<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:7769</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-06-06T16:48:54</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-05-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-01-15</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">24/5513</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_ambtenarenrecht">Bestuursrecht; Ambtenarenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:7769">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:7769</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-06-06T16:48:32</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-06-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:7769 Rechtbank Den Haag , 15-01-2025 / 24/5513</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:7769:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verweerder mocht het verzoek van eiser om met terugwerkende kracht over de periode van 1 februari 2020 tot 1 februari 2024 te worden bezoldigd overeenkomstig een hogere schaal, afwijzen. Beroep ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:7769:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: SGR 24/5513 </para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 januari 2025 in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [eiser] , uit [woonplaats] , eiser</title>
    <para>(gemachtigde: mr. J.H. Gerritsen),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de staatssecretaris van Defensie, verweerder </title>
    <para>(gemachtigde: mr. H. Zilverberg).</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn verzoek om met terugwerkende kracht over de periode van 1 februari 2020 tot 1 februari 2024 te worden bezoldigd overeenkomstig een hogere salarisschaal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Verweerder heeft dit besluit (het primaire besluit) op 4 april 2023 genomen. Met het bestreden besluit van 18 april 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van het verzoek gebleven.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 18 december 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder vergezeld door kolonel [naam 1] .</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Waar gaat deze zaak over?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. Eiser, met laatstelijk als rang kapitein, was in dienst van Defensie bij de Commando Luchtstrijdkrachten (CLSK). Met het besluit van 21 januari 2020 werd hem met ingang van 1 februari 2020 op detacheringsbasis de functie van Projectleider Planbaar Onderhoud/Nieuwbouw bij het Rijksvastgoedbedrijf (RVB) toegewezen, met als verwachte einddatum 1 februari 2023. Met het besluit van 6 oktober 2022 werd de plaatsingsduur van eiser voor deze functie op zijn eigen verzoek met één jaar verlengd. Eiser werd voor de vervulling van deze functie bezoldigd conform salarisschaal 10, behorend bij zijn rang van kapitein. Bij Koninklijk Besluit van 13 december 2023 is aan eiser op eigen verzoek met ingang van 1 februari 2024 eervol ontslag verleend. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Op 29 december 2022 heeft eiser bij het bevoegd gezag een rekest ingediend, waarin hij heeft verzocht om met terugwerkende kracht vanaf 1 februari 2020 te worden bezoldigd conform een hogere salarisschaal.<footnote-ref linkend="_2d93103f-1310-4e17-ac8e-9746316d2a88" /> Als reden hiervoor gaf hij dat uit navraag bij zijn leidinggevende is gebleken dat hij inhoudelijk dezelfde werkzaamheden verricht en dezelfde taken en verantwoordelijkheden heeft als de andere Projectleiders die werkzaam zijn binnen dezelfde regio. Die bestaan naast één majoor, die deze functie net als eiser door Defensie werd toegewezen, uit tien burgerambtenaren. Zij worden, ondanks hetzelfde takenpakket, in tegenstelling tot eiser echter bezoldigd conform een hogere salarisschaal. Dat eiser feitelijk andere werkzaamheden zou gaan verrichten had verweerder al kunnen afleiden uit het feit dat de functieomschrijving van de betreffende functie, zoals die ten tijde van zijn sollicitatie werd weergegeven in de vacaturebank, verouderd was.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <parablock>
        <para>Verweerder heeft het rekest van eiser afgewezen. Hoewel verweerder heeft erkend dat de functiebeschrijving van de betreffende functie niet meer actueel was ten tijde van de sollicitatie van eiser, betekent dit niet dat de aan eiser opgedragen taken, verantwoordelijkheden en werkzaamheden niet passend zouden zijn bij zijn rangniveau van kapitein.</para>
