<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:5293</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-05-04T13:24:51</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-03-31</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-02-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB - 23 _ 7490</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:5293">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:5293</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-04-03T10:34:49</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:5293 Rechtbank Den Haag , 10-02-2025 / AWB - 23 _ 7490</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:5293:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bpm</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:5293:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">Rechtbank DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team belastingrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: SGR 23/7490</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 februari 2025 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiser], wonende te [woonplaats], eiser</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.</bridgehead>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft aan eiser een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 18 oktober 2023 de naheffingsaanslag gehandhaafd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft daartegen beroep ingesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2025. </para>
      <para>Namens eiser is mr. M.U. Sahin, kantoorgenoot van gemachtigde, verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 1] en mr. [naam 2].   </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Feiten</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>1. Eiser heeft op 19 oktober 2022 op aangifte een bedrag van € 1.766 aan Bpm voldaan voor de registratie van een Mini Clubman John Cooper Works All4 Chili (de auto). De datum van eerste toelating van de auto is 21 juli 2017. </para>
    <para />
    <para>2. In de aangifte is de te betalen belasting voor de auto berekend op basis van een taxatierapport van GB Schadebepalingen (het taxatierapport). De taxatie van de auto heeft op 7 oktober 2022 plaatsgevonden en het taxatierapport is op 17 oktober 2022 opgesteld. In het taxatierapport is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 54.864 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 19.924 (koerslijst X-Ray). De taxateur heeft een bedrag van € 17.534 (100% van de totale gecalculeerde reparatiekosten van € 17.354,82) als schade aangemerkt en de handelsinkoopwaarde na schade op € 2.389 vastgesteld. </para>
    <para />
    <para>3. Eiser heeft op 25 oktober 2022 de auto voor controle getoond aan Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Van de controle is een rapport van 26 oktober 2022 opgemaakt. In dit rapport is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 49.587, de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 19.959 (koerslijst X-Ray) en is een bedrag van € 5.843 aan schade aannemelijk geacht. Van dat schadebedrag is € 4.207 (72%) in aanmerking genomen, waardoor de handelsinkoopwaarde van de auto is bepaald op </para>
    <para>€ 15.752. </para>
    <para />
    <para>4. Verweerder heeft met dagtekening 3 februari 2023 een bedrag van € 6.298 (€ 8.064 verschuldigde Bpm -/- € 1.766 voldane Bpm) nageheven. Verweerder is daarbij uitgegaan van voormeld rapport van DRZ. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Geschil</emphasis>
        <?linebreak?>5.	In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en tot een juist bedrag is opgelegd. Meer specifiek is in geschil:</para>
    </parablock>
    <para>- of de verschuldigde Bpm bepaald kan worden aan de hand van de herrekende bruto Bpm van eerder ingevoerde gelijksoortige auto’s (de herleidingsmethode);</para>
    <para>- of de historische nieuwprijs en de handelsinkoopwaarde van de auto juist is vastgesteld;</para>
    <para>- of de schade tot het juiste bedrag is vastgesteld;</para>
    <para>- of eiser op grond van artikel 8:45 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de inkoopfactuur, factuuronderdelen dan wel betalingsbewijzen van de auto moet overleggen?</para>
    <para>- of eiser in aanmerking komt voor een vergoeding van immateriële schade.</para>
    <para>Eiser heeft ter zitting zijn beroepsgrond, dat DRZ geen onafhankelijke partij is, ingetrokken.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Beoordeling van het geschil</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Herleidingsmethode</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>6. De beroepsgronden van eiser met betrekking tot de zogenoemde herleidingsmethode slagen niet, omdat de herleidingsmethode niet behoort tot de in de wet toegestane methodes om de vermindering van de Bpm te berekenen ter zake van de registratie van een geïmporteerde gebruikte auto.<footnote-ref linkend="_380271c7-93c8-4b0d-b03f-925d14af32a0" /></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Historische nieuwprijs</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>7. Eiser stelt dat, gelet op het arrest van 22 december 2023<footnote-ref linkend="_74d96649-dcb6-470f-a14a-ef6a2f9bd5fb" />, de historische nieuwprijs van de auto € 74.755 (€ 34.951 (netto catalogusprijs DRZ) + € 7.339 btw + </para>
    <parablock>
      <para>€ 32.465 bruto Bpm) bedraagt en dat dit tot een vermindering van de naheffingsaanslag tot </para>
