<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:7637</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-12T09:20:38</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-05-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-04-02</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/09/671752 / HA ZA 24-736</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:7637">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:7637</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-12T09:19:27</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-03-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:7637 Rechtbank Den Haag , 02-04-2025 / C/09/671752 / HA ZA 24-736</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:7637:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Politie aansprakelijk op grond van artikel 6:162 BW? Diverse verwijten over het handelen van de politie nadat (per toeval) een (niet in werking zijnde) hennepkwekerij in de garage van eiser is aangetroffen. Verwijten niet gegrond. Geen sprake van een onrechtmatige daad van de politie. Afwijzing vorderingen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:7637:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">RECHTBANK Den Haag</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team handel</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer / rolnummer: C/09/671752 / HA ZA 24-736</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van 2 april 2025</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiser] </emphasis>te [woonplaats] ,</para>
      <para>eiser,</para>
      <para>hierna te noemen: [eiser] ,</para>
      <para>advocaat: mr. M.M.J.P. Penners te Sittard, gemeente Sittard-Geleen,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">DE POLITIE </emphasis>te Den Haag,</para>
      <para>gedaagde,</para>
      <para>hierna te noemen: de politie,</para>
      <para>advocaat: mr. A.T. Bolt te Arnhem.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De rechtbank heeft kennisgenomen van:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de dagvaarding van 20 augustus 2024, met producties 1 tot en met 24;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 24;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het tussenvonnis van deze rechtbank van 6 november 2024, waarin een mondelinge behandeling is bevolen;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de brief van [eiser] , met aanvullende producties 25 tot en met 30.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 20 februari 2025. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen hun standpunten toegelicht en vragen van de rechtbank beantwoord. [eiser] heeft hierbij, met toestemming van de politie, gebruik gemaakt van spreekaantekeningen, die ook zijn overgelegd. De griffier heeft van de mondelinge behandeling aantekeningen gemaakt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Ten slotte is een datum voor het wijzen van vonnis bepaald.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De feiten</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Gebeurtenissen op 23 augustus 2019</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>In de nacht van 23 augustus 2019 is de auto van [eiser] , die geparkeerd stond op de oprit van de door hem gehuurde woning aan de [adres] in [plaats] (hierna: de woning), in brand gestoken. Na de melding hiervan door [eiser] bij de hulpdiensten, zijn de brandweer en de politie ter plaatse gekomen. Bij het blussen van de brand is de inboedel in de woning van [eiser] beschadigd geraakt. [eiser] heeft dit gemeld bij zijn schadeverzekeraar (ASR).</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Nadat de autobrand was geblust, troffen de brandweer en de politie in de bij de woning horende garage een niet in werking zijnde hennepkwekerij aan. In het naar aanleiding van de brandstichting door de politie opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van 23 augustus 2019 valt onder meer te lezen:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“Ik vroeg aan [eiser] wat de politie moet weten. Ik zag dat [eiser] naar beneden keek en tegen mij zei dat hij in de garage was begonnen met de opzet van een hennepkwekerij. Ik hoorde [eiser] zeggen dat dit de beginfase van een kwekerij was, of woorden van gelijke strekking. Ik hoorde [eiser] zeggen "verder staat er nog niks". [eiser] vroeg of "dat" ook strafbaar was. Ik, verbalisant [ [naam 1] ] , zei tegen [eiser] dat ik dat eerst moest bekijken en ik vroeg aan [eiser] of ik mocht gaan kijken. Ik hoorde [eiser] zeggen: "ja ga maar kijken dan" "dat mag".</para>
        <para>Ik, [ [naam 1] ] liep samen met de bevelvoerder mee, de woning in. Via de keuken en de bijbouw liep ik naar de garage. Ik zag dat er een grondzeil op de vloer lag. Ik zag dat potten, alwaar normaliter zich hennepplanten in bevinden, op elkaar gestapeld waren. Tevens zag ik een opticlimate, een koolstoffilter en assimilatielampen in de kwekerij. Er werden door mij, verbalisanten geen aantallen of afmetingen genoteerd. Dit in verband met de rook die zich in de woning bevond.”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>
