<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:27980</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-05-22T09:03:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-05-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-12-31</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/09/682275 / HA ZA 25-271</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_verbintenissenrecht">Civiel recht; Verbintenissenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:27980">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:27980</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-05-22T09:03:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-05-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:27980 Rechtbank Den Haag , 31-12-2025 / C/09/682275 / HA ZA 25-271</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:27980:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Geschil over geldleningen. Bewijsopdracht aan gedaagde partij dat geleende bedragen geheel zijn terugbetaald.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:27980:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">RECHTBANK Den Haag</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team handel</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: C/09/682275 / HA ZA 25-271</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van 31 december 2025</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiseres] B.V. </emphasis>te [vestigingsplaats 1], </para>
      <para>eiseres, </para>
      <para>advocaat: mr. P.W.M. Steenbergen,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde] B.V.</emphasis>, te [vestigingsplaats 2], </para>
      <para>gedaagde, </para>
      <para>advocaat: mr. B.F. van Es.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen worden hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd. </para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de dagvaarding van 12 maart 2025, met producties;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de conclusie van antwoord, tevens incidentele vordering tot opheffing van conservatoir beslag, met producties; </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>conclusie van antwoord in het incident, met producties; </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>vonnis in het incident van 30 juli 2025, waarbij de vordering tot opheffing van het conservatoir beslag is afgewezen;  </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>tussenvonnis van 20 augustus 2025, waarin een mondelinge behandeling (in de hoofdzaak) is bevolen. </para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <parablock>
        <para>De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op </para>
        <para>18 september 2025. Aanwezig waren de heer [naam 1] (bestuurder van [eiseres]) met mr. Steenbergen en de heer [naam 2] (administratief medewerker van [gedaagde]) met </para>
        <para>mr. Van Es. De bestuurder van [gedaagde], de heer [naam 3], is niet verschenen omdat hij ernstig ziek is. Omdat [naam 1] tijdens de zitting onwel werd en met een ambulance is afgevoerd, is de zitting voortijdig beëindigd en is in overleg met partijen bepaald dat de procedure schriftelijk zou worden voortgezet. Vervolgens is van beide partijen een akte ontvangen op 5 november 2025, met producties aan de zijde van [gedaagde]. Partijen hebben elkaar hun conceptakte voorafgaand aan het indienen ervan toegezonden en hebben op elkaars standpunten gereageerd. De vonnisdatum is (nader) op heden bepaald.  </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>
        [eiseres] heeft € 168.232,50 aan [gedaagde] verstrekt, waarvan € 103.232,50 ziet op een voor [gedaagde] gekochte wiellader in 2007 en € 65.000,- op een onderhandse lening uit 2010. Het geld is aan [gedaagde] gegeven in een tijd waarin de bestuurders van de B.V.’s goed bevriend waren. Er zijn geen afspraken op schrift gesteld.   </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>
        [gedaagde] heeft in ieder geval € 144.000,- aan [eiseres] terugbetaald door middel van vijftien betalingen in de periode van 23 januari 2008 tot en met 20 juli 2018. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Bij (een eerste sommatie)brief van 4 juli 2023 heeft mr. Steenbergen [gedaagde] verzocht om € 287.084,15 te betalen. In die brief is onder meer vermeld: </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“Betreft: 1e sommatie. (…) U verkeert door uw wanbetaling thans in verzuim. (…) Specificatie per 30-06-2023: </para>
      </parablock>
      <para>- Factuur 0001_2020 dd. 13-05-2020 (leningen incl. rente t/m 2019) 	€ 193.133,97</para>
      <para>- Contractuele rente va 01/01/2020 berekend t/m 30/06/2023 		€   77.312,14 + P.M.</para>
      <para>- Buitengerechtelijke incassokosten 				<emphasis role="underline">€   16.638,04</emphasis> +</para>
