<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:4940</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-10-09T09:57:37</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-03-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-03-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL25.12075</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Middelburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RVS:2025:2111" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#bekrachtiging/bevestiging">Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2025:2111, Bekrachtiging/bevestiging</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:4940">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:4940</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-26T15:52:24</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-03-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:4940 Rechtbank Den Haag , 26-03-2025 / NL25.12075</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:4940:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bewaring, voortvarendheid, gelijkheidsbeginsel, ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:4940:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Middelburg</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL25.12075</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , eiser</bridgehead>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [V-nummer] , </para>
      <para>(gemachtigde: mr. S.C. van Paridon),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de minister van Asiel en Migratie, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. H. Toonders).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 11 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw<footnote-ref linkend="_368335f9-5934-430e-9de2-53cbd0bec07a" /> opgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 19 maart 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Eiser stelt de Syrische nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 1990.</para>
    <para />
    <para>2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening<footnote-ref linkend="_1a9c5925-69d0-450b-af3d-ef7e472efd35" /> en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Als zware gronden<footnote-ref linkend="_3c60ce3d-e11c-4721-badd-7bf2ef96ffa7" /> staat in de maatregel vermeld dat eiser:</para>
    <parablock>
      <para>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="italic">3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="italic">3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;</emphasis>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="italic">3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <?linebreak?>en als lichte gronden<footnote-ref linkend="_f5990d59-b72b-4fe4-9fd7-09957e9fb871" /> vermeld dat eiser:</para>
      <para>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="italic">4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="italic">4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="italic">4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag liggen niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat de zware gronden feitelijk juist zijn. Verweerder heeft daarnaast voldoende toegelicht dat de lichte gronden bijdragen aan een significant risico op onttrekking aan het toezicht. De zware en lichte gronden konden daarom ten grondslag worden gelegd aan de maatregel en kunnen de maatregel ook dragen.</para>
    <para />
    <para>4. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Eiser verwijst daarbij naar de aankondiging van vluchtgegevens en de maatregel van bewaring van 13 maart 2025 van een andere vreemdeling. Die vreemdeling is op dezelfde dag als eiser in bewaring gesteld, maar is op 17 maart 2025, dus eerder dan eiser, al overgedragen aan de Bulgaarse autoriteiten. Hierbij doet eiser een beroep op het gelijkheidsbeginsel. </para>
    <para />
    <para>5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend werkt aan de overdracht. Verweerder heeft op 25 mei 2023 een overdrachtsbesluit genomen naar aanleiding van eisers asielaanvraag in Nederland. Op 31 oktober 2024 is eisers beroep ongegrond verklaard. Op 3 december 2024 is eisers overdracht geannuleerd wegens ‘no show’. Vervolgens is op 13 maart 2025 een overdracht aangekondigd bij de Bulgaarse autoriteiten en zijn de vluchtgegevens bekend geworden. Voor eiser is een vlucht geboekt voor 24 maart 2025, om 14:05 uur naar Sofia. Dit is voldoende voortvarend. </para>
    <para />
    <para>6. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt evenmin. Verweerder heeft ter zitting de werkwijze van de DT&amp;V<footnote-ref linkend="_913b63c8-f98d-4728-976f-1c06faadcb8a" /> als volgt toegelicht. De vaste werkwijze is dat de maatregel van bewaring eerst wordt opgelegd, alvorens uitzettingshandelingen worden verricht. Immers komt het vaak voor dat er wel een voornemen is tot inbewaringstelling, maar dat de vreemdeling niet komt opdagen voor een vertrekgesprek of meldplicht. Als verweerder voorafgaand aan de inbewaringstelling al zou overgaan tot aankondiging van de overdracht en het boeken van een vlucht, zou er in dat geval onnodig veel werk worden verricht als een vreemdeling vervolgens niet zou komen opdagen. In het geval van eiser heeft verweerder conform deze vaste werkwijze gehandeld. Eiser is immers op 11 maart 2025 in bewaring gesteld, waarna op 13 maart 2025 een overdracht is aangekondigd bij de Bulgaarse autoriteiten en de vluchtgegevens bekend zijn geworden. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat in de zaak waar eiser naar verwijst op 3 maart 2025 de aankondiging voor de overdracht was verstuurd, de vreemdeling op 13 maart 2025 in bewaring is gesteld en op die dag de vluchtgegevens bekend zijn geworden. Die zaak wijkt derhalve af van genoemde vaste werkwijze. </para>
    <para />
    <para>7. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing<footnote-ref linkend="_4c8536c7-7291-4202-8cfd-93b8a02d3a63" /> niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. </para>
    <para />
    <para>8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.</para>
    <para />
    <para>9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
      <para>- verklaart het beroep ongegrond;<?linebreak?>- wijst het verzoek om schadevergoeding af.<?linebreak?></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan op 26 maart 2025 door mr. S.E. van de Merbel, rechter, in aanwezigheid van mr. Ż.A. Meinert, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_368335f9-5934-430e-9de2-53cbd0bec07a" label="1">
    <para>Vreemdelingenwet 2000.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1a9c5925-69d0-450b-af3d-ef7e472efd35" label="2">
    <para> Verordening (EU) nr. 604/2013.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3c60ce3d-e11c-4721-badd-7bf2ef96ffa7" label="3">
    <para> Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f5990d59-b72b-4fe4-9fd7-09957e9fb871" label="4">
    <para> Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_913b63c8-f98d-4728-976f-1c06faadcb8a" label="5">
    <para> Dienst Terugkeer en Vertrek.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4c8536c7-7291-4202-8cfd-93b8a02d3a63" label="6">
    <para> HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>