      <para>€ 5.023 (uitgaande van een handelsinkoopwaarde van € 15.634), dan wel € 5.074 leidt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>8. Verweerder heeft ter zitting onweersproken gesteld dat het taxatierapport niet kan dienen om de waarde dan wel de (omvang van de) schade van de auto te bepalen, omdat onder meer op het moment van taxatie er sprake was van essentiële gebreken aan de auto (“koplampen vervangen steunen gelijmd”) en dat de auto ten tijde van de taxatie niet geschikt was om op de openbare weg te rijden. Dit betekent dat verweerder op grond van artikel 9 van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 terecht heeft geconcludeerd dat in dit geval de verschuldigde Bpm dient te worden berekend aan de hand van de forfaitaire tabel.<footnote-ref linkend="_4f722276-a8d1-43c7-aad3-4b8e8a75159a" /> Eiser heeft voor dat geval niet weersproken dat toepassing van de forfaitaire tabel leidt tot een hogere naheffingsaanslag. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de naheffingsaanslag niet te hoog is vastgesteld. </para>
    <para />
    <para>9. Eiser heeft ter zitting gesteld dat verweerder door zijn late stellingname ter zitting over de essentiële gebreken aan de auto in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft gehandeld en dat het thans voor verweerder te laat is om in deze procedure nog op de door verweerder in aanmerking genomen schade terug te komen. </para>
    <para />
    <para>10. Het beroep van eiser op het vertrouwensbeginsel faalt. Het staat verweerder in beginsel vrij in de procedure voor de rechtbank ter ondersteuning van de door hem opgelegde naheffingsaanslag een ander standpunt in te nemen dan hij in de bezwaarfase heeft ingenomen. Dit is slechts anders voor zover het desbetreffende standpunt ondubbelzinnig zou zijn prijsgegeven, dan wel wordt aangevoerd onder zodanige omstandigheden, dat behandeling ervan zou leiden tot een inbreuk op een goede procesorde.<footnote-ref linkend="_54306b7d-78b2-4b52-ba40-5f68e9b183e0" /> Dat doet zich thans evenwel niet voor. Uit het verweerschrift valt namelijk duidelijk op te maken dat verweerder zich er op heeft beroepen dat het taxatierapport niet kan dienen, mede omdat op het moment van taxatie er sprake was van essentiële gebreken aan de auto. Van een expliciete standpuntbepaling aan de zijde van verweerder is dan ook geen sprake. Ook anderszins valt niet in te zien dat sprake zou zijn van schending van de goede procesorde, aangezien eiser ter zitting in de gelegenheid is gesteld om zich hierover uit te laten, hetgeen eiser ook heeft gedaan. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Verzoek artikel 8:45 van de Awb</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>11. Nu naar het oordeel van de rechtbank in dit geval de forfaitaire tabel had moeten worden toegepast, bestaat er geen aanleiding om op grond van artikel 8:45 van de Awb de inkoopfactuur, factuuronderdelen dan wel betalingsbewijzen van de auto bij eiser op te vragen. De rechtbank wijst daarom het verzoek van verweerder om toepassing van artikel 8:45 van de Awb af.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Conclusie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>12. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Immateriële schade</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>13. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase wordt in dit verband als redelijk beschouwd. Verweerder heeft het bezwaar tegen de naheffingsaanslag op 1 maart 2023 ontvangen en de uitspraak van de rechtbank is van </para>
    <para>10 februari 2025. De redelijke termijn is dus niet overschreden. Eiser komt dan ook niet voor een vergoeding van immateriële schade in aanmerking.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Proceskosten</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para>- verklaart het beroep ongegrond;</para>
    <para>- wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af. </para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. D.M. Drok, rechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>mr. U.A. Salomons, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op </para>
      <para>10 februari 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier							rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).</para>
      <para>Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:</para>
    </parablock>
    <para>1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;</para>
    <para>2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend. </para>
    <para>Verder vermeldt u ten minste het volgende:</para>
    <para>a. de naam en het adres van de indiener;</para>
    <para>b. de datum van verzending;</para>
    <para>c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;</para>
    <para>d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).</para>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_380271c7-93c8-4b0d-b03f-925d14af32a0" label="1">
    <para> vgl. Hoge Raad 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:640 en gerechtshof Den Haag 16 maart 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:699</para>
  </footnote>
  <footnote id="_74d96649-dcb6-470f-a14a-ef6a2f9bd5fb" label="2">
    <para> ECLI:NL:HR:2023:1703</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4f722276-a8d1-43c7-aad3-4b8e8a75159a" label="3">
    <para> vgl. Hoge Raad 26 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:415</para>
  </footnote>
  <footnote id="_54306b7d-78b2-4b52-ba40-5f68e9b183e0" label="4">
    <para> vgl. Hoge Raad 10 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO6786</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>