<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:7770</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-06-07T07:16:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-05-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-01-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">23/8061</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:7770">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:7770</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-06-06T15:54:47</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-06-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:7770 Rechtbank Den Haag , 17-01-2025 / 23/8061</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:7770:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verweerder mocht het verzoek van eiseres om met terugwerkende kracht tot 11 augustus 2015 haar salarisnummer bij aanstelling aan te passen, afwijzen. Beroep ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:7770:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: SGR 23/8061 </para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 januari 2025 in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres</title>
    <para>(gemachtigde: mr. M. Barmentlo),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de Commandant Zeestrijdkrachten, verweerder</title>
    <para>(gemachtigde: mr. M.I. Biharie-Pronk).</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar verzoek om met terugwerkende kracht tot 11 augustus 2015 haar salarisnummer bij aanstelling aan te passen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Verweerder heeft dit besluit op 12 maart 2021 (het primaire besluit) genomen.  Met het besluit van 1 september 2021 (het bestreden besluit I) op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van het verzoek gebleven.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Deze rechtbank heeft het door eiseres tegen het bestreden besluit I ingestelde beroep op 22 september 2022 op zitting behandeld. De rechtbank heeft met haar uitspraak  het bestreden besluit I wegens een motiveringsgebrek vernietigd en verweerder opgedragen een nieuwe beslissing op het bezwaar van eiseres te nemen.<footnote-ref linkend="_6a186764-3d9f-4142-b267-1356ed077bb6" /> Eiseres heeft op 30 november 2023 beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing. Verweerder heeft op 7 november 2023, verzonden op 24 januari 2024, alsnog een nieuwe beslissing op het bezwaar van eiseres genomen (het bestreden besluit II).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit II en heeft hiertegen beroep ingesteld. Verweerder heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 6 december 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens eiseres haar gemachtigde vergezeld door mr. J.C. Hoogendoorn en namens verweerder zijn gemachtigde vergezeld door [naam 1] .</para>
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Waar gaat deze zaak over?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. Eiseres is op 11 augustus 2015 aangesteld bij de krijgsmacht en ingedeeld bij de Koninklijke Marine. Zij is daarbij aangewezen voor de opleiding tot officier met als bestemming functies bij de Logistieke Dienst (LD) en heeft bij die aanstelling salarisnummer 4 gekregen. Met het rekest van 25 november 2020 heeft zij verzocht, gelet op haar vooropleiding, HBO Operatieassistent, haar salarisnummer per datum aanstelling aan te passen naar nummer 7. Verweerder heeft dit verzoek afgewezen omdat de door eiseres gevolgde HBO-opleiding Operatieassistent niet relevant is.<footnote-ref linkend="_cbb748ce-6bcc-486d-a5be-23a656e2ffb0" /> Deze opleiding heeft volgens verweerder namelijk te weinig overlap met de opleiding tot officier van de LD (de opleiding Militaire Bedrijfswetenschappen, hierna: MBW). Met het bestreden besluit I is verweerder bij de afwijzing van het verzoek en de daarbij gebezigde motivering gebleven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Het door eiseres tegen het bestreden besluit I ingestelde beroep is door deze rechtbank op 22 september 2022 op zitting behandeld. In haar uitspraak heeft de rechtbank onder meer geoordeeld dat verweerder in het geval van eiseres ten onrechte heeft nagelaten om op een inzichtelijke en controleerbare wijze een concrete en kenbare vergelijking te maken tussen het curriculum van de door eiseres gevolgde HBO-opleiding Operatieassistent en het Studietrajectprofiel Officieren van de Logistieke Dienst. Meer specifiek is niet duidelijk geworden waarom de opleiding Hotelmanagement wel voldoende overlap heeft en de opleiding Operatieassistent niet. De rechtbank heeft het beroep dan ook gegrond verklaard en verweerder opgedragen om met inachtneming van haar uitspraak een nieuwe beslissing op het bezwaar van eiseres te nemen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Verweerder heeft naar aanleiding van deze uitspraak op 18 juli 2023 advies gevraagd aan