<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:9426</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-09-19T08:29:44</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-05-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-05-02</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">I. C/09/665767 / JE RK 24-852 II. C/09/682052 / JE RK 25-471</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_personenEnFamilierecht">Civiel recht; Personen- en familierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:9426">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:9426</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-06-02T14:55:06</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-09-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:9426 Rechtbank Den Haag , 02-05-2025 / I. C/09/665767 / JE RK 24-852 II. C/09/682052 / JE RK 25-471</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:9426:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Beschikking van de kinderrechter. I. Gedeeltelijke toewijzing en gedeeltelijke afwijzing verlenging machtiging tot uithuisplaatsing; II. Afwijzing bekrachtiging schriftelijke aanwijzing.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:9426:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Jeugd- en Zorgrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummers: </para>
      <para>I. C/09/665767 / JE RK 24-852</para>
      <para>II. C/09/682052 / JE RK 25-471</para>
      <para>Datum uitspraak: 2 mei 2025</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Beschikking van de kinderrechter </emphasis>
      </para>
      <para>I. <emphasis role="bold">Gedeeltelijke toewijzing en gedeeltelijke afwijzing verlenging machtiging tot uithuisplaatsing</emphasis></para>
      <para>II. <emphasis role="bold">Afwijzing bekrachtiging schriftelijke aanwijzing</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering</emphasis>, </para>
      <para>hierna te noemen: de gecertificeerde instelling, </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>over</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [minderjarige 1]
        </emphasis>, geboren op [geboortedatum 1] 2015 in [geboorteplaats] ,</para>
      <para>hierna te noemen: [minderjarige 1] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [minderjarige 2]
        </emphasis>, geboren op [geboortedatum 2] 2017 in [geboorteplaats] ,</para>
      <para>hierna te noemen: [minderjarige 2] ,</para>
      <para>hierna gezamenlijk ook te noemen: de kinderen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [de moeder]
        </emphasis>,</para>
      <para>hierna te noemen: de moeder,</para>
      <para>wonende in [woonplaats] ,</para>
      <para>advocaat: mr. T.Y. Tsang te Den Haag,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [de vader]
        </emphasis>,</para>
      <para>hierna te noemen: de vader,</para>
      <para>wonende in [woonplaats] ,</para>
      <para>advocaat: mr. W.N. Sardjoe te Den Haag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [de pleegvader]
        </emphasis>,</para>
      <para>hierna te noemen: de pleegvader</para>
      <para>en</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [de pleegmoeder]
        </emphasis>,</para>
      <para>hierna te noemen: de pleegmoeder, </para>
      <para>hierna gezamenlijk ook te noemen: de pleegouders,</para>
      <para>wonende op een bij de rechtbank bekend adres.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het verdere verloop van de procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Bij beschikking van 20 december 2024 heeft de kinderrechter in deze rechtbank de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 13 mei 2025. De behandeling van het verzoek is voor het overige aangehouden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <parablock>
        <para>De kinderrechter neemt nu ook de volgende stukken mee in de beoordeling: </para>
        <para>- de voornoemde beschikking van 20 december 2024 met de daarin genoemde stukken;</para>
        <para>- de schriftelijke update met bijlagen van de gecertificeerde instelling van <?linebreak?>13 maart 2025;</para>
        <para>- verzoekschrift II met bijlagen, ontvangen op 20 maart 2025;</para>
