<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:7962</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-06-06T11:06:35</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-05-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-03-24</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL25.4826 en NL25.4827</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorzieningbodemzaak">Voorlopige voorziening+bodemzaak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:7962">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:7962</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-06-06T10:54:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-06-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:7962 Rechtbank Den Haag , 24-03-2025 / NL25.4826 en NL25.4827</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:7962:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Somalië - identiteit - ongloofwaardig - problemen met ex-schoonfamilie - gegronde vrees voor vervolging - reëel risico op ernstige schade - kennelijk ongegrond - beroep ongegrond - verzoek voorlopige voorziening afgewezen</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:7962:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummers: NL25.4826 en NL25.4827</para>
    <para>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)</title>
    <para>(gemachtigde: mr. P.M. Langereis),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de minister van Asiel en Migratie, verweerder</title>
    <para>(gemachtigde: mr. G. Erdal).</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening. Hij heeft op 16 januari 2025 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 31 januari 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 11 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, N. Salad als tolk en de gemachtigde van verweerder.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Waar gaat de zaak over? </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Eiser stelt van Somalische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [datum] 1995. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij zijn land van herkomst heeft verlaten vanwege problemen met zijn ex-schoonfamilie, een familie die behoort tot een hogere stam. Eiser vreest bij terugkeer dat hij zal worden opgepakt en zal worden gedood. </para>
    <para />
    <para>3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven: </para>
    <para>- identiteit, nationaliteit en herkomst;</para>
    <para>- problemen met zijn ex-schoonfamilie. </para>
    <para />
    <para>4. Verweerder heeft de nationaliteit en herkomst geloofwaardig gevonden. De identiteit van eiser is niet geloofwaardig gevonden. Eiser heeft zijn identiteit niet met objectieve documenten onderbouwd. En heeft daarvoor geen goede verklaring. De problemen met de ex-schoonfamilie heeft verweerder ook niet geloofwaardig gevonden. Hierbij is volgens verweerder onder meer van belang dat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Eiser heeft namelijk vaag verklaard over hoe men erachter zou zijn gekomen dat zijn toenmalige vrouw zwanger zou zijn van hem. Ook rijmen de verklaringen van eiser over zijn vrijlating niet met het door hem geschetste dreigingsbeeld. Tot slot heeft eiser wisselend verklaard over hoe hij te weten is gekomen dat de familie van zijn ex hem zou zoeken. Op grond van de geloofwaardige elementen kan eiser volgens verweerder niet als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag worden aangemerkt. Ook zijn deze elementen onvoldoende zwaarwegend om aan te nemen dat eiser een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM.<footnote-ref linkend="_68fb22b2-9f66-4f7a-ae65-c71004c7c075" /></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat vindt eiser in beroep? </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Verweerder heeft niet aan de samenwerkingsverplichting voldaan. Daarnaast was het voor eiser niet mogelijk om zijn paspoort mee te nemen toen hij uit Somalië vertrok gelet op zijn problemen. Eiser zat ondergedoken in een ander deel van Somalië en had hierdoor geen toegang tot zijn identificerende documenten. Verder heeft verweerder het relaas van eiser onterecht ongeloofwaardig gevonden. Eiser heeft wel samenhangend en aannemelijk verklaard over zijn vermoedens over de zwangerschap. Ook heeft hij duidelijk verklaard over het feit dat niet aan hem is verteld waarom hij is vrijgelaten. Niet valt in te zien waarom de verklaringen van eisers over zijn vrijlating ongeloofwaardig zijn. Ook heeft verweerder onvoldoende doorgevraagd over hoe eiser wist dat de familie van zijn ex op zoek was naar hem. Eiser verwijst verder naar landeninformatie. Ten aanzien van de discriminatie voert eiser aan dat hij geen bescherming krijgt van de overheid en daarom als vluchteling moet worden aangemerkt. Ook loopt eiser een reëel risico op ernstige schade vanwege rekrutering door IS. Verweerder heeft tot slot de beschikking ten onrechte kennelijk ongegrond verklaard. Eiser heeft niet zijn eigen documenten afgestaan maar een vals document. Bovendien heeft hij de documenten niet vrijwillig afgestaan en heeft eiser zich ingespannen om zijn identiteit kenbaar te maken. Verweerder had gelet op alles geen terugkeerbesluit en inreisverbod mogen opleggen. <?linebreak?>Kort voor de zitting heeft eiser stukken overgelegd waarin staat dat hem een geboorteakte zal worden verstrekt. Ook heeft hij een kopie van een verklaring van zijn stam overgelegd. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat is het oordeel van de rechtbank? </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Identiteit</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser bij zijn aanvraag onvoldoende documenten heeft gegeven en daarvoor geen goede verklaring heeft. Verweerder heeft aan eiser mogen tegenwerpen dat hij geen goede verklaring heeft kunnen geven voor het niet meenemen van zijn documenten. Hij heeft immers na zijn vertrek uit zijn woonplaats nog lange tijd in een ander deel van Somalië verbleven. Verweerder mocht van eiser verwachten dat hij de nodige acties zou hebben ondernomen om zijn documenten te verkrijgen voor zijn vertrek. Dat aan eiser is toegezegd dat een geboorteakte zal worden verstrekt, maakt het voorgaande niet anders. Verweerder heeft op zitting terecht opgemerkt dat een zodanige geboorteakte geen identificerend document is.