de Functietoewijzer LD luitenant der eerste klasse [naam 2] . In reactie hierop heeft [naam 2] bij brief van 31 juli 2023 – kort samengevat – toegelicht dat de ingangseisen van toegang tot de Korte Officiersopleiding (KOO) Logistieke Dienst zijn terug te voeren op drie pijlers: Financieel, Juridisch en Materieel Logistiek. Net als de opleiding MBW valt de HBO-opleiding Hotelmanagement onder de Functiegroep Business en Economie en is sprake van een overduidelijke overlap door de vakken financiën, accounting, statistiek, logistieke HRM, strategie en organisatie. De militairen die de HBO-opleiding Hotelmanagement hebben gevolgd zijn dan ook breed inzetbaar binnen de drie netgenoemde pijlers. De HBO-opleiding Operatieassistent daarentegen heeft als doel om de student op te leiden tot beroepsbeoefenaar die als operatieassistent in het kader van een operatieteam werkzaam kan zijn en op grond van eigen deskundigheid onder verantwoordelijkheid van de snijdend specialist medisch ondersteunende werkzaamheden ten behoeve van de snijdend specialist kan verrichten. Deze opleiding valt onder de Functiegroep Gezondheid, waar de vakken financiën, accounting, statistiek, logistieke HRM, strategie en organisatie niet in voorkomen. De militair die binnenkomt met de HBO-opleiding Operatieassistent heeft dan ook een smal traject doorlopen waardoor diegene – in tegenstelling tot militairen die de HBO-opleiding Hotelmanagement hebben gevolgd – niet zonder verdere scholing binnen een van de drie hiervoor genoemde pijlers kan worden geplaatst. Op grond van deze motivering, tezamen met een verwijzing naar de studiegids Militaire Bedrijfswetenschappen, is [naam 2] tot de conclusie gekomen dat de HBO-opleiding Operatieassistent geen overlap heeft met de opleiding MBW. Verweerder heeft het advies van [naam 2] met het bestreden besluit II overgenomen en is daarmee bij de afwijzing van het verzoek van eiseres gebleven.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wat vinden partijen in beroep?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>3. Verweerder heeft nagelaten om op een inzichtelijke en controleerbare wijze een concrete en kenbare vergelijking te maken tussen de curricula van de door eiseres gevolgde HBO-opleiding Operatieassistent, de HBO-opleiding Hotelmanagement en het Studietrajectprofiel Officieren van de Logistieke Dienst. De toelichting die verweerder in het bestreden besluit heeft gegeven aan de hand van de drie pijlers Financieel, Juridisch en Materieel Logistiek, schiet volgens eiseres tekort. Verweerder had in plaats daarvan de overlap tussen de drie opleidingen concreter in kaart moeten brengen door de inhoud van de curricula van de opleidingen en de als gevolg hiervan opgedane competenties met elkaar te vergelijken. Verweerder heeft dan ook niet voldaan aan de opdracht die deze rechtbank heeft gegeven in voormelde uitspraak van 3 november 2022. Verder heeft verweerder bij het maken van de vergelijking ten onrechte de nadruk gelegd op de geneeskundige vakken die eiseres tijdens haar opleiding heeft gevolgd. Eiseres heeft naast geneeskundige vakken echter ook verschillende algemeen ondersteunende vakken gevolgd. Zij heeft dit geprobeerd aan te tonen aan de hand van een schema waarin zij overeenkomende vakken uit de HBO-opleiding Operatieassistent en de opleiding MBW naast elkaar heeft gezet. Daarbij zijn de functies die eiseres inmiddels bij de Logistieke Dienst heeft vervuld wel degelijk van belang voor de vraag of haar gevolgde HBO-opleiding Operatieassistente als relevant moet worden aangemerkt<footnote-ref linkend="_cfdef5f5-2f93-4cf4-b021-b13ec3fff72a" />, te meer nu haar tweede functie net als haar eerste functie ook medisch van aard is. Hoewel eiseres erkent dat haar situatie niet gelijk is aan de situatie van collega N., die na het behalen van zijn WO-diploma Scandinavië Studies is begonnen aan de verkorte officiersopleiding bij de Zeedienst en daarna, met behoud van het hogere salarisnummer, de overstap heeft gemaakt naar de LD en is toegelaten tot de verkorte opleiding aldaar, draagt deze casus volgens haar wel bij aan de onduidelijkheid die bestaat over de vraag wanneer een vooropleiding als relevant moet worden aangemerkt.</para>
      <para />
      <para>4. Het betoog van eiseres dat de curricula van de door haar gevolgde HBO-opleiding Operatieassisent en de opleiding MBW voldoende overlappende inhoud hebben, wordt door verweerder niet gevolgd. Zo omvat het curriculum van de opleiding MBW specifieke vakken als Defensie-Economie en Logistiek, Defensie Operationele Logistiek en Defensie Management, Accounting &amp; Control. In de HBO-opleiding Hotelmanagement worden hiermee vergelijkbare vakken aangeboden. Het volgen van deze vakken draagt eraan bij dat officieren bedrijfskundige inzichten kennen en kunnen toepassen in situaties van verhoogde spanning zoals die zich tijdens humanitaire missies en optreden in crisis- en oorlogsomstandigheden kunnen voordoen. Dergelijke vakken ontbreken echter in het curriculum van de door eiseres gevolgde HBO-opleiding Operatieassistent. Een vergelijking tussen de HBO-opleidingen Operatieassistent en Hotelmanagement gaat alleen om die reden al niet op. </para>