        <para>- de brief met bijlage van de pleegouders van 28 april 2025.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Op 1 mei 2025 heeft op de zitting van de kinderrechter in deze rechtbank (de voortzetting van) de mondelinge behandeling van de verzoeken plaatsgevonden, gelijktijdig met de behandeling van het verzoek van de vader tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van (<emphasis role="italic">C/09/682366 FA RK 25-2199</emphasis>). Op laatstgenoemd verzoek is bij afzonderlijke beschikking beslist. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 1 mei 2025. Daarbij waren aanwezig:</para>
      <para>- de vader met zijn advocaat;</para>
      <para>- de moeder met haar advocaat;</para>
      <para>- de pleegouders;</para>
      <para>- [naam] namens de gecertificeerde instelling.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>De gecertificeerde instelling heeft de vader op 5 maart 2025 een schriftelijke aanwijzing gegeven met de volgende inhoud:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming &amp; Jeugdreclassering geeft de volgende aanwijzing(en):</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het lukt u niet aan het hulpverleningstraject, de bodemeisen en de veiligheidsafspraken te</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">houden. In het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is het belangrijk dat u uw verantwoordelijkheid</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">pakt als ouder met gezag. Als u uw verantwoordelijkheid niet pakt, kan de veiligheid van</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">
            [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet gewaarborgd worden. Indien u besluit zich niet aan deze aanwijzing(en) te houden, zijn wij genoodzaakt om de omgang tussen u en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (tijdelijk) stop te zetten.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Voor de overige feiten verwijst de kinderrechter naar de beschikking van <?linebreak?>9 juli 2024.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>De verzoeken</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Verzoek I - verlenging machtiging tot uithuisplaatsing</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>De gecertificeerde instelling verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de resterende duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] groeien nog steeds op in een emotioneel onveilige opvoedsituatie die zich kenmerkt door een patroon van conflicten tussen de vader en de moeder. De vader en de moeder zijn onvoldoende in staat om op een constructieve en effectieve wijze samen te werken in het belang van de kinderen. Hierdoor worden de kinderen belast met volwassenproblematiek en bevinden zij zich in een loyaliteitsconflict. Dit heeft tot gevolg dat de kinderen wisselende antwoorden geven op de vraag bij wie zij willen wonen. Ondersteuning vanuit het netwerk is onvoldoende om deze belemmeringen weg te nemen, omdat de communicatie tussen de vader, de moeder en de pleegouders nog steeds erg moeizaam verloopt. Het is nog niet gelukt om hiervoor hulpverlening in te zetten. Ook heeft de vader geweigerd om bij het multidisciplinair overleg aanwezig te zijn. <?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Het perspectiefonderzoek bij de vader is afgerond met een positief advies. De gecertificeerde instelling kan zich echter niet in de uitslag van dit onderzoek vinden en heeft hierover kritische vragen aan de perspectiefonderzoeker van William Schrikker Gezinsvormen (WSGV) gesteld. Daarnaast is de gecertificeerde instelling van mening dat een nieuw perspectiefonderzoek moet plaatsvinden, waarin ook de partner van de vader wordt meegenomen. Gelet op de zwangerschap van de partner van vader, moet er zicht komen op de wijze waarop de vader de zorg voor vier kinderen gaat dragen. De gecertificeerde instelling heeft ook zorgen over het alcohol- en middelengebruik van de vader en heeft hem gezegd dat hij een behandeltraject bij Brijder moet volgen en afronden, zodat beoordeeld kan worden of de kinderen op een veilige wijze kunnen opgroeien bij de vader. De vader weigert dit. In verband met de uitvoering van de tijdelijke zorgregeling die bij beschikking van 20 december 2024 is vastgesteld, heeft de gecertificeerde instelling de vader gevraagd een bloedtest af te laten nemen om zicht te krijgen op zijn alcohol- en middelengebruik. De vader heeft deze test ook geweigerd. Ook is hij de tijdelijke zorgregeling niet nagekomen. De gecertificeerde instelling heeft verder onvoldoende zicht op de opvoedvaardigheden van de vader, waardoor de veiligheid van de kinderen bij een terugplaatsing bij de vader niet gewaarborgd kan worden. De school van [minderjarige 1] heeft zorgen geuit over de vermoeidheid van [minderjarige 1] wanneer zij bij de vader verblijft. Ook heeft [minderjarige 1] verteld dat de vader soms verdrietig wordt, schreeuwt en met blikjes gooit. Er is opvoedondersteuning voor de thuissituatie aangevraagd, maar zowel Family Supporters als Humanitas hebben aangegeven de situatie te complex te vinden. Houvast heeft aangegeven geen opvoedondersteuning te kunnen bieden, omdat de kinderen niet bij de vader wonen. Daarnaast wil de gecertificeerde instelling dat de vader een behandeltraject volgt om zijn belaste verleden te verwerken. De vader geeft aan dat hij een intake bij een psycholoog heeft gehad, maar geeft geen inzicht in de stand van zaken rondom zijn aanmelding. Daarnaast krijgt de gecertificeerde instelling signalen dat de vader de pleegouders buitenspel probeert te zetten en dat hij probeert het eenhoofdig gezag te verkrijgen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para> WSGV heeft laten weten dat zij geen perspectiefonderzoek bij de moeder zullen uitvoeren, vanwege de onrust die is ontstaan naar aanleiding van het perspectiefonderzoek bij de vader. De gecertificeerde instelling heeft desgevraagd aangegeven dat, ook indien er geen zorgen over de thuissituatie bij de vader zouden zijn, een terugplaatsing bij de vader niet aan de orde is, omdat daarvoor eerst de uitkomsten van het perspectiefonderzoek bij de moeder moeten worden afgewacht. De gecertificeerde instelling zal op zoek gaan naar een andere organisatie die het perspectiefonderzoek bij de moeder kan uitvoeren. Het is op dit moment echter onduidelijk of, en zo ja, op welke termijn dat gaat lukken.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Verzoek II - bekrachtiging schriftelijke aanwijzing</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>De gecertificeerde instelling heeft bekrachtiging van voornoemde schriftelijke aanwijzing verzocht. Ook wordt verzocht de vader te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 250,- voor iedere dag dat de vader de aanwijzing niet opvolgt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>De gecertificeerde instelling heeft dit verzoek als volgt gemotiveerd. Op <?linebreak?>25 februari 2025 heeft de gecertificeerde instelling een aankondiging van de schriftelijke aanwijzing aan de vader verstuurd. Daarin is opgenomen dat de vader moet meewerken met de veiligheidsafspraken, de bodemeisen, de omgangsregeling en het hulpverleningstraject om de veiligheid van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te waarborgen. Daarnaast wordt naar aanleiding van het perspectiefonderzoek bij de vader de reguliere zorgregeling gewijzigd. De vader heeft zich niet aan de afspraken gehouden. Op 4 maart 2025 heeft de gecertificeerde instelling contact opgenomen met de vader om te vragen of de kinderen op 3 maart 2025 bij zijn partner hebben geslapen. De vader heeft dit in eerste instantie ontkend, maar dit, nadat de gecertificeerde instelling aangaf dit bij de kinderen te zullen navragen, toch toegegeven. Ter zitting heeft de gecertificeerde instelling aangegeven dat het contact tussen de vader en de kinderen is stopgezet. De vader moet nu contact opnemen zodat het contact weer kan worden opgestart, maar tot op heden heeft de vader dit niet gedaan.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>De standpunten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Door en namens de moeder is geen verweer gevoerd tegen het verzochte. Zij deelt de visie van de gecertificeerde instelling dat de uitkomsten van het perspectiefonderzoek onvoldoende onderbouwd zijn. De moeder heeft al langere tijd zorgen over de opvoedsituatie bij de vader. Zij heeft naar voren gebracht dat de partner van de vader de kinderen terroriseert. De moeder wil dat de kinderen bij de pleegouders blijven wonen, totdat er meer zicht is op het alcohol- en middelengebruik van de vader. Ook zal hij een traject bij Brijder moeten volgen. De moeder vreest dat zij de kinderen niet meer zal zien als zij bij de vader wonen. Daarnaast heeft de moeder naar voren gebracht dat de vader kwetsende opmerkingen naar haar heeft gemaakt. Ten slotte stelt de moeder dat de vader de pleegouders heeft uitgescholden in het bijzijn van de kinderen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>De pleegouders hebben geen verweer gevoerd tegen het verzochte. Zij hebben naar voren gebracht dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zich bij hen goed ontwikkelen. [minderjarige 1] heeft geen