        [eiser] is vervolgens aangehouden wegens verdenking van overtreding van artikel 11a van de Opiumwet. Dit artikel betreft de strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen voor hennepteelt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Rond 10:00 uur is de politie, met een machtiging van de hulpofficier van justitie, de woning van [eiser] binnengetreden ter inbeslagneming van de goederen gerelateerd aan het opzetten van een hennepkwekerij.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>Een fraude-inspecteur van Energiebedrijf [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1] ) heeft ter plaatse onderzoek gedaan en een rapport opgesteld. In dit rapport is onder meer vermeld:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“In dit fotoboek worden foto’s incl. toelichting getoond van de aangetroffen situatie in het pand waar de energiediefstal heeft plaatsgevonden. (…)</para>
        <para>
          <emphasis role="bold">Illegale aftakking op de dienstleiding elektriciteit binnen.</emphasis>
        </para>
        <para>Deze illegale aftakking is gemaakt, binnen, op de aansluitleiding van [bedrijf 2] B.V., de leiding voorziet het betreffende pand van elektriciteit. De illegale aftakking liep buiten de meetinrichting van [bedrijf 2] B.V. om naar de installatie (en de daarop aangesloten apparatuur) in het bezocht pand en voorzag deze van elektriciteit. </para>
        <para>Deze aftakking is destijds bij het aansluiten van het perceel op het elektriciteitsnet niet door of in opdracht van [bedrijf 2] B.V. niet aangebracht. </para>
        <para>Voor het maken van deze aftakking heeft [bedrijf 2] B.V. geen toestemming verleend.</para>
        <para>(…)</para>
        <para>In bijgevoegd dossier is er, naast de aangetroffen planten, spraken van 1 of meerdere voorgaande kweken. Deze eerdere kweken zijn mede gebaseerd op indicatoren welke genoemd worden in dit fotoboek.”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>Ook is er onderzoek gedaan door Waterschap Midden Limburg. Uit dit onderzoek bleek dat er in de woning voorzieningen waren aangebracht voor het illegaal aftappen van water.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>In het proces-verbaal van verhoor verdachte is vermeld dat [eiser] om 13:00 uur als verdachte is verhoord. Uit dit proces-verbaal blijkt dat [eiser] tijdens het verhoor tegenover de politie heeft verklaard dat hij CBD-olie uit hennepplanten wilde onttrekken in verband met zijn darmaandoening (de ziekte van Crohn) en dat hij de spullen hiervoor (aanwezig in zijn garage) had gekregen van de zoon van een kennis, maar dat hij het daadwerkelijk telen van hennep uiteindelijk niet heeft doorgezet. Verder is in het proces-verbaal, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“Stroomvoorziening:</para>
        <para>V: Door een fraude-inspecteur van energiebedrijf [bedrijf 1] B.V. is gebleken dat de er een installatie aanwezig was voor de illegale aftapping van stroom. Wanneer is de (illegale) elektrische installatie aangelegd?</para>
        <para>A: Die is in maart aangelegd.</para>
        <para>(…)</para>
        <para>V: Wat werd er veranderd aan de elektrische installatie?</para>
        <para>A: De hoofdkabel werd afgetakt. Nog onder de meter.</para>
        <para>(…)</para>
        <para>WATERVOORZIENING:</para>
        <para>V: Er is gebleken dat er voorzieningen waren voor het illegaal aftappen van water en stroom, de voorzieningen zijn vernield. Wat kun je daar op zeggen?</para>
        <para>A: Die zijn inderdaad vernield. Er is wel water buiten de meter afgetapt maar geen stroom.”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8.</nr>
      <para>Om 15:42 uur is [eiser] door de politie heengezonden, waarbij door de politie is genoteerd dat met betrekking tot de verdenking op grond van artikel 11a Opiumwet een sepot zal volgen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.9.</nr>
      <para>Op 15:59 uur heeft de politie een mutatierapport opgemaakt, waarin onder meer is vermeld:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“ [bedrijf 1] gaat aangifte doen van diefstal stroom en gevaarszetting door aansluiting illegale stroom. (…)</para>
        <para>Verdachte bekende een samen met een niet nader genoemde persoon een kweekruimte te hebben opgezet. Kweekruimte was echter niet in gebruik geweest en was volgens de verdachte bedoeld om hennepolie te onttrekken aan de planten voor de behandeling van zijn ziekte van Crohn. Verdachte bekende wel dat de watermeter was weggehaald en dat de stroom illegaal was afgetapt. Beslissing ZSM: Sepot voor de kwekerij (…).”</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Gebeurtenissen na 23 augustus 2019</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.10.</nr>
      <para>Op 25 augustus 2019 heeft brigadier en wijkagent [naam 2] (hierna: [naam 2] ) een bestuurlijke rapportage uitgebracht aan de burgemeester van Roermond, met het advies om bestuurlijke maatregelen te treffen op grond van artikel 13b Opiumwet. Artikel 13b Opiumwet geeft burgemeesters de bevoegdheid om bestuursrechtelijk op te treden tegen de productie van en/of de handel in verdovende middelen dan wel het voorbereiden daarvan in of vanuit een pand. In de bestuurlijke rapportage is onder meer opgenomen:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“<emphasis role="bold underline">Aanleiding:</emphasis></para>
