<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:7783</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-06-10T10:58:43</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-05-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-01-28</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">24/8770</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:7783">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:7783</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-06-10T10:52:08</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-06-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:7783 Rechtbank Den Haag , 28-01-2025 / 24/8770</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:7783:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Woo-zaak. Verweerder heeft mogen weigeren informatie openbaar te maken vanwege het economische en financiële belang van de gemeente. Beroep ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:7783:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: SGR 24/8770 </para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 januari 2025 in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [eiseres] B.V., uit [vestigingsplaats] , eiseres</title>
    <para>(gemachtigden: mr. A. Danopoulos en mr. L. Hoeben),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de gemeenteraad van Den Haag, verweerder </title>
    <para>(gemachtigde: mr. W.M. Logtenberg).</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de beslissing van verweerder op haar verzoek om opheffing van de geheimhouding van het rapport van [bedrijfsnaam 3] ‘Evaluatie voortgang fietsenstalling Koningin Julianaplein’ van <?linebreak?>2 november 2018 (hierna: het rapport). </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Met het besluit van 9 november 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder besloten om de geheimhouding van dit rapport gedeeltelijk op te heffen. Verweerder heeft het hiertegen gerichte bezwaar van eiseres met het bestreden besluit van 12 september 2024 gegrond verklaard en besloten om meer informatie openbaar te maken.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>De rechtbank heeft kennisgenomen van de met toepassing van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) overlegde documenten (hierna: de vertrouwelijke stukken).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 13 januari 2025 gelijktijdig, maar niet gevoegd, met de beroepen SGR 24/6208 en SGR 24/8573 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens eiseres beide gemachtigden vergezeld door [naam 1] en [naam 2] en namens verweerder zijn gemachtigde vergezeld door [naam 3] . </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Waar gaat deze zaak over?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. Eiseres heeft op 11 april 2023 een Woo-verzoek ingediend bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag (hierna: het college). Hierin wordt verzocht om een afschrift te verstrekken van het rapport van [bedrijfsnaam 1] en/of [bedrijfsnaam 2] B.V en/of elke andere [bedrijfsnaam 3] entiteit van 2 november 2018 inzake de evaluatie van het bouwproject ondergrondse fietsenstalling Koning Julianaplein (het rapport), alsmede de daaraan voorafgaande conceptversies. Ook is verzocht om alle bij verweerder beschikbare beleidsstukken, (interne) (gespreks)verslagen, (interne) correspondentie en andere documenten die betrekking hebben op en/of gerelateerd zijn aan het rapport en de daaraan voorafgaande conceptversies. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Bij e-mail van 12 juni 2023 heeft het college eiseres te kennen gegeven dat ten aanzien van het rapport een geheimhoudingsplicht is opgelegd. Met het besluit van <?linebreak?>24 oktober 2023 heeft het college medegedeeld dat het besluit tot opheffing van de geheimhouding door verweerder moet worden genomen en dat de procedure voor dit raadsbesluit in gang is gezet. Met het primaire besluit van 9 november 2023 heeft verweerder besloten om de geheimhouding ten aanzien van het rapport op te heffen<footnote-ref linkend="_a30314f6-d471-427f-9d75-98c3e8bf8ae9" />, met uitzondering van de onderdelen die bij openbaarmaking de onderhandelingspositie van de gemeente in eventuele schikkingsonderhandeling in lopende procedures kan beïnvloeden.