        <para>Daarbij is volgens verweerder niet gebleken dat het door eiser laten verrichten van gestelde verzwaarde werkzaamheden bij het RVB vooraf met Defensie is besproken. Ook ten tijde van het verrichten van de werkzaamheden is hierover vanuit eiser of het RVB geen signaal uitgegaan richting Defensie. Op grond van artikel 3 van de tussen Defensie en het RVB opgestelde ‘Mantelovereenkomst detachering’ had dit echter wel gemoeten. Defensie kon en mocht er dan ook vanuit gaan dat eiser passende werkzaamheden opgedragen zou krijgen en heeft gekregen. Als het RVB eiser desondanks werkzaamheden heeft laten verrichten die conform een hogere salarisschaal hadden moeten worden bezoldigd, ligt het dus niet op de weg van Defensie om eiser daarvoor te compenseren.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wat vindt eiser in beroep?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>3. Eiser betoogt allereerst voldoende te hebben onderbouwd dat hij op grond van de door hem verrichte werkzaamheden conform een hogere salarisschaal had moeten worden bezoldigd. Hij wijst in dat kader op een mail van zijn leidinggevende van 13 januari 2023, waarin het volgende wordt aangegeven: “de werkwijze binnen de directie vastgoedbeheer heeft in de afgelopen jaren een verandering doorgemaakt. Waar eerst een scheiding tussen S11 en S10 lag voor de meer ingewikkelde en grotere projecten is deze sinds zijn aantreden niet meer aanwezig. Verder zijn sinds juni 2022 onze clusters anders ingedeeld en werken we voor Projecten vanuit waardestromen. Dit doen we met dedicated teams die klant georiënteerd zijn waarbij iedere PL inzetbaar is op de gehele portefeuille aan projecten in die klantgroep. De weergave van [eiser] aangaande werkzaamheden, taken en verantwoordelijkheden van hem zijn juist”.</para>
      <para>Verder wijst eiser erop dat bij de functie behorende vacaturetekst het volgende stond vermeld: “Functiebeschrijving is niet meer actueel. Functionaris wordt gedetacheerd bij het Rijksvastgoedbedrijf en zal voornamelijk ingezet worden op onderhoud defensie infra. Standplaats is Assen.” Behalve hijzelf waren er geen Projectleiders werkzaam die werden bezoldigd conform salarisschaal 10 en die deze in de vacaturetekst beschreven werkzaamheden uitvoerden. Verweerder had dus ten tijde van de sollicitatie al kunnen weten dat eiser werkzaamheden zou gaan verrichten die passen bij een bezoldiging overeenkomstig een hogere salarisschaal. Een andere aanwijzing daarvoor betreft een mail van de heer [naam 2] namens het RVB van 19 juni 2023, waarin is aangegeven dat “zij bij Defensie werkzaamheden hebben uitgevraagd op S11-niveau en dat zij een kapitein sturen op S10-niveau om het werk te doen.” Het had dan ook op de weg van Defensie als bevoegd gezag gelegen om hierover tijdig met het RVB in gesprek te treden en meteen een actuele functiebeschrijving op te stellen. Door zich in plaats daarvan te verschuilen achter de Mantelovereenkomst, duikt Defensie weg voor haar verantwoordelijkheid. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wat is het oordeel van de rechtbank?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet gehouden is om eiser een hogere salarisschaal toe te kennen voor de werkzaamheden tijdens de detachering bij het RVB. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Volgens vaste rechtspraak van de hoogste ambtenarenrechter blijft bij detachering het dienstverband met het orgaan dat de ambtenaar heeft aangesteld bestaan en blijft dat orgaan het bevoegd gezag voor zover dit met de detacheringsovereenkomst verenigbaar is.<footnote-ref linkend="_56a4ccbc-bddb-44ea-9cd4-0ed3ff6d8644" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Het ministerie van Defensie en het RVB hebben werkgeversafspraken gemaakt over het gedetacheerd personeel. Deze afspraken zijn vastgelegd in de ‘Mantelovereenkomst detachering van 26 juni 2015’. Daarin staan, voor zover van belang in deze zaak, de volgende artikelen opgenomen:</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Artikel 1<?linebreak?>Het Commando Dienstcentra van het ministerie van Defensie (CDC) detacheert werknemers, hierna ook te noemen de gedetacheerden, bij het RVB. Gedetacheerden worden bij het RVB ingezet voor passende functies.</title>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Artikel 2</title>
    <para>Deze overeenkomst is geldig voor de duur dat het CDC personeel detacheert bij het RVB.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Artikel 3</title>
    <para>Op de gedetacheerden blijft de rechtspositie van de sector Defensie van toepassing, evenals overige regelingen die het CDC en gedetacheerden individueel zijn overeengekomen. Na afloop van de detachering keert de werknemer terug naar Defensie. Indien tijdens de detachering bij het RVB organisatorische veranderingen plaatsvinden, kan het takenpakket door het RVB na overleg met het CDC en de werknemer worden aangepast.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>(…)</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Artikel 6</title>