        <para>Op 23 augustus 2019 werd in de garage van een woonhuis gelegen aan de [adres] te [plaats] , in de gemeente [gemeente] , een niet in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen. </para>
        <para>(…)</para>
        <para>
          <emphasis role="bold underline">Omstandigheden</emphasis>
        </para>
        <para>(…)</para>
        <para>Door inspecteur (…) van [bedrijf 1] werd diefstal van stroom geconstateerd. (…) Gezien de sporen op de armaturen gaat [bedrijf 1] uit van minimaal 1 oogst van hennep.</para>
        <para>(…)</para>
        <para>De verdachte [eiser] is als verdachte gehoord. Verdachte bekende een samen met een niet nader genoemde persoon een kweekruimte voor hennep te hebben opgezet met de bedoeling hennepolie aan de planten te onttrekken voor behandeling van zijn ziekte. Hij ontkende dat de kweekruimte in gebruik was geweest. Verdachte bekende wel dat de watermeter was weggehaald en dat de stroom illegaal was afgetapt.</para>
        <para>(…)</para>
        <para>
          <emphasis role="bold underline">Overig:</emphasis>
        </para>
        <para>(…)<?linebreak?>Er zijn omstandigheden aangetroffen die wijzen op een of meerdere opbrengsten uit eerdere oogsten. [bedrijf 1] gaat uit van 1 eerdere oogst.”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.11.</nr>
      <para>Bij brief van 6 september 2019 heeft de burgemeester van Roermond aan [eiser] zijn voornemen kenbaar gemaakt om de woning tijdelijk te sluiten. Op 10 september 2019 heeft [eiser] mondeling zijn zienswijze ingediend. De burgemeester van Roermond is hieraan voorbij gegaan en heeft op 11 september 2019 besloten om de woning per 17 september 2019 (10:00 uur) voor een periode van één maand te sluiten (door middel van verzegeling). De burgermeester heeft hiertoe onder meer overwogen:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“Uit de voormelde aangetroffen (strafbare) voorwerpen en stoffen in combinatie met uw verklaring bij de politie, uw zienswijze en de omstandigheden van dit specifieke geval (diefstal stroom, gevaarzetting), stel ik vast dat u wetenschap heeft gehad van het feit dat deze voorwerpen en/of stoffen bestemd zijn voor grootschalige of bedrijfsmatige illegale hennepteelt. De aangetroffen kwekerij kan een schakel vormen in de productie of distributie van softdrugs.”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.12.</nr>
      <para>Op 17 oktober 2019 is de verzegeling van de woning verbroken door de afdeling Stadstoezicht van de gemeente Roermond. Diezelfde dag heeft [eiser] aangifte van inbraak in zijn woning gedaan. Deze aangifte is opgenomen door (onder meer) hoofdagent [naam 3] (hierna: [naam 3] ). Omdat volgens [naam 3] mogelijk sprake was van een valse aangifte en verzekeringsfraude door [eiser] , heeft hij de schade-expert van ASR gemeld dat in de woning van [eiser] een hennepkwekerij was aangetroffen. [eiser] heeft vervolgens op 7 november 2019 een klacht tegen [naam 3] ingediend en op 27 januari 2020 aangifte tegen hem gedaan wegens schending van zijn ambtsgeheim (en belediging).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.13.</nr>
      <para>Op 6 februari 2020 heeft het Openbaar Ministerie (hierna: OM) aan [eiser] bericht dat hij niet wordt vervolgd ter zake van overtreding van de Opiumwet.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.14.</nr>
      <para>Bij brief van 27 maart 2020 heeft ASR naar aanleiding van de door [eiser] in verband met de brandschade (zie onder 2.1) ingediende schadeclaim aan [eiser] onder meer het volgende medegedeeld:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“Gelet op bovenstaande stellen wij vast dat er al geruime tijd (maanden of jaren) voor de schadedatum een hennepkwekerij aanwezig is en er geen sprake was van een normaal gebruik van het woonhuis.</para>
        <para>Op grond van artikel 13 van de Bijzondere Voorwaarden Woonhuisverzekering Allrisk moet een verzekerde het melden als er sprake is van een wijziging in het gebruik van het woonhuis. Een hennepkwekerij in een woning wijzigt het gebruik en vergroot het risico. Het niet melden daarvan binnen 30 dagen na de wijziging doet de dekking eindigen. Het maakt niet uit hoe of waar de brand is ontstaan en of de hennepkwekerij daar een rol in heeft gespeeld. Het maakt niet uit of er op schadedatum geen planten in de potten stonden. Het enkel niet aanwezig zijn van planten in potten op schadedatum, maakt de risicowijziging niet ongedaan.<?linebreak?>Tevens verwijzen wij naar artikel 5 van de voorwaarden. Daar staat dat dekking wordt geboden aan het woonhuis bij normaal gebruik. Bij het in dekking nemen van de inboedel is het risico en de premie afgestemd op normaal gebruik van de woning. Daar valt een hennepkwekerij in een deel van de woning niet onder.<?linebreak?>De wijziging van het gebruik en bestemming van uw woning hebt u nimmer bij uw assurantietussenpersoon of ANAC gemeld.<?linebreak?>Op grond van de polisvoorwaarden was er, vanwege het feit dat u de bestemmingswijziging niet heeft doorgegeven, op de schadedatum geen dekking. Daarom vergoeden wij de schade niet. Indien u de bestemmingswijziging wel had doorgegeven, hadden wij de inboedelverzekering niet gecontinueerd. Wij achten het verzekeren van een hennepkwekerij een onacceptabel risico.<?linebreak?>(…)<?linebreak?>Wij zeggen de inboedelverzekering per direct aan u op.”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.15.</nr>