      <parablock>
        <para>In de tweede plaats wijst verweerder erop dat de door eiseres genoemde algemeen ondersteunende vakken die zij heeft gevolgd significant minder studielasturen omvatten dan vergelijkbare vakken die in de opleiding MBW en de HBO-opleiding Hotelmanagement worden gegeven. Bovendien is de HBO-opleiding Operatieassistent gelet op de verdeling van het aantal studielasturen sterk gericht op de praktijkervaring binnen de medische sector, wat een wezenlijk verschil vormt met de opleiding MBW. Verweerder heeft getracht het voorgaande tot uitdrukking te brengen door het inbrengen van een overzicht, waarin voor elk van de drie opleidingen per pijler per vak wordt aangegeven hoeveel studielasturen in Europese Credits (EC) deze bedraagt.    </para>
        <para>Tot slot hecht verweerder er belang aan te wijzen op het organisatiebelang van Defensie, waarbij centraal staat dat zij beschikt over goed en gekwalificeerd personeel. Daarmee is niet te verenigen dat een militair zonder de vereiste competenties een officiersfunctie vervult. Een militair die binnenkomt met de HBO-opleiding Operatieassistent kan niet zonder verdere scholing in het materieel logistieke domein een officiersfunctie vervullen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wat is het oordeel van de rechtbank?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>5. De rechtbank stelt voorop dat verweerder met het besluit van 16 november 2023 op het door eiseres ingestelde beroep niet-tijdig beslissen heeft gereageerd en haar een dwangsom van € 1.442,- heeft betaald. Verder heeft eiseres ook geen procesbelang meer bij zijn beroep niet-tijdig beslissen omdat verweerder met het bestreden besluit II alsnog een besluit heeft genomen op haar bezwaar. Het beroep is daarom, voor zover het zich richt tegen het niet tijdig nemen van een besluit, niet-ontvankelijk. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen heeft ook betrekking op het alsnog genomen bestreden besluit II.<footnote-ref linkend="_b8c6691d-e055-4aa1-b247-5f480ce82477" /> Dit beroep zal de rechtbank inhoudelijk behandelen.</para>
      <para />
      <para>6. De rechtbank overweegt daartoe allereerst dat deze rechtbank in haar eerdere uitspraak over een aantal beroepsgronden van eiseres al een oordeel heeft gegeven. Zo heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder voldoende duidelijk heeft gemaakt dat met het relevantiecriterium zoals opgesteld in de Nota is beoogd een onderscheid aan te duiden tussen officieren die bij aanstelling worden bestemd voor een officiersfunctie bij de Zeedienst en officieren die bij aanstelling worden bestemd voor een officiersfunctie bij de LD en dat dit gemaakte onderscheid vóór het bestaan van de Nota als bestendige praktijk ook werd gemaakt. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder bij de vraag of de vooropleiding relevant is de eis mag stellen dat deze vooropleiding relevant moet zijn voor alle sub-dienstgroepen die de militair na de opleiding gaat vervullen en dus niet alleen voor de eerste functie die de militair na de opleiding gaat vervullen. Eiseres heeft tegen deze eerdere uitspraak geen hoger beroep ingesteld, waardoor de rechtbank in deze procedure uitgaat van de juistheid van het eerdere oordeel over die beroepsgronden.<footnote-ref linkend="_e02c15bb-0c1f-4b86-a9a6-e5c0eec21811" /> Gelet daarop kan wat eiseres naar voren heeft gebracht over het belang van de inmiddels door haar vervulde (medische) functies bij de LD en de situatie van collega N., die voorafgaand aan zijn overstap naar de LD was geplaatst bij de Zeedienst, niet slagen.</para>
      <para />
      <para>7. Verder is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit II gebrekkig is gemotiveerd en daarom voor vernietiging in aanmerking komt. Het beroep is daarmee gegrond. De rechtbank ziet evenwel aanleiding om de rechtsgevolgen van dit besluit in stand te laten. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.1.</nr>