taalondersteuning meer nodig, waardoor de kinderen inmiddels naar dezelfde school gaan. De kinderen bouwen een sociaal netwerk op in de woonomgeving van de pleegouders. De pleegouders hebben wel zorgen over de sociaal-emotionele ontwikkeling van de kinderen. Zij hebben in het perspectiefonderzoek bij de vader weliswaar gezegd dat zij dol op hem zijn en daar graag willen wonen, maar zij kregen na het onderzoek wel nachtmerries. De pleegouders hopen dat de kinderen zich op den duur makkelijk tussen de pleegouders, de vader en de moeder zullen kunnen bewegen. De pleegouders vinden daarom niet dat de keuze voor hun woonadres zo zwaar hoeft te wegen. De pleegouders hebben daarnaast benadrukt dat het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is dat zij voor een langere periode weten waar zij zullen opgroeien. Verder hebben de pleegouders naar voren gebracht dat bij het perspectiefonderzoek bij de vader hun rechten als pleegouders ernstig geschonden zijn. Daarom hebben zij een klacht ingediend bij WSGV en hebben zij aangifte van laster gedaan bij de politie. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Door en namens de vader is verweer gevoerd tegen het verzochte. Het doel van een uithuisplaatsing moet zijn om ouders en kinderen zo snel mogelijk weer te herenigen. Uit het perspectiefonderzoek blijkt dat dit mogelijk is. De stellingen die de gecertificeerde instelling inneemt, worden niet onderbouwd door verifieerbare gegevens. Uit conclusie 4 van het perspectiefonderzoek blijkt dat de wens van de kinderen om bij de vader te wonen structureel en consistent is. Zij zijn zowel op het adres van de vader als op het adres van de pleegouders apart van elkaar gesproken door de perspectiefonderzoeker en tijdens elk van die gesprekken hebben zij aangegeven bij de vader te willen wonen. Verder heeft de advocaat naar voren gebracht dat de nieuwe partner van de vader en haar zoontje wel degelijk zijn betrokken bij het perspectiefonderzoek. Daaruit is gebleken dat de partner van de vader een goede invloed heeft. De vader ontkent overigens dat hij het contact met de moeder en de pleegouders niet zou willen stimuleren. In het verslag van het perspectiefonderzoek wordt ook beschreven dat de vader het belangrijk vindt dat de kinderen altijd contact houden met hun grootouders (pleegouders) en hun moeder. De vader heeft benadrukt dat hij de pleegouders en de moeder niet wil buitensluiten. De communicatie met de moeder blijft een uitdaging, maar de vader is bereid hierin te investeren. Verder heeft de vader van Family Supporters begrepen dat zij wel hulpverlening kunnen bieden als de kinderen bij hem geplaatst worden. De vader stelt dat sinds de huidige jeugdbeschermer betrokken is geen enkele vorm van hulpverlening heeft kunnen starten. Doordat de jeugdbeschermer vindt dat de vader verslavingszorg nodig heeft, geven hulpverleningsinstanties aan dat zij niet de geschikte partij zijn om mee in zee te gaan. De vader ontkent echter dat bij hem sprake is van verslavingsproblematiek. Hij drinkt af en toe een biertje, maar er is geen sprake van overmatig gebruik. De gecertificeerde instelling heeft gesteld dat de vader zich in 2023 heeft onttrokken aan de hulpverlening van Brijder. In de e-mail van 13 januari 2025 van de perspectiefonderzoeker benadrukt zij echter dat de vader dit traject destijds heeft afgesloten met instemming van de jeugdbeschermer. Op dat moment is afgesproken dat alcohol- en middelengebruik binnen de grenzen van de maatschappelijke maatstaven geaccepteerd zou worden. Ook staat in deze e-mail dat er op dit moment geen aanwijzingen of signalen zijn dat de vader in het bijzijn van de kinderen onder invloed is. De perspectiefonderzoeker stelt wel dat een behandeling gericht op de verwerking van het belaste verleden van de vader meerwaarde kan hebben: de kans op een terugval in middelengebruik zou zo kunnen worden voorkomen. De vader heeft ter zitting naar voren gebracht dat hij is aangemeld voor een traumatraject bij een psycholoog. De verwachting is dat binnen twee weken een intakegesprek kan plaatsvinden. <?linebreak?>Samengevat kan worden gesteld dat er grote tegenstrijdigheden tussen het de uitkomsten van het perspectiefonderzoek en de visie van de jeugdbeschermer zijn. De jeugdbeschermer werkt het proces tegen. Hierdoor wordt verdeeldheid gezaaid. Ten slotte is het verdrietig dat de vader de kinderen al een aantal weken niet heeft gezien, omdat de zorgregeling is stopgezet. Gelet op het bovenstaande moet afwijzing van de verzoeken volgen.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>5</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Verzoekschrift I - verlenging machtiging tot uithuisplaatsing</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>Een uithuisplaatsing moet in het belang van de opvoeding en verzorging van de minderjarige noodzakelijk zijn (artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek). De kinderrechter is van oordeel dat van de noodzaak van een uithuisplaatsing voor de duur van de ondertoezichtstelling onvoldoende is gebleken en overweegt hiertoe als volgt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>