      <para>Op 20 mei 2020 heeft [eiser] aangifte gedaan tegen [naam 2] , aangezien [naam 2] volgens [eiser] met de bestuurlijke rapportage van 25 augustus 2019 een vals rapport heeft opgemaakt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.16.</nr>
      <para>Op 29 augustus 2020 heeft de officier van justitie besloten om niet tot strafrechtelijke vervolging van [naam 3] (zie onder 2.12) of [naam 2] (zie onder 2.15) over te gaan. [eiser] heeft tegen deze beslissingen beklag op grond van artikel 12 Wetboek van Strafvordering (Sv) ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) Den Bosch. Ten aanzien van [naam 2] is dit beklag bij beschikking van 14 december 2021 afgewezen. Ten aanzien van [naam 3] is het beklag bij beschikking van 15 februari 2022 gegrond verklaard en is de vervolging van [naam 3] ter zake van schending van zijn ambtsgeheim bevolen. Bij vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Limburg van 8 februari 2023 is [naam 3] van dit feit vrijgesproken. De rechtbank Limburg heeft hierbij overwogen dat [naam 3] de betreffende informatie over [eiser] in beginsel geheim had moeten houden, maar onder de gegeven omstandigheden dacht en mocht denken dat hij de informatie met de schade-expert van ASR mocht delen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.17.</nr>
      <para>Na twee eerdere aansprakelijkstellingen wegens onrechtmatig handelen heeft [eiser] de politie bij brief van 13 december 2023 nogmaals aansprakelijk gesteld. Bij brief van 26 april 2024 heeft de politie aansprakelijkheid (wederom) afgewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Het geschil</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>
        [eiser] vordert, samengevat, dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:</para>
      <orderedlist numeration="arabic">
        <listitem>
          <para>voor recht verklaart dat de politie onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de door [eiser] als gevolg daarvan geleden en nog te lijden schade;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de zaak verwijst naar de schadestaatprocedure, teneinde de omvang en hoogte van de totale materiële en immateriële schade van [eiser] in kaart te brengen en de schade aan [eiser] te vergoeden;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de politie veroordeelt om als voorschot op de immateriële schade aan [eiser] te betalen een bedrag van € 50.000, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 augustus 2019;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de politie te veroordelen in de proceskosten (waaronder de nakosten).</para>
        </listitem>
      </orderedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>
        [eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat de politie op meerdere manieren onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld. Dit onrechtmatig handelen heeft geleid tot diverse schadelijke gevolgen. Zo is hij zijn woning kwijtgeraakt, heeft ASR zijn schadeclaim wegens inboedelschade afgewezen en zijn verzekering beëindigd, heeft hij een tijd geen contact kunnen hebben met zijn kind en is hij door de hele gang van zaken psychisch beschadigd geraakt. Voor deze schadelijke gevolgen is de politie aansprakelijk. [eiser] vordert aldus te verklaren voor recht en de zaak te verwijzen naar de schadestaatprocedure om de omvang en hoogte van de totale schade vast te stellen. Vooruitlopend hierop vordert [eiser] een voorschot op de door hem geleden immateriële schade.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>De politie is van mening dat de vorderingen van [eiser] moeten worden afgewezen. Van onrechtmatig handelen is in haar visie geen sprake en een causaal verband tussen het verweten handelen van de politie en de gestelde schade ontbreekt. Ook ontbreekt ieder bewijs van (rechtens relevante) schade. Als de rechtbank toch van oordeel is dat de politie aansprakelijk kan worden gehouden voor de schade van [eiser] , dan is de politie van mening dat deze schade vanwege eigen schuld van [eiser] voor zijn eigen rekening moet blijven.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Het gaat in deze zaak om de vraag of de politie jegens [eiser] aansprakelijk is op grond van onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW). Eén van de vereisten voor aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad is dat sprake is van onrechtmatig handelen. [eiser] stelt dat hiervan sprake is geweest en baseert het onrechtmatig handelen van de politie op de volgende vijf verwijten, die in zijn visie, ieder voor zich maar ook in onderlinge samenhang bezien, te beschouwen zijn als onrechtmatig handelen van de politie jegens hem:</para>
      <para />
      <orderedlist numeration="arabic">
        <listitem>
          <para>de politie heeft onjuistheden opgenomen in de bestuurlijke rapportage van 25 augustus 2019;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de politie heeft onnodig lang gewacht met het uploaden van het politiedossier (waaronder de sepotbeslissing);</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de politie heeft ten onrechte aan (de rechtbank begrijpt: de schade-expert van) ASR medegedeeld dat bij [eiser] een hennepkwekerij was aangetroffen;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de politie heeft (onjuiste) informatie gedeeld met de ex-partner van [eiser] ;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>er is binnen de politie op onprofessionele wijze over [eiser] gesproken.</para>