      <para>Deze rechtbank heeft verweerder in haar eerdere uitspraak de opdracht gegeven om in een nieuwe beslissing op bezwaar alsnog op basis van een concrete, inzichtelijke en controleerbare vergelijking te beoordelen of het curriculum van de HBO-opleiding Operatieassistent voldoende overlap heeft met het curriculum van de opleiding MBW om in aanmerking te komen voor drie extra salarisnummers. De rechtbank is met eiseres eens dat de door verweerder in reactie daarop gegeven aanvullende motivering in het bestreden besluit II, waarbij aan de hand van de drie geldende pijlers Financieel, Juridisch en Materieel Logistiek op globale wijze wordt uitgelegd dat de curricula van enerzijds de door eiseres gevolgde HBO-opleiding Operatieassistent en anderzijds de opleiding MBW en de HBO-opleiding Hotelmanagement te weinig overlappen, tekort schiet. Weliswaar wordt in de toelichting specifiek benoemd dat de vakken financiën, accounting, statistiek, logistieke HRM, strategie en organisatie in het curriculum van de HBO-opleiding Operatieassistent ontbreken, echter kan hieruit niet worden opgemaakt welk concreet gewicht aan het al dan niet volgen van deze vakken moet worden toegekend. Ook wordt uit deze motivering niet duidelijk of er wel algemene vakken uit het curriculum van deze opleiding zijn die overlappen met het curriculum van de opleiding MBW en, zo ja, waarom dit dan niet als toereikend kan worden aangemerkt. Het had, gelet op de eerdere uitspraak van de rechtbank, op de weg van verweerder gelegen om dit op een meer concrete, inzichtelijke en controleerbare wijze aan te tonen. Het bestreden besluit II is daarom in strijd met het motiveringsbeginsel.<footnote-ref linkend="_3797b75d-c011-4e62-b400-df41432cbad7" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.2.</nr>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat verweerder met het bij het verweerschrift gevoegde overzicht, waarin voor elk van de drie opleidingen per pijler per vak wordt aangegeven hoeveel studielasturen deze bedraagt, alsnog op concrete, inzichtelijke en controleerbare wijze heeft aangetoond dat tussen het curriculum van de door eiseres gevolgde HBO-opleiding Operatieassistent en het curriculum van de opleiding MBW te weinig overlap bestaat om in aanmerking te komen voor drie extra salarisnummers. Dit overzicht maakt namelijk concreet duidelijk dat het curriculum van de HBO-opleiding Operatieassistent, in tegenstelling tot de curricula van de opleiding MBW en de HBO-opleiding Hotelmanagement, nauwelijks vakken omvat die vallen onder de pijlers Financieel, Juridisch en Materieel Logistiek. Bovendien heeft verweerder berekend dat voor het aantal relevante vakken in het curriculum van de HBO-opleiding Operatieassistent in totaal 3,9 EC worden toegekend. Dit is aanzienlijk lager dan het aantal van 40 EC (+ 30 EC voor scriptie) die vergelijkbare vakken uit het curriculum van de opleiding MBW omvat. Dat, zoals eiseres ter zitting heeft betoogd, ten aanzien van de betreffende vakken van de HBO-opleiding Operatieassistent van een hoger aantal EC moet worden uitgegaan omdat bij de berekening het aantal uren aan zelfstudie niet is meegenomen, is door eiseres niet aannemelijk gemaakt.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>8. Het beroep van eiseres voor zover deze is gericht tegen het niet-tijdig beslissen is niet-ontvankelijk. Het beroep van eiseres voor zover gericht tegen het bestreden besluit II is gegrond. Het bestreden besluit II zal daarom worden vernietigd. Gelet op wat onder rechtsoverweging 7.2 is overwogen, zal de rechtbank de rechtsgevolgen van dit besluit in stand laten.</para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>8.1.</nr>
      <para>Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op  € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 907,- en wegingsfactor 1).</para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het niet-tijdig nemen van een beslissing op bezwaar niet-ontvankelijk;</para>
    <para>- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit II gegrond;</para>
    <para>- vernietigt het bestreden besluit II;</para>
    <para>- bepaalt dat de rechtsgevolgen van dit besluit in stand blijven;</para>
    <para>- draagt verweerder op het door eiseres betaalde griffierecht van € 184,- te vergoeden;</para>
    <para>- gelast dat verweerder de proceskosten van eiseres vergoedt tot een bedrag van € 1.814,-.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.P. Lindhout, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 januari 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.  </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_6a186764-3d9f-4142-b267-1356ed077bb6" label="1">
    <para> ECLI:NL:RBDHA:2022:11287.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_cbb748ce-6bcc-486d-a5be-23a656e2ffb0" label="2">
    <para> In de zin van de Nota ‘Salarisnummer bij aanstelling CZSK’ van 18 mei 2017.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_cfdef5f5-2f93-4cf4-b021-b13ec3fff72a" label="3">
    <para> In de zin van de Nota.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b8c6691d-e055-4aa1-b247-5f480ce82477" label="4">
    <para> Dit volgt uit artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e02c15bb-0c1f-4b86-a9a6-e5c0eec21811" label="5">
    <para> Gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 augustus 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AI0801.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3797b75d-c011-4e62-b400-df41432cbad7" label="6">
    <para> In de zin van artikel 3:46 van de Awb.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>