        [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn in juli 2023 uithuisgeplaatst en verblijven sindsdien bij de pleegouders. In het kader van het onderzoek naar de mogelijkheden van plaatsing van de kinderen bij de vader heeft WSGV in de afgelopen maanden bij de vader een perspectiefonderzoek uitgevoerd. De uitkomst daarvan is positief: WSGV geeft de gecertificeerde instelling het advies te beslissen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] opgroeien bij de vader. De gecertificeerde instelling plaatst echter kanttekeningen bij de uitkomsten van het onderzoek en heeft aangegeven dit advies niet te zullen volgen, hetgeen heeft geleid tot het onderhavige verzoek om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de pleegouders te laten voortduren. De kinderrechter overweegt dat William Schrikker Gezinsvormen (WSGV) een onafhankelijke en op dit specifieke terrein deskundige organisatie is. WSGV heeft gedurende een periode van circa acht maanden uitvoerig onderzoek gedaan naar de veiligheid van de opvoedsituatie bij de vader thuis en de opvoedvaardigheden van de vader. In dat kader heeft WSGV, naast de ouders, ook de partner en de zus van de vader, de pleegouders, de pleegzorgwerker en de leerkrachten van de kinderen (één of meerdere keren) gesproken. Ook de kinderen zijn in het kader dit onderzoek meermaals gesproken. Gelet hierop is de kinderrechter van oordeel dat sprake is geweest van een zorgvuldig en degelijk uitgevoerd onderzoek. Zij ziet in de stellingen van de gecertificeerde instelling, bezien tegen de achtergrond van de overige informatie uit het dossier, dan ook onvoldoende aanleiding om te twijfelen aan de uitkomsten van dit onderzoek. Dat betekent dat de kinderrechter bij de verdere beoordeling de uitkomsten van dit onderzoek tot uitgangspunt zal nemen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>Uit het verslag van het perspectiefonderzoek volgt dat de vader aan de door de gecertificeerde instelling gestelde bodemeisen ((i) veiligheid in huis, (ii) opvoedcapaciteiten, (iii) samenwerking met hulpverlening en (iv) zicht op steunend netwerk) voldoet. De gecertificeerde instelling heeft zorgen geuit over het middelengebruik (alcohol en cannabis) van de vader. De kinderrechter stelt vast dat uit het verslag van het perspectiefonderzoek volgt dat er geen signalen zijn dat bij de vader sprake is van problematisch alcohol- en middelengebruik. Op deze specifieke bodemeis (veiligheid in huis) heeft de vader een voortgangsscore van +2 behaald. Daarbij is expliciet aangetekend dat dit punt niet nader onderzocht hoeft te worden. De vader zelf erkent dat hij alcohol nuttigt, maar stelt dat dit gebruik zeer beperkt is. De gecertificeerde instelling vindt dat de vader een hulpverleningstraject gericht op zijn middelengebruik zou moeten volgen. De vader heeft echter in 2023, met instemming van de (toenmalige) jeugdbeschermer, een traject bij Brijder beëindigd en daarbij is afgesproken dat minimaal gebruik van alcohol en andere middelen toegestaan is, mits dit gebruik binnen de maatschappelijk aanvaarde grenzen blijft en de veiligheid van de kinderen te allen tijde gewaarborgd blijft. Zoals hiervoor reeds is overwogen zijn er geen signalen dat deze grenzen overschreden worden dan wel dat de veiligheid van de kinderen daardoor in gevaar komt. Waar het gaat om het voorkomen van een terugval in (excessief) middelengebruik meent de perspectiefonderzoeker, anders dan de gecertificeerde instelling, dat vooral zou moeten worden ingezet op professionele ondersteuning en begeleiding bij het verwerken van het belaste verleden van de vader. De vader heeft ter zitting toegezegd dat hij zich graag conformeert aan deze aanbeveling en dat hij daaraan inmiddels ook uitvoering heeft gegeven door zich aan te melden bij een psycholoog voor een behandeltraject gericht op de verwerking van zijn trauma’s.