        </listitem>
      </orderedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>De rechtbank zal in het navolgende beoordelen of de verwijten die [eiser] de politie maakt terecht zijn en moeten leiden tot het oordeel dat de politie onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">Bestuurlijke rapportage</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>In de eerste plaats verwijt [eiser] de politie dat er meerdere onjuistheden zijn opgenomen in de door [naam 2] opgemaakte bestuurlijke rapportage van 25 augustus 2019 (zie onder 2.10). Ter onderbouwing hiervan voert [eiser] aan dat:</para>
      <orderedlist numeration="loweralpha">
        <listitem>
          <para>in de rapportage ten onrechte is vermeld dat hij heeft bekend dat er illegaal stroom is afgetapt, </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>in de rapportage niet is vermeld dat de strafzaak tegen hem ter zake van overtreding van artikel 11a van de Opiumwet al op 23 augustus 2019 was geseponeerd, en </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>in de rapportage wordt gesteld dat er omstandigheden zijn aangetroffen die wijzen op een of meerdere oogsten, terwijl de politie zelf heeft vastgesteld dat een eerdere oogst niet kon worden vastgesteld. </para>
        </listitem>
      </orderedlist>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Ad. a: ten onrechte vermelden van illegaal aftappen van stroom</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>Met betrekking tot het verwijt onder a overweegt de rechtbank als volgt. Het klopt dat in de bestuurlijke rapportage is opgenomen dat [eiser] heeft bekend dat er illegaal stroom is afgetapt, terwijl hij tijdens zijn verhoor alleen heeft bekend dat er water buiten de meter was afgetapt (zie onder 2.7). Dit is niet juist opgenomen in het mutatierapport (zie onder 2.9) en vervolgens ook niet in de bestuurlijke rapportage. Hoewel deze informatie op verkeerde wijze is verwerkt, acht de rechtbank dit onvoldoende voor het oordeel dat de politie hiermee onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld. Dit mede in het licht van het feit dat [eiser] tijdens zijn verhoor wel uitdrukkelijk heeft bekend dat de voorzieningen voor het illegaal aftappen van zowel stroom als water waren aangebracht (zie onder 2.7). Daarbij komt dat op het moment van het opmaken van de bestuurlijke rapportage bekend was dat [bedrijf 1] op basis van het door haar verrichte onderzoek aangifte zou doen van diefstal van stroom (zie onder 2.9). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>Onder de gegeven omstandigheden acht de rechtbank de vermelding dat [eiser] zou hebben bekend dat er illegaal stroom is afgetapt niet zodanig onzorgvuldig dat dit als onrechtmatig moet worden aangemerkt. In dit verband is tevens relevant dat deze informatie voor de beslissing van de burgemeester tot sluiting van de woning van ondergeschikt belang is. Ook als deze onjuiste informatie niet was verstrekt zou de burgemeester de woning hebben gesloten, gezien de motivering van het besluit en de vereisten voor sluiting van een woning op grond van (artikel 13b lid 1 van) de Opiumwet. Artikel 13b lid 1 van de Opiumwet luidt, voor zover hier van belang:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“De burgemeester is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf een middel als bedoeld in lijst I of II (…) wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.”</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Diefstal van stroom is niet vereist, zodat het op grond van artikel 6:162 BW vereiste causaal verband ontbreekt en geen sprake is van een onrechtmatige daad van de politie.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Ad. b: niet vermelden van het sepot</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <para>Ook het feit dat in de rapportage niet is vermeld dat [eiser] niet verder zou worden vervolgd wegens overtreding van artikel 11a van de Opiumwet (het verwijt onder b) maakt de rapportage naar het oordeel van de rechtbank niet onrechtmatig. Het klopt dat op het moment van opmaken van de rapportage in het mutatierapport van 15:59 uur (zie onder 2.9) was vermeld dat [eiser] niet verder zou worden vervolgd, maar een formele beslissing hiertoe was op dat moment nog niet genomen. Het (voorgenomen besluit tot) sepot laat bovendien onverlet dat in de garage van de woning een niet in werking zijnde hennepkwekerij was aangetroffen. Alle spullen voor het opzetten van een hennepkwekerij waren, op de planten na, aanwezig. Bovendien waren er voorzieningen aangebracht voor het illegaal aftappen van stroom en water. Dit is ook juist in de rapportage vermeld. Ook is vermeld dat [eiser] bij zijn verhoor te kennen heeft gegeven de kweekruimte voor hennep te hebben opgezet met de bedoeling hennepolie aan de planten te onttrekken voor behandeling van zijn ziekte (en dus niet voor het daadwerkelijk telen van hennep). In het licht hiervan is het enkele niet vermelden van (de formeel nog te nemen beslissing tot) het sepot niet onrechtmatig.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7.</nr>