<footnote-ref linkend="_5e1516fe-69e9-4f40-ad6b-f4bbb8861681" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Met het bestreden besluit van 12 september 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit gegrond verklaard en besloten om meer informatie uit het rapport openbaar te maken. Verder heeft verweerder nader gemotiveerd waarom openbaarmaking van het resultaat van de grondexploitatie (pagina 7,14 en 28), het totaalbedrag van de aankoop van de grond (pagina 11) en de tekst in Bijlage III – Risicoanalyse VTW’s in het rapport niet opweegt tegen het belang van de bescherming van de economische of financiële belangen van de gemeente. Deze informatie is dus gelakt gebleven. Verder zijn in Bijlage I en II van het rapport persoonsgegevens van gemeenteambtenaren en derden die niet vanuit hun functie in de openbaarheid treden niet openbaar gemaakt vanwege de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.<footnote-ref linkend="_ab0e7d33-9174-4891-a7db-374280047db9" /> Verweerder heeft het rapport vervolgens zelf (deels) openbaar gemaakt door het te publiceren in het Raadsinformatiesysteem (RIS). </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wat vindt eiseres in beroep?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>3. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en stelt specifiek ten aanzien van de openbaarmaking van informatie uit het rapport dat verweerder ten onrechte de tekst in Bijlage III – Risicoanalyse VTW’s heeft gelakt. Verweerder heeft deze informatie niet openbaar gemaakt met de motivering dat kennis van de risico-inschatting voor de gemeente negatieve gevolgen zou kunnen hebben voor zowel het project zelf als toekomstige projecten. Eiseres betoogt echter dat de informatie zodanig is toegespitst op dit project dat niet valt in te zien op welke wijze ontwikkelaars of andere opdrachtnemers deze informatie zouden kunnen gebruiken bij toekomstige projecten.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Evenmin valt in te zien op welke wijze kennis van de risico-inschatting voor het project negatieve financiële gevolgen zou hebben voor dit project. Van belang daarbij is dat het risico dat openbaarmaking van informatie een lastige situatie met zich meebrengt of dat informatie in rechte tegen de gemeente kan worden gebruikt géén grond zijn om deze uitzonderingsgrond in te roepen. Verweerder had geconcretiseerd en gepreciseerd<footnote-ref linkend="_d8f959e8-5534-466e-87ec-9f737099a20b" /> per passage<footnote-ref linkend="_a516aa81-a2f1-46bc-8616-2a2795cb2e16" /> aannemelijk moeten maken dat de openbaarmaking hiervan zal leiden tot economisch of financieel nadeel in de civiele procedure en vervolgens moeten motiveren waarom dit nadeel zwaarder weegt dan het belang van openbaarheid.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Voorts betreft het rapport een document dat deze ouder is dan vijf jaar. Dat maakt dat de verzwaarde motiveringsplicht van toepassing is.<footnote-ref linkend="_b25309ad-26bc-4df8-8f80-43c94d7d1837" /> Uit het bestreden besluit blijkt echter niet dat verweerder zich hiervan rekenschap heeft gegeven. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Tot slot kan eiseres zich gelet op de trage besluitvorming niet aan de indruk onttrekken dat verweerder de gevraagde informatie bewust zo lang mogelijk achterhoudt. Dit is in strijd met het fair-play beginsel.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wat is het oordeel van de rechtbank?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>4.  Artikel  87 van de Gemeentewet regelt dat organen van de gemeente bevoegd zijn om een verplichting tot geheimhouding op te leggen ten aanzien van informatie die bij die organen berust. De gronden daarvoor zijn te vinden in artikel 5.1, eerste en tweede lid, van de Woo. De rechtbank beoordeelt of verweerder op grond daarvan heeft kunnen beslissen tot het instandlaten van de gedeeltelijke geheimhouding van het rapport.  </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Bescherming economische en financiële belang van de gemeente</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>5. Op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Woo blijft openbaarmaking achterwege wanneer de economische of financiële belangen van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen zwaarder wegen dan het belang van openbaarheid.