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>Daarnaast wordt aanbevolen om professionele begeleiding ter bemiddeling in het contact tussen de vader, de moeder en de pleegouders in te zetten, omdat hun onderlinge relaties ernstig verstoord zijn. De vader heeft toegezegd dat hij zich zal inzetten om dit contact te verbeteren en heeft verklaard dat hij inziet dat het voor de kinderen van groot belang is dat de pleegouders en de moeder een rol spelen in het leven van de kinderen. De gecertificeerde instelling heeft naar voren gebracht dat de vader heeft geweigerd om deel te nemen aan een multidisciplinair overleg. Uit het perspectiefonderzoek blijkt echter dat de vader openstaat voor hulpverlening om aan de samenwerkingsrelatie tussen alle partijen te werken, hetgeen de vader ter zitting ook heeft bevestigd. Ten slotte wordt in het perspectiefonderzoek aanbevolen dat de vader opvoedondersteuning ontvangt. De vader heeft aangegeven dat hij ook hieraan wil meewerken. Uit de stukken en hetgeen de gecertificeerde instelling daarover ter zitting heeft verklaard, leidt de kinderrechter af dat Houvast deze opvoedondersteuning kan bieden zodra de kinderen bij de vader wonen. <?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5.</nr>
      <para>De gecertificeerde instelling heeft ter zitting naar voren gebracht dat, alvorens de kinderen bij (een van) de ouders geplaatst kunnen worden, eerst perspectiefonderzoek bij de moeder moet plaatsvinden. Ter zitting is echter gebleken dat dit onderzoek voorlopig niet zal kunnen starten. WSGV heeft aangegeven dat onderzoek niet te willen uitvoeren vanwege de onrust die is ontstaan over de uitkomsten van het perspectiefonderzoek bij de vader. Dat leidt ertoe dat onduidelijk is of, en zo ja, op welke termijn wel een perspectiefonderzoek bij de moeder kan worden uitgevoerd. De kinderrechter is echter van oordeel dat het in het belang van de kinderen is dat zij, mede gelet op hun leeftijd, zo snel mogelijk duidelijkheid krijgen en dat het niet in hun belang is om daarvoor eerst de uitkomsten van het perspectiefonderzoek bij de moeder af te wachten. Daarbij betrekt de kinderrechter ook het gegeven dat de kinderen hebben aangegeven graag (het liefst) bij de vader te willen wonen. Uit het perspectiefonderzoek komt naar voren dat de kinderen deze wens in verschillende gesprekken met verschillende gesprekspartners hebben geuit en dat zij daarin in die zin consistent zijn. Ook indien hen wordt gevraagd een rangorde aan te brengen in de verschillende mogelijkheden (wonen bij de vader, de moeder of de pleegouders) geven zij steeds aan het liefst bij de vader te willen wonen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.6.</nr>
      <para>Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de kinderrechter van oordeel dat onvoldoende onderbouwd is waarom de kinderen op dit moment niet bij de vader kunnen wonen. Een uithuisplaatsing moet een uiterste middel zijn. Dat betekent dat een uithuisplaatsing alleen gerechtvaardigd kan worden als dit in het belang van de opvoeding en de verzorging van de minderjarige noodzakelijk is. De kinderrechter is van oordeel dat voldoende is gebleken dat de vader in staat is om de opvoeding en de verzorging van de kinderen te dragen. De kinderrechter is, met de perspectiefonderzoeker, van oordeel dat met inachtneming van deze aanbevelingen de veiligheid van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de thuissituatie bij de vader kan worden gewaarborgd en dat de vader de kinderen, met begeleiding en ondersteuning, de verzorging, opvoeding en veiligheid kan bieden die zij nodig hebben. Zoals hiervoor reeds overwogen is het niet in het belang van de kinderen om de uithuisplaatsing voort te laten duren tot ook het perspectiefonderzoek van de moeder is afgerond, gelet op de onzekerheid over de termijn waarop dit afgerond zal zijn. Indien uit de uitkomsten van dit perspectiefonderzoek blijkt dat de moeder eveneens in staat is om de opvoeding en de verzorging van de kinderen te dragen, zou een vorm van co-ouderschap passend kunnen zijn. <?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.7.</nr>
      <para>Waar het gaat om het moment waarop de kinderen bij de vader geplaatst worden, is de kinderrechter van oordeel dat het niet in het belang van de kinderen is nu direct van woonplek te wisselen. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zullen de komende tijd moeten worden voorbereid op hun verhuizing naar de vader en ook zal de gecertificeerde instelling tijd nodig hebben om de benodigde hulpverlening in te zetten. Om de overgang voor de kinderen enigszins geleidelijk (en daarmee hopelijk zo soepel mogelijk) te laten verlopen, zal de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing verlengen tot 1 juni 2025 en het verzoek voor het overige afwijzen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.8.</nr>