      <para>Maar ook hier geldt dat het vereiste causaal verband tussen het niet vermelden van het sepot en het besluit tot sluiting van de woning ontbreekt. Ook als de informatie van het sepot wel aan de burgemeester was verstrekt, was de burgemeester, gezien de motivering van het besluit en de vereisten voor sluiting van een woning tot sluiting van de woning overgegaan. Een sepot staat niet in de weg aan een sluiting op grond van de Opiumwet, zodat het op grond van artikel 6:162 BW vereiste causaal verband ontbreekt en geen sprake is van een onrechtmatige daad van de Politie.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Ad. c: het ten onrechte vermelden van aanwijzingen voor een of meerdere oogsten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8.</nr>
      <para>Ter onderbouwing van het verwijt onder c heeft [eiser] gewezen op productie 4 bij dagvaarding. Dit betreft het slot van een (slechts gedeeltelijk overgelegd) proces-verbaal, waarin is vermeld: <emphasis role="italic">“Door ons, kon niet worden vastgesteld, dat er eerder een oogst heeft plaatsgevonden van hennep, in de woning [adres] te [plaats] ”</emphasis>. In de laatste zin is vermeld dat het betreffende proces-verbaal is gesloten op 25 februari <emphasis role="underline">2020</emphasis>. Dit maakt dat de rechtbank niet kan vaststellen dat deze informatie op het moment van het opmaken van de bestuurlijke rapportage op 25 augustus <emphasis role="underline">2019</emphasis> al beschikbaar was. Wel was op dat moment informatie van [bedrijf 1] voorhanden, waarin onderbouwd was gesteld dat sprake was van één of meerdere voorgaande kweken (zie onder 2.5). In het licht hiervan is onvoldoende onderbouwd dat de politie onrechtmatig heeft gehandeld door in de bestuurlijke rapportage te vermelden dat er omstandigheden zijn aangetroffen die wijzen op een of meerdere opbrengsten uit eerdere oogsten.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">Tijdsverloop beschikbaar stellen politiedossier</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.9.</nr>
      <para>
        [eiser] verwijt de politie in de tweede plaats dat zij onnodig lang heeft gewacht met het uploaden van zijn politiedossier. Hoewel uit productie 12 bij dagvaarding blijkt dat het dossier al op 12 september 2019 was gesloten, werd het pas in januari 2020 aan hem ter beschikking gesteld. In de tussentijd heeft de politie geen gehoor gegeven aan de diverse door hem (en het OM) gedane verzoeken om toezending van zijn dossier, aldus [eiser] . Ter onderbouwing hiervan heeft [eiser] gewezen op de als producties 11 tot en met 15 bij dagvaarding overgelegde stukken. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.10.</nr>
      <para>Uit de door [eiser] bij dagvaarding overgelegde stukken blijkt dat de advocaat van [eiser] meermaals bij het OM heeft gevraagd om zijn dossier (namelijk op 8 oktober 2019, 4 december 2019 en 8 januari 2020). Op laatstgenoemde datum reageert het OM dat <emphasis role="italic">“nogmaals een rappel [is] uitgezet naar de OPCO Roermond om de stukken op de Cloud te plaatsen”</emphasis>. De politie heeft in dit verband aangevoerd dat de zaak eerst in zijn geheel moest zijn afgesloten voordat het dossier door haar aan het OM kon worden toegestuurd. Volgens de politie was dit op 12 september 2019 nog niet het geval. [eiser] heeft in dit verband weliswaar gewezen op productie 12 bij dagvaarding, maar dit stuk biedt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende ondersteuning voor de conclusie dat het (gehele) onderzoek met betrekking tot de situatie op 23 augustus 2019 op dat moment was afgerond. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.11.</nr>
      <para>Naar het oordeel van de rechtbank kan niet gezegd worden dat deze afronding zodanig lang heeft geduurd dat geoordeeld moet worden dat de politie onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld. Ook bestaat onvoldoende grond om te oordelen dat de politie de procedure opzettelijk heeft willen vertragen met de bedoeling de gerechtvaardigde belangen van [eiser] te schenden. Daarnaast is het zo dat het besluit tot sepot wat betreft de overtreding van de Opiumwet een beslissing van het OM betreft. [eiser] heeft niet onderbouwd dat het de verantwoordelijkheid is van de politie om het sepot aan hem mede te delen. Evenmin heeft [eiser] onderbouwd dat het aan de politie valt te verwijten dat communicatie over dit sepot niet eerder heeft plaatsgevonden. De rechtbank oordeelt dat onvoldoende [eiser] onderbouwd dat de politie op dit punt onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">Informatieverstrekking ASR</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.12.</nr>
      <para>Volgens [eiser] heeft de politie (en meer in het bijzonder [naam 3] ) onrechtmatig jegens hem gehandeld door op 4 november 2019 aan (de schade-expert van) ASR mede te delen dat bij hem een hennepkwekerij was aangetroffen (op een moment dat al lang was besloten dat [eiser] hiervoor niet strafrechtelijk zou worden vervolgd), terwijl daar geen wettelijke basis aan ten grondslag lag. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.13.</nr>