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>Een bestuursorgaan kan het verstrekken van informatie weigeren met een beroep op dit artikel als de economische of financiële belangen van dat bestuursorgaan in het geding zijn. Deze relatieve uitzonderingsgrond kan worden toegepast ter bescherming van informatie die privaatrechtelijke of publiekrechtelijke rechtsverhoudingen negatief kan beïnvloeden. Een beroep op deze weigeringsgrond is in beginsel slechts mogelijk voor de duur van het onderhandelingsproces. Onder omstandigheden kan eveneens de onderhandelingspositie van het bestuursorgaan in de toekomst reden zijn om deze uitzonderingsgrond van toepassing te achten.<footnote-ref linkend="_bf6bee38-2a72-481b-bee7-26e9b6bb7462" /> In de totstandkomingsgeschiedenis van de Woo wordt benadrukt dat het feit dat openbaarmaking van informatie voor bestuursorganen een lastige situatie met zich meebrengt, of dat daardoor een extra inspanning van bestuursorganen noodzakelijk is, op zichzelf nog geen indicatie is dat het economische belang van de overheid schade wordt toegebracht of dat openbaarheid in dat geval altijd moet wijken. Ook wanneer bepaalde informatie in rechte tegen de overheid kan worden gebruikt, is dat geen grond om deze uitzonderingsgrond in te roepen.<footnote-ref linkend="_87c9693d-c087-47b7-8645-d8a6a477ae0b" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>In het bestreden besluit heeft verweerder toegelicht de tekst in Bijlage III – Risicoanalyse VTW’s in het rapport met toepassing van deze uitzonderingsgrond te hebben gelakt omdat deze informatie gaat over een risico-inschatting en een financiële afweging van de gemeente ten aanzien van diverse contractuele geschilpunten en kennis hiervan voor de gemeente negatieve financiële gevolgen kan hebben voor zowel dit project als toekomstige projecten. In het verweerschrift heeft verweerder hierover nog nader toegelicht dat de gemeente voor dit project een ‘Design, Build and Maintain’ (DBM) contract met eiseres afgesloten. Dit houdt in dat de gemeente als opdrachtgever functionele eisen meegeeft en de opdrachtnemer, in casu eiseres, het ontwerp, de bouw en het onderhoud op zich neemt en daar ook de uitvoeringsrisico’s voor draagt. De gemeente zal in de toekomst vaker van dit type contract gebruik maken. Openbaarmaking van de verschillende bedragen en overwegingen kan financiële schade opleveren voor de gemeente omdat de wederpartij zijn voordeel daarmee kan doen. De kennis ten aanzien van risico-inschattingen en risicobeheersing kunnen marktpartijen bijvoorbeeld gebruiken in hun onderhandelingsstrategie, wat een nadelige invloed kan hebben op de onderhandelingspositie van de gemeente. Het economische of financiële belang van de gemeente, waarvan verweerder op de zitting nader heeft toegelicht dat dit het belang van een verantwoorde besteding van publiek geld is, weegt zwaarder dan het belang van openbaarheid.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>Na kennis te hebben genomen van de vertrouwelijke stukken, stelt de rechtbank vast dat de tekst in Bijlage III – Risicoanalyse VTW’s in het rapport uitsluitend betrekking heeft op het financiële risicoprofiel voor het project. Hoewel de rechtbank het met eiseres eens dat het enkele feit dat deze informatie de positie van de gemeente in de civiele procedure tegen eiseres nadelig kan beïnvloeden geen grond is om deze uitzonderingsgrond in te roepen, acht de rechtbank het met verweerder evenwel aannemelijk dat inzicht in deze informatie door marktpartijen de onderhandelingspositie van de gemeente in de toekomst nadelig kan beïnvloeden en daarmee schade kan toebrengen aan haar financiële of economische belangen. Er kan namelijk niet worden uitgesloten dat marktpartijen de voorkennis over risico-inschattingen en risicobeheersing in de onderhandelingen met de gemeente zullen gebruiken om een voor hen zo gunstig mogelijk financieel resultaat te realiseren. Hoewel eiseres terecht heeft opgemerkt dat de informatie is toegespitst op het project, laat dit onverlet dat alleen al uit de wijze waarop het financiële risicoprofiel voor dit project is opgesteld informatie kan worden afgeleid die ook bij toekomstige projecten relevant kan zijn. Dit geldt temeer nu verweerder heeft aangegeven in de toekomst vaker DBM-contracten te zullen afsluiten waarbij de wederpartij de uitvoeringsrisico’s voor haar rekening zal nemen. Het voorgaande maakt dat het evenmin van belang is dat de betreffende bedragen op een schatting berusten en de daadwerkelijke bedragen hoger of lager kunnen uitvallen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>Met deze uitleg heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank ook voldaan aan de verzwaarde motiveringsplicht. De informatie over risico-inschattingen en risicobeheersing zijn namelijk gelakt om financiële of economische schade voor de gemeente in de toekomst te voorkomen. In dit geval maakt het tijdsverloop dan ook niet dat de bescherming van de financiële of economische belangen van de gemeente minder zwaar gaan wegen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5.</nr>