      <para>De kinderrechter drukt de vader op het hart zijn volle medewerking te verlenen aan het opvolgen van de aanbevelingen die uit het perspectiefonderzoek naar voren komen. Zo is het van groot belang dat de vader de verbinding met de pleegouders en de moeder zoekt. De kinderen moeten immers fijn contact kunnen hebben met alle familieleden en daarom spreekt de kinderrechter de vader aan op zijn verantwoordelijkheid om het contact tussen de pleegouders, de moeder en de kinderen te bevorderen en de samenwerking met hen aan te gaan. Ook is het noodzakelijk dat de vader daadwerkelijk het behandeltraject gericht op het verwerken van zijn belaste verleden aangaat en doorzet en dat hij de gecertificeerde instelling op de hoogte houdt van de voortgang hiervan. De vader moet de komende periode laten zien dat hij in staat is om de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te dragen zonder te handelen op een wijze die schadelijk is voor hun ontwikkeling. Dit betekent dat hij voor hen een veilige en stabiele opvoedomgeving creëert. De gecertificeerde instelling zal zich de komende periode moeten voorbereiden op de terugplaatsing van de kinderen bij de vader door de benodigde hulpverlening in te zetten. De kinderrechter hoopt dat alle partijen zich zullen inzetten om de overgang voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een prettige ervaring te maken. Daarvoor is van belang dat zij emotionele toestemming krijgen om het fijn te hebben bij de vader, maar ook bij de moeder en de pleegouders.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Verzoekschrift II - bekrachtiging schriftelijke aanwijzing</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.9.</nr>
      <para>Zoals hiervoor is overwogen, heeft de gecertificeerde instelling onvoldoende onderbouwd dat er gegronde redenen zijn om te twijfelen aan de veiligheid in de opvoedsituatie bij de vader. De gecertificeerde instelling heeft in de schriftelijke aanwijzing bovendien onvoldoende concreet gemaakt wat er precies van de vader wordt verwacht. De aanwijzing dat de vader zijn verantwoordelijkheid dient te pakken geeft onvoldoende richtlijnen voor de vader om zijn handelen aan te passen. De kinderrechter ziet daarom geen aanleiding om de schriftelijke aanwijzing te bekrachtigen. Dit betekent dat het verzoek wordt afgewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kinderrechter:</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <para>verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor (netwerk)pleegzorg tot 1 juni 2025 en wijst het aangehouden deel van het verzoek voor het overige af;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2.</nr>
      <para>wijst af het verzoek af het verzoek tot bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing van 5 maart 2025;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.3.</nr>
      <para>verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.</para>
      <para />
      <informaltable>
        <tgroup cols="3">
          <colspec colname="colA" />
          <colspec colname="colB" />
          <colspec colname="colC" />
          <tbody>
            <row>
              <entry namest="colA" nameend="colC">
                <para>Deze beschikking is gegeven door mr. E.E. Schotte, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 2 mei 2025, in aanwezigheid van mr. M.J.W. Straatsma als griffier.</para>
              </entry>
            </row>
          </tbody>
        </tgroup>
      </informaltable>
      <para />
      <parablock>
        <para>Voor zover de beslissing betrekking heeft op de afwijzing van de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing kan hoger beroep tegen deze beschikking worden ingesteld:</para>
      </parablock>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para>Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Ingevolge artikel 807 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering staat tegen de afwijzing van de bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing geen hoger beroep open, maar slechts cassatie in het belang der wet.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>