      <para>Het klopt dat [naam 3] de betreffende informatie over [eiser] uit hoofde van zijn functie van politieagent in beginsel niet had mogen delen met (de schade-expert van) ASR. Dit volgt ook uit het vonnis van de rechtbank Limburg van 8 februari 2023. Maar de rechtbank is met de politie van oordeel dat de schade die hieruit volgens [eiser] is voortgevloeid (de afwijzing van zijn schadeclaim en de opzegging van zijn verzekering) niet voor vergoeding in aanmerking komt, omdat [eiser] anders zou worden beschermd in een niet-rechtmatig belang. [eiser] had de wijziging in het gebruik van zijn woning (de illegale aftakking van het elektriciteitsnet en het aanwezig zijn van spullen voor (het opzetten van) een hennepkwekerij in de garage van zijn woning) namelijk zelf aan ASR moeten melden. Dit volgt uit de brief van 27 maart 2020 van ASR (zie onder 2.14). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.14.</nr>
      <para>Het feit dat volgens [eiser] feitelijk nooit van een hennepkwekerij sprake is geweest, maakt het voorgaande niet anders. De politie heeft namelijk gemotiveerd en onder verwijzing naar diverse uitspraken (genoemd onder noot 19 van de conclusie van antwoord) aangevoerd dat het feit dat de hennepkwekerij niet in werking was er niet aan afdoet dat sprake was van een verzwaring van het risico onder de verzekering, zeker nu in de woning van [eiser] sprake was van voorzieningen voor het illegaal aftappen van stroom en water. Bovendien verzekeren verzekeraars geen panden waarin zich (materiaal voor) een hennepkwekerij bevindt. [eiser] heeft hier in het kader van deze procedure onvoldoende tegenin gebracht. [eiser] had de risicoverzwaring dus zelf aan ASR moeten mededelen. Hij had aan de politie echter kenbaar gemaakt de schade te gaan claimen bij zijn verzekeraar, en dan zou hij verzekeringsfraude plegen. Uitgangspunt in het civiele recht is dat iemand niet mag profiteren van zijn eigen onrechtmatig handelen. Het kan dan ook niet zo zijn dat [eiser] schade, waarvoor op grond van een verzekering geen dekking bestaat, alsnog kan verhalen op de politie, omdat (een werknemer van) de politie heeft voorkomen dat hij door middel van verzekeringsfraude die schade van de verzekeraar vergoed kreeg. De door [naam 3] geschonden norm strekt niet tot bescherming tegen dergelijke schade. De politie is niet aansprakelijk voor het feit dat [eiser] zijn schade niet vergoed krijgt van zijn verzekeraar.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">Informatieverstrekking ex-partner</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.15.</nr>
      <para>Het vierde verwijt van [eiser] houdt in dat de politie (onjuiste) informatie heeft gedeeld met de ex-partner van [eiser] , op het moment dat zij hun kind in april 2020 bij hem wilde ophalen. Ter onderbouwing hiervan verwijst [eiser] naar een e-mail van 13 mei 2020 van de advocaat van zijn ex-partner (productie 9 bij dagvaarding) waarin is vermeld: <emphasis role="italic">“De politie Roermond stond erop cliënte te begeleiden wegens het niet geheel onbesproken gedrag van de heer [eiser] . Klaarblijkelijk is de heer [eiser] -ofschoon hij het tegendeel tracht voor te houden- bij de Nederlandse politiediensten goed gekend omwille van zijn agressieve en niet geheel onbesproken gedrag.”</emphasis> Ook wijst [eiser] op een e-mail van zijn ex-partner zelf van 12 oktober 2023 (productie 10 bij dagvaarding), waarin zij stelt: <emphasis role="italic">“In verband met mijn zoontje [naam 4] ben ik een paar jaar geleden naar roermond moeten gaan met mijn advocaat.de politie is toen met ons mee gegaan naar het adres waar hij zou zijn.zij zeiden toen dat hij bekend was bij hun in het systeem.” </emphasis></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.16.</nr>
      <para>De politie heeft gemotiveerd betwist dat zij de vermeende informatie met de ex-partner van [eiser] of haar advocaat heeft gedeeld. De politie heeft hiertoe aangevoerd dat de ex-partner van [eiser] op 24 april 2020 op het politiebureau is verschenen met de mededeling dat [eiser] hun zoontje na de bezoekregeling niet had teruggebracht en dat zij met haar advocaat naar het adres van [eiser] wilde gaan. In het door de politie hierover opgemaakte mutatierapport (overgelegd als productie 22 bij de conclusie van antwoord) valt te lezen: <emphasis role="italic">“Hun duidelijk gemaakt dat wij mee gaan als begeleiding maar dat wij zeker niets af kunnen dwingen.”</emphasis> Volgens de politie is dit op uitdrukkelijk verzoek van de ex-partner en haar advocaat gebeurd. De politie heeft in dit verband gewezen op de als productie 23 bij conclusie van antwoord overgelegde brief van 26 mei 2020 van haar aan [eiser] , waarin is opgenomen: </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“De stelling, zoals door u aangehaald, dat wij op 24 april 2020 jegens u ex-partner (…), bij haar bezoek aan het bureau van Politie te Roermond, zouden hebben aangegeven dat wij haar zeker wilden begeleiden omdat u bij ons bekend stond in verband met u agressief gedrag is onjuist. Wij hebben haar begeleid op nadrukkelijk verzoek van haar en haar raadsvrouw die haar vergezelde. Beslissend hierin was dat spanningen tussen de scheidende partijen niet zouden escaleren in de aanwezigheid van het betreffende kind. Van enige agressie vanuit de heer [eiser] is niets gebleken ook niet bij het telefonisch contact dat ik met hem gehad heb. Daar bij ons niet de indruk ontstond dat het kind in welke vorm dan ook in gevaar was is er geen verdere actie ondernomen.” </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.17.</nr>