<footnote-ref linkend="_cdbcb6a8-221d-4cda-98da-7e096b6a3d9a" /> Ten aanzien van de stammenverklaring heeft verweerder zich eveneens op het standpunt kunnen stellen dat dit document geen identificerend document is. Uit paragraaf C/4 van de Vc 2000<footnote-ref linkend="_50603dd0-fe9f-4222-b89f-0add579d0781" /> volgt immers dat een document met betrekking tot de identiteit in ieder geval een goedgelijkende pasfoto moet bevatten.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Problemen met ex-schoonfamilie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Hierbij heeft verweerder kunnen betrekken dat eiser vaag heeft verklaard over hoe men erachter zou zijn gekomen dat zijn toenmalige partner zwanger zou zijn van hem. Dat verweerder hierover meer vragen had moeten stellen, volgt de rechtbank niet. Verweerder heeft voldoende vragen gesteld aan eiser en hem in staat gesteld zijn relaas op dit onderdeel te verduidelijken. Verder heeft verweerder kunnen overwegen dat eisers verklaringen over zijn vrijlating niet rijmen met het door hem geschetste dreigingsbeeld. Daarnaast heeft verweerder kunnen opmerken dat eiser na zijn ontvoering en voor zijn vertrek geen problemen meer heeft ondervonden. Tot slot heeft verweerder van eiser mogen verwachten dat hij uitgebreider en gedetailleerder kon verklaren over hoe hij te weten is gekomen dat de familie van zijn ex op zoek zou zijn naar hem. Eiser heeft enkel verklaard dat hij na zijn ontsnapping naar een vriend is gegaan die tegen hem zou hebben gezegd dat de familie op zoek zou zijn naar hem en zou weten dat hij bij de vriend verbleef. Hoe de vriend van eiser binnen een dag zou weten dat hij was ontsnapt en dat zij naar hem zochten heeft eiser onvoldoende kunnen verklaren. Dat verweerder hier onvoldoende naar heeft gevraagd, volgt de rechtbank ook hier niet. Verweerder heeft hier voldoende vragen over gesteld. Het is aan eiser om hier inzichtelijk antwoord op te geven. De in beroep overgelegde stammenverklaring hoefde verweerder niet tot een andere conclusie te leiden. Nog los van het feit dat het een kopie betreft, is de inhoud van het document niet duidelijk. Daarnaast maakt deze verklaring hetgeen is geoordeeld over de geloofwaardigheid in het licht van hetgeen hierboven is overwogen niet anders. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Gegronde vrees voor vervolging</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>8. De stelling van eiser dat verweerder heeft nagelaten om de informatie ten aanzien van discriminatie te betrekken, volgt de rechtbank niet. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat uit de verklaringen van eiser blijkt dat hij kenbaar deel heeft genomen aan de maatschappij. Niet is gebleken dat eiser met dermate ernstige repressie te maken heeft gekregen dan wel te maken gaat krijgen dat eiser als vluchteling zal moeten worden aangemerkt. Bovendien heeft eiser geen verdere individuele of persoonlijke feiten en omstandigheden naar voren gebracht waardoor de door hem ervaren discriminatie wel kan worden aangemerkt als een daad van vervolging. De enkele verwijzing naar het landenonderzoek, maakt het voorgaande niet anders. Deze beroepsgrond slaagt niet. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Reëel risico op ernstige schade</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>9. Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht geeft geconcludeerd dat eiser zijn vrees om te worden gerekruteerd door IS niet aannemelijk heeft gemaakt. Verweerder heeft niet betwist dat IS aanwezig is in Somalië. Verweerder heeft echter terecht betrokken dat niet is gebleken dat eiser in aanraking is gekomen met deze groepering noch dat hij enig probleem met hen heeft ervaren. De enkele stelling dat IS personen van minderheidsstammen rekruteert is onvoldoende om deze vrees aannemelijk te vinden. Dat eiser geen netwerk heeft, volgt de rechtbank niet. Eiser heeft immers op geen enkele wijze onderbouwd dat zijn moeder zou zijn vertrokken. Daarnaast heeft eiser eerder verklaard dat hij bij een vriend heeft verbleven voor zijn vertrek uit Somalië.  </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Kennelijk ongegrond</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>10. De rechtbank is oordeel dat verweerder de aanvraag als kennelijk ongegrond heeft kunnen afwijzen, omdat eiser naar eigen zeggen heeft gereisd met een vervalst Spaans paspoort en hij dit paspoort heeft afgestaan. Verweerder heeft eiser kunnen aanrekenen dat hij het document niet heeft overgelegd en verweerder hiermee de kans op onderzoek heeft ontnomen. Van eiser mag worden verwacht dat hij bij zijn asielaanvraag alle documenten overlegt die hij heeft gebruikt om Nederland te bereiken. Eisers stelling dat hij het vervalste paspoort onder dwang heeft afgestaan dan wel dat de reisagent het paspoort uit zijn handen heeft gepakt, maakt het voorgaande niet anders. Eiser heeft immers in het nader gehoor verklaard dat hij akkoord is gegaan met het teruggeven van het valse paspoort en daar afspraken over heeft gemaakt voor zijn vertrek. Verweerder heeft zich dan ook op het standpunt kunnen stellen dat niet aannemelijk is gemaakt dat er sprake is geweest van een dwangsituatie. </para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <para>11. Verweerder heeft de aanvraag kunnen afwijzen als kennelijk ongegrond.</para>
    <para>Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. </para>
    <para />
    <para>12. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. R.S. Ouertani, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Informatie over hoger beroep</emphasis>
      </para>
      <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.</para>
    </parablock>
    <para>Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.</para>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_68fb22b2-9f66-4f7a-ae65-c71004c7c075" label="1">
    <para> Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_cdbcb6a8-221d-4cda-98da-7e096b6a3d9a" label="2">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van <?linebreak?>2 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3147, rechtsoverweging 6.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_50603dd0-fe9f-4222-b89f-0add579d0781" label="3">
    <para> Vreemdelingencirculaire 2000. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>