    <para>Het CDC draagt de bevoegdheid tot het geven van opdrachten aan gedetacheerden ten aanzien van de in artikel 1 beschreven werkzaamheden en het toezicht daarop over aan het RVB. Gedetacheerden zijn gehouden de hun opgedragen werkzaamheden naar behoren te verrichten.</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Met het sluiten van de detacheringsovereenkomst is eiser buiten het gezagsbereik van Defensie geraakt. In de detacheringsovereenkomst komt dit tot uitdrukking in de artikelen 1 en 6. Gelet hierop was er voor Defensie tijdens de detachering dan ook geen rol meer weggelegd bij het opdragen van werkzaamheden aan eiser in de uitoefening van zijn functie bij het RVB. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>Niet gebleken is dat de aan eiser opgedragen werkzaamheden niet (meer) passend zouden zijn bij het rangniveau van kapitein, schaal 10. Verweerder heeft in het bestreden besluit afdoende toegelicht dat binnen het RVB werkzaamheden onderhoud Defensie infra, in tegenstelling tot wat eiser heeft betoogd, bij Projectleiders van zowel S10 als S11 niveau werden belegd. Bovendien was ook de voorganger van eiser kapitein met schaal 10. Tegen die achtergrond acht de rechtbank het niet onlogisch dat eiser ten tijde van de aanvang van zijn dienstverband werd geplaatst op een functie die wordt bezoldigd overeenkomstig de kapiteinsrang. De majoor die bij het RVB werkzaam was, die volgde ook een majoor op. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>Als het RVB werkzaamheden zou willen opdragen die behoren bij de rang van majoor, schaal 11 had het op de weg van het RVB gelegen hierover in overleg te treden met Defensie. Dit is niet gebeurd. Dat ten tijde van de sollicitatie van eiser de op zijn functie van toepassing zijnde functiebeschrijving niet meer actueel was, maakt niet dat er dan ook zwaardere werkzaamheden zouden worden opgedragen. Ter zitting heeft kolonel [naam 1] nog toegelicht dat schaal 11 bij het RVB anders is dan de schaal bij Defensie, waarbij schaal 11 behoort bij de rang van Majoor. Als eiser zegt taken van de majoor te hebben overgenomen had hij kunnen solliciteren naar een majoorsstoel. Voor detacheringswerkzaamheden kan niet zomaar een bevordering tot majoor volgen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <para>Verder is de rechtbank het met verweerder eens dat ook ten tijde van de detachering geen signalen van eiser of het RVB zijn ontvangen waaruit zou volgen dat er meer taken werden verricht dan passend voor een kapitein. Het RVB had in overleg met Defensie, zoals staat beschreven in artikel 3 van de Mantelovereenkomst, het takenpakket van eiser eventueel kunnen aanpassen. Weliswaar heeft de heer [naam 2] via de mail van 19 juni 2023 aan eiser medegedeeld dat het uitgangspunt is dat het RVB werkzaamheden uitvraagt bij Defensie op S11-niveau maar dat zij een kapitein sturen op S10-niveau, echter is niet duidelijk dat dit bij het uitvragen in 2019 ook het geval was. In ieder geval was Defensie hier niet van op de hoogte. Dit geldt ook voor de mail van de leidinggevende van eiser van 13 januari 2023, waarin hij aangeeft dat er geen scheiding meer aanwezig is tussen S10 en S11 wat betreft de verdeling van projecten tussen de Projectleiders. Als dit zo zou zijn is dit niet vanuit het RVB naar Defensie gecommuniceerd.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7.</nr>
      <para>Hoewel de rechtbank begrijpt dat het voor eiser als onrechtvaardig kan voelen dat hij werkzaamheden zou hebben verricht die bezoldigd hadden kunnen worden overeenkomstig een hogere salarisschaal, is verweerder gelet op het voorgaande niet gehouden om hem hiervoor te compenseren. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder zijn verzoek om met terugwerkende kracht over de periode van 1 februari 2020 tot 1 februari 2024 te worden bezoldigd overeenkomstig een hogere salarisschaal op goede gronden heeft kunnen afwijzen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.P. Lindhout, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_2d93103f-1310-4e17-ac8e-9746316d2a88" label="1">
    <para> Op grond van artikel 115 van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_56a4ccbc-bddb-44ea-9cd4-0ed3ff6d8644" label="2">
    <para> Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 3 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1103.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>