<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:9763</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-06-03T15:48:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-06-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-05-28</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL25.21623</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:9763">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:9763</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-06-03T15:46:32</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-06-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:9763 Rechtbank Den Haag , 28-05-2025 / NL25.21623</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:9763:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bewaring, vervolgberoep, voortvarendheid, ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:9763:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Rotterdam</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL25.21623</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [naam eiser] , eiser</bridgehead>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [V-nummer]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. H. Palanciyan),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de minister van Asiel en Migratie, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. B. Pattiata).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het voortduren van de aan hem opgelegde maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en het verzoek om schadevergoeding. Deze maatregel is opgelegd op 4 april 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring eerder getoetst. Op het eerste beroep is beslist in de uitspraak van 17 april 2025.<footnote-ref linkend="_0c88c1ab-0eae-4c1f-a09d-168e2c7a7e02" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een voortgangsrapportage overlegd. Eiser heeft hierop gereageerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 21 mei 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. A.D. Kupelian, als waarnemer van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 17 april 2025 (in de zaak NL25.16211) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 14 april 2025) rechtmatig is.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Werkt verweerder voldoende voortvarend aan de uitzetting?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Eiser betoogt dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Eiser is op 4 april 2025 in bewaring gesteld, maar verweerder heeft pas op 11 april 2025 een verzoek tot een lp-aanvraag naar de Dienst Internationale Aangelegenheden (DIA) verstuurd. Daarnaast blijkt uit de voortgangsrapportage dat de DIA op 17 april 2025 heeft besloten geen lp-aanvraag bij de Vietnamese autoriteiten in te dienen, omdat de eerdere lp-aanvraag ook geen resultaat heeft opgeleverd. Aangezien eiser eerder in vreemdelingenbewaring heeft gezeten en zijn gegevens dus bekend zijn bij verweerder, begrijpt eiser niet waarom dit proces twee weken heeft geduurd. Ook had verweerder de lp-aanvraag naar het Vietnamees moeten vertalen. Doordat verweerder uiteindelijk geen lp-aanvraag bij de Vietnamese autoriteiten heeft ingediend, heeft hij in wezen niets ondernomen. Gelet op het voorgaande betoogt eiser dat de gevoerde vertrekgesprekken dan ook geen enkele toegevoegde waarde hebben.</para>
    <para />
    <para>3. De rechtbank stelt voorop dat zij de voortvarendheid toetst vanaf het moment van het sluiten van het vorige onderzoek (op 14 april 2025). De rechtbank komt dan ook niet toe aan de vraag of verweerder het verzoek tot een lp-aanvraag eerder dan 11 april 2025 naar de DIA had moeten sturen en de vraag of deze naar het Vietnamees vertaald had moeten worden. Uit de voortgangsrapportage van 12 mei 2025 blijkt dat de DIA geen (nieuwe) lp-aanvraag heeft ingediend bij de Vietnamese autoriteiten, omdat zij in 2023 hebben aangegeven niet zonder nadere informatie de nationaliteit van eiser te kunnen bevestigen. In plaats daarvan - zo staat in de voortgangsrapportage onder het kopje ‘13. Opmerkingen/bijzonderheden’ aangegeven - zal verweerder vaker met eiser vertrekgesprekken voeren om aan meer informatie te komen. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat verweerder op 22 april 2025 en 8 mei 2025 een vertrekgesprek met eiser heeft gevoerd. Naar het oordeel van de rechtbank werkt verweerder hiermee voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser. Dat op 17 april 2025 is besloten geen nieuwe lp-aanvraag in te dienen, betekent niet dat verweerder niet voortvarend handelt. In weerwil van wat eiser betoogt, is een vertrekgesprek aan te merken als een handeling die van directe betekenis is voor de uitzetting van een vreemdeling. De rechtbank ziet niet in waarom dit in het geval van eiser anders zou zijn, temeer nu er weinig informatie over eiser beschikbaar is en verweerder juist door middel van vertrekgesprekken meer informatie probeert te verkrijgen. Tot slot betrekt de rechtbank ook dat eiser zich onvoldoende inspant om zijn identiteit en nationaliteit vast te (helpen) stellen. Dat eiser aangeeft geen contacten in Vietnam te hebben en te zijn opgegroeid in een weeshuis, doet er niet aan af dat van hem mag worden verwacht dat hij inspanningen levert die kunnen bijdragen aan de vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit. Dat eiser - zoals blijkt uit het verslag van het vertrekgesprek van 8 mei 2025 - (tevergeefs) naar informatie over zichzelf op het internet heeft gezocht, is onvoldoende. De beroepsgrond slaagt niet.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat niet is voldaan aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel.<footnote-ref linkend="_cc11ce42-7a6f-4589-b19b-a7a9d0ee14e4" /></para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.	Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep ongegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>wijst het verzoek om schadevergoeding af.<?linebreak?></para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Boesman, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.</para>
      <para>De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_0c88c1ab-0eae-4c1f-a09d-168e2c7a7e02" label="1">
    <para> Rechtbank Den Haag (zittingsplaats Utrecht) 17 april 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:9074. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_cc11ce42-7a6f-4589-b19b-a7a9d0ee14e4" label="2">
    <para> Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>