      <para>Het betoog van eiseres dat verweerder geconcretiseerd en gepreciseerd per passage aannemelijk had moeten maken dat de openbaarmaking hiervan zal leiden tot economisch of financieel nadeel voor de gemeente en waarom dit belang zwaarder weegt dan het belang van openbaarheid, slaagt niet. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt namelijk dat een bestuursorgaan niet binnen een zelfstandig onderdeel per zin of zinsdeel hoeft te bepalen of de uitzonderingsgrond zich voordoet indien aan de zin of het zinsdeel alleen betekenis toekomst in samenhang met de vorige inhoud van dit zelfstandige onderdeel.<footnote-ref linkend="_d8502de2-80d9-4032-937a-84442f707537" /> Zoals de rechtbank in de voorgaande rechtsoverweging al heeft vastgesteld, hebben de gelakte bedragen en overwegingen allen betrekking op het financiële risicoprofiel voor het project. Verweerder was in dit geval dan ook niet gehouden om per passage concreet te motiveren waarom deze uitzonderingsgrond van toepassing is.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.6.</nr>
      <para>Het voorgaande maakt dat verweerder aan de financiële belangen van de gemeente een groter gewicht heeft mogen toekennen dan aan het belang van openbaarheid.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Fair-play beginsel</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>6. Hoewel de rechtbank erkent dat de besluitvorming in deze procedure niet voortvarend is verlopen, ziet zij geen bewijs voor de stelling dat verweerder de openbaarmaking van de documenten bewust heeft vertraagd. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat verweerder op dit onderdeel in strijd heeft gehandeld met het fair-play beginsel.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>7.  Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.P. Lindhout, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.  </para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_a30314f6-d471-427f-9d75-98c3e8bf8ae9" label="1">
    <para> Op grond van artikel 86, tweede lid, van de Gemeentewet juncto artikel 10, tweede lid, onder b en g, van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5e1516fe-69e9-4f40-ad6b-f4bbb8861681" label="2">
    <para> Op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Woo.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ab0e7d33-9174-4891-a7db-374280047db9" label="3">
    <para> Op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e, van de Woo.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d8f959e8-5534-466e-87ec-9f737099a20b" label="4">
    <para> Zie de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 14 april 2011, ECLI:NL:RBUTR:2011:BQ0972. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_a516aa81-a2f1-46bc-8616-2a2795cb2e16" label="5">
    <para> Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspaak van de Raad van State (Afdeling) van 15 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1079.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b25309ad-26bc-4df8-8f80-43c94d7d1837" label="6">
    <para> Op grond van artikel 5.3 van de Woo.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_bf6bee38-2a72-481b-bee7-26e9b6bb7462" label="7">
    <para> Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 26 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1223.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_87c9693d-c087-47b7-8645-d8a6a477ae0b" label="8">
    <para> Kamerstukken I 2021/22, 33328, AB, p. 89.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d8502de2-80d9-4032-937a-84442f707537" label="9">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 28 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:715.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>