinds het onderzoek in het Eurodac-systeem beperkt is. Verder moet uit de informatie duidelijk worden wat de verblijfsrechtelijke positie van de vreemdeling bij terugkeer is. Uit Eurodac blijkt dat eiser sinds 1 juni 2016 internationale bescherming geniet in Duitsland. Daarnaast blijkt uit de brief van 6 november 2024 dat door de Duitse autoriteiten is bevestigd dat deze bescherming nog steeds geldig is. Verweerder gaat er dan ook terecht van uit dat eiser internationale bescherming geniet in Duitsland. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling<footnote-ref linkend="_02aacf4c-fdfc-4ceb-ae9f-400c2c13b55a" /> volgt dat alleen al om die reden voldaan is aan de voorwaarde in artikel 3.106a, tweede lid, van het Vb<footnote-ref linkend="_4138d7d0-fbea-42ff-8d9a-dc77d2fe195e" /> dat sprake is van een zodanige band met Duitsland dat het voor eiser redelijk zou zijn om terug naar Duitsland te gaan.</para>
    <para />
    <para>3. Verweerder kan van dit uitgangspunt afwijken als sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden die tot een andere conclusie leiden. Uit artikel 3.106a, derde lid, van het Vb, volgt dat bij de beoordeling van een band als bedoeld in het tweede lid alle relevante feiten en omstandigheden moeten worden betrokken. Verweerder heeft uit de door eiser aangevoerde omstandigheden geen band met Nederland hoeven afleiden. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Banden met Nederland en onderzoeksplicht verweerder</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Eiser stelt dat hij is geworteld in Nederland, nu hij hier al meer dan acht jaar verblijft, werkt en een netwerk van familie en vrienden heeft. Hij heeft veel sterkere banden met Nederland dan met Duitsland. Dat er vrij verkeer is tussen Duitsland en Nederland is niet relevant. </para>
    <para />
    <para>5. Daargelaten dat eiser deze banden met Nederland niet heeft onderbouwd, heeft eiser de gestelde banden opgebouwd tijdens zijn illegaal verblijf in Nederland. Dat hij tijdens deze jaren van onrechtmatig verblijf heeft gewerkt en zijn netwerk heeft opgebouwd, maakt niet dat hij daardoor een sterke band met Nederland heeft. Daarnaast stelt verweerder terecht dat eiser, gelet op het vrije verkeer, op en neer kan reizen tussen Duitsland en Nederland om zijn familie te kunnen blijven zien. </para>
    <para />
    <para>6. Eiser stelt verder dat er al acht jaar geen gebruik is gemaakt van zijn Duitse status. Verweerder had moeten uitzoeken op grond waarvan eiser verblijfsrecht heeft in Duitsland.</para>
    <para />
    <para>7. Zoals blijkt uit het schrijven van 6 november 2024  heeft eiser nog steeds een beschermde status in Duitsland. Nader onderzoek is dan ook niet noodzakelijk gebleken.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Risico op terugsturen naar Eritrea</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>8. Voor zover eiser heeft gesteld dat mogelijk sprake zal zijn van risico op indirect refoulement, is de rechtbank van oordeel dat hij geenszins heeft onderbouwd dat de Duitse autoriteiten de aan eiser verleende bescherming zullen intrekken en hij een mogelijk risico op indirect refoulement loopt. Daarvoor biedt het schrijven van 6 november 2024 geen enkel aanknopingspunt. Ook op dit punt is er dus geen aanleiding voor verweerder om zelf nog (aanvullend) onderzoek te doen bij de Duitse autoriteiten. Verweerder mag in zijn algemeenheid uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Duitsland. Gelet hierop mag verweerder ervan uitgaan dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen zal nakomen jegens statushouders. Het ligt op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval anders is, en dat heeft hij niet gedaan.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Voortvarend handelen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>9. Eiser stelt tot slot dat verweerder niet voortvarend heeft gehandeld. Acht maanden geleden heeft eiser zijn asielaanvraag ingediend en werd bekend dat hij een  status zou hebben in Duitsland, echter is eiser hierover pas op 6 februari 2025 gehoord. </para>
    <para />
    <para>10. Eiser heeft op 26 juni 2024 een asielaanvraag ingediend. Op basis van het Eurodac-resultaat van diezelfde dag is er eerst onderzoek verricht naar de verblijfstatus van eiser in Italië. Op 6 november 2024 is het resultaat van het Eurodac onderzoek Duitsland bekend geworden, waarover eiser op 6 februari 2025 is gehoord en waarna op 11 februari 2025 een voornemen is uitgebracht en op 13 februari 2025 het bestreden besluit is genomen. Gelet op dit procesverloop is de rechtbank van oordeel dat er door verweerder niet onredelijk laat is gehandeld. Het is ook eiser zelf geweest die zich jarenlang aan het toezicht heeft onttrokken.</para>
    <para />
    <para>11. De aanvraag is terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.</para>
    <para />
    <para>12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en het proces-verbaal daarvan is</para>
      <para>openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op <emphasis role="underline">www.rechtspraak.nl</emphasis>. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.  </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_bc2104dc-8a92-4bff-8038-34797a16d5bb" label="1">
    <para> Vreemdelingenwet 2000.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3e7ab750-148f-4ad2-9713-eacb03d2e050" label="2">
    <para> Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_148d91b9-3596-405a-a592-424c2cdd4858" label="3">
    <para> Zoals de uitspraak van 1 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2441.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_02aacf4c-fdfc-4ceb-ae9f-400c2c13b55a" label="4">
    <para> Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2020:2895 of ECLI:NL:RVS:2019:442.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4138d7d0-fbea-42ff-8d9a-dc77d2fe195e" label="5">
    <para> Vreemdelingenbesluit 2000.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>