      <para>Gelet hierop is niet gebleken dat de politie aan de ex-partner van [eiser] heeft laten weten dat hij bij de politie bekend was vanwege agressief en niet onbesproken gedrag. Dit volgt ook niet uit de door [eiser] overgelegde e-mails, omdat de woorden die hierin zijn opgenomen niet afkomstig zijn van de politie. Dat de politie inderdaad, zoals [eiser] stelt, op negatieve en onrechtmatige wijze over hem heeft gesproken tegen de ex-partner van [eiser] of haar advocaat, is in het licht van het voorgaande onvoldoende onderbouwd. </para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">Werkcultuur binnen de politie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.18.</nr>
      <para>Het laatste verwijt van [eiser] houdt in dat de politie op onprofessionele wijze over hem heeft gesproken, waarbij (opzettelijk) onwaarheden over hem zijn verspreid (bijvoorbeeld dat hij “in de drugs zit”). Ter onderbouwing hiervan wijst [eiser] op productie 16 bij dagvaarding (een gedeelte van een proces-verbaal waarin door [naam 3] is verklaard dat [naam 2] te kennen geeft dat hij [eiser] “liever kwijt dan rijk” was) en op productie 17 bij dagvaarding (een gedeelte uit een proces-verbaal waaruit volgens [eiser] blijkt van een intimiderende houding van [naam 3] jegens hem). Verder blijkt volgens [eiser] uit productie 18 bij dagvaarding dat de politie (in de periode dat hij aangifte tegen [naam 3] had gedaan) zijn gegevens buitensporig vaak (onnodig) heeft opgevraagd waardoor [eiser] zich bedreigd en/of geïntimideerd voelde. Tot slot wijst [eiser] op de door hem overgelegde geluidsfragmenten. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.19.</nr>
      <para>De rechtbank overweegt dat de autobrand op 23 augustus 2019 en het vervolgens aantreffen van een (niet in werking zijnde) hennepkwekerij in de garage van [eiser] tot een reeks gebeurtenissen heeft geleid die een (extreem) negatieve indruk bij [eiser] over de politie heeft achtergelaten (waarbij de rechtbank begrijpt dat dit met name betrekking heeft op het handelen van [naam 3] en [naam 2] ). Ter zitting heeft [eiser] toegelicht dat hij slachtoffer was van een autobrand maar vervolgens direct onterecht als dader is weggezet, hetgeen zeer veel negatieve gevolgen voor hem heeft gehad. Niets afdoende aan de beleving van [eiser] , vormen deze niet nader met bewijzen gestaafde omstandigheden een onvoldoende onderbouwing dat de politie onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld. Uit de overgelegde producties kan dit onvoldoende worden afgeleid en ook de geluidsfragmenten bieden onvoldoende ondersteuning voor de stelling dat de politie op een zodanig onprofessionele wijze met [eiser] is omgegaan of onwaarheden over [eiser] heeft verspreid dat geoordeeld kan worden dat de politie jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.20.</nr>
      <para>Wat tijdens het gesprek met politiemedewerkster mevrouw [naam 5] (naar aanleiding van een door [eiser] ingediende klacht over haar) naar voren is gekomen, brengt ook geen verandering in dit oordeel, aangezien mevrouw [naam 5] in dat gesprek alleen spreekt over het systeem en de werkwijze van de politie in het algemeen. [eiser] heeft onvoldoende geconcretiseerd op welke wijze mevrouw [naam 5] zich onrechtmatig tegenover [eiser] heeft uitgelaten of gedragen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">Slotsom</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.21.</nr>
      <para>De slotsom is dat geen van de verwijten die [eiser] de politie maakt, kunnen leiden tot de conclusie dat de politie onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld. De politie kan reeds hierom niet op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk worden gehouden voor de gestelde schade van [eiser] . Dit brengt met zich dat de vorderingen van [eiser] moeten worden afgewezen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">Proceskosten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.22.</nr>
      <para>
        [eiser] is de partij die ongelijk krijgt en hij zal daarom in de proceskosten (inclusief nakosten) worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de politie worden begroot op € 5.495, bestaande uit een bedrag van € 2.428 aan salaris advocaat (2 punten x tarief IV), € 2.889 aan griffierecht en een bedrag van € 178 aan nakosten (plus de eventuele verhoging zoals vermeld in de beslissing). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.23.</nr>
      <para>De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>wijst de vorderingen van [eiser] af;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>veroordeelt [eiser] in de proceskosten van de politie van € 5.495, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.2 en 5.3 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad.</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. J.L.M. Luiten en in het openbaar uitgesproken op 2 april 2025.<?linebreak?></para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>2163</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>