      <para>Totaal verschuldigd						€ 287.084,15 + rente P.M.” </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Bij brief van 18 juli 2023 heeft de vorige advocaat van [gedaagde] onder meer het volgende aan mr. Steenbergen geschreven: </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“Cliënt vindt het vrij vervelend worden dat uw cliënt via u hem weer benaderd in het kader van een “openstaande” vordering. Drie jaar geleden heeft mijn overleden collega (…) al met Credifin gecorrespondeerd over deze vordering. Geconcludeerd is toen dat de vordering is betaald en dat uw cliënt in het geheel geen recht van spreken heeft gehad. Van verzuim, zoals u stelt, is dan ook geen sprake. (…)”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>Per e-mail van 4 augustus 2023 van mr. Steenbergen aan [gedaagde] is onder meer vermeld: </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“Kortom, ik ben van mening dat cliënten wel degelijk nog een vordering op [naam 3] c.s. hebben. Deze vordering bestaat grotendeels uit rente (over rente) vanaf 2007. Cliënten erkennen dat de resterende vordering lager is dan in mijn eerdere brieven vanaf 04/07/2023 gesteld. Maar het gaat toch nog wel om een bedrag tussen € 100.000,- en € 150.000,-. Het exacte bedrag van de resterende vordering zal ik op korte termijn berekenen. Daarbij ben ik ook afhankelijk van uw informatie. Alle informatie, die partijen nu kunnen wisselen, is meegenomen. Anders komt die informatie wel in een rechtszaak naar boven. (…)”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [eiseres] had aanvankelijk (op 25 januari 2024) [bedrijfsnaam] BV gedagvaard. Nadat op 12 juli 2024 een zitting is gehouden, is [eiseres] bij vonnis van </para>
        <para>11 september 2024 (C/09/660780 / HA ZA 24-109) niet-ontvankelijk verklaard in haar vorderingen. In dat vonnis is onder meer overwogen: </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>“De rechtbank merkt op dat niet ter discussie staat dat er tussen [naam 1] en [naam 3] geld is (uit)geleend via bv’s. Ter zitting is door [bedrijfsnaam] B.V. en namens [naam 3] desgevraagd bevestigd dat de leningsovereenkomsten zijn aangegaan door [eiseres] B.V. en [gedaagde] B.V., een andere bv van [naam 3]. [eiseres] B.V. had daarom die partij moeten dagvaarden.”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>Op 12 maart 2025 is de dagvaarding in de onderhavige procedure uitgebracht. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Het geschil</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>
        [eiseres] vordert samengevat, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, [gedaagde] te veroordelen tot betaling van</para>
      <para>- primair: 	€ 280.997,99, te vermeerderen met de contractuele rente van 10% per jaar over € 171.702,-  vanaf maart 2025 tot de dag der voldoening; </para>
      <para>- subsidiair: 	€ 269.874,94, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over € 168.322,60 vanaf maart 2025 tot de dag der voldoening; </para>
      <para>- in beide gevallen: 	€ 16.638,04 wegens buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de (na)kosten en beslagkosten. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>
        [eiseres] legt aan haar vorderingen het volgende ten grondslag. </para>
      <para>- Primair is contractuele rente verschuldigd van 8% over 2007 en 10% vanaf 2008. Deze rente bedraagt tot 2020 € 147.469,80 en van 2020 tot maart 2025 € 109.295,69. </para>
      <para>- Subsidiair is de wettelijke handelsrente verschuldigd. Deze bedraagt tot 2020 </para>
      <para>€ 144.090,10 en van 2020 tot maart 2025 € 105.552,34. </para>
      <para>- Het door [gedaagde] (t/m juli 2018) afgeloste bedrag van € 144.000,- strekt eerst in mindering op de rente, zodat per 2020 primair € 3.469,80 aan contractuele rente resteert dan wel subsidiair € 90,10 aan wettelijke handelsrente. Daarbij moet worden opgeteld de hoofdsom van € 168.232,50 en de primair verschuldigde contractuele rente van 2020 tot maart 2025 van € 109.295,69 dan wel de subsidiair verschuldigde wettelijke handelsrente over die periode van € 101.552,34. </para>
      <para>- Dat resulteert in een verschuldigd bedrag van primair € 280.997,99, te vermeerderen met de contractuele rente van 10% per jaar over € 171,702,- vanaf maart 2025 dan wel subsidiair € 269.874,94, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 168.322,69 vanaf maart 2025.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>
        [gedaagde] voert verweer.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Tussen partijen is niet in geschil dat [eiseres] € 168.232,50 aan [gedaagde] heeft verstrekt, waarvan in ieder geval € 144.000,- is terugbetaald. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Het verstrekte bedrag van € 168.232,50 ziet op het volgende:  </para>
      <para>- (1) [eiseres] heeft in 2007 een wiellader bij een derde voor [gedaagde] gekocht/gefinancierd, omdat [gedaagde] die niet kon betalen. Het aankoopbedrag van € 103.232,50 moe(s)t door [gedaagde] aan [eiseres] worden terugbetaald (hierna: lening I);</para>
      <para>- (2) [eiseres] heeft daarnaast in 2010 een onderhandse lening van € 65.000,- aan [gedaagde] verstrekt (hierna: lening II). </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Rentevorderingen </emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Het grootste deel van de vorderingen van [eiseres] ziet op rente. [eiseres] stelt primair recht te hebben op contractuele rente die tot 1 maart 2025 € 256.765,49 bedraagt en subsidiair op wettelijke handelsrente die tot 1 maart 2025 € 245.642,44 bedraagt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>Toen een eerste sommatiebrief in 2023 werd verstuurd, was het voor [eiseres] zelf kennelijk ook nog niet duidelijk wat haar vordering was. In die brief is uitsluitend een contractuele rente van 10% genoemd, en niet de thans gestelde contractuele rente van 8% over 2007. In het hiervoor onder 2.5 bedoelde e-mailbericht is vermeld dat [eiseres] erkent dat de vordering lager is dan in de brief van 4 juli 2023 is gesteld, maar dat het ‘toch nog wel gaat om een bedrag tussen de € 100.000,- en € 150.000,- ’. Dat is aanzienlijk lager dan het bedrag waarvoor [gedaagde] op 4 juli 2023 is aangeschreven. [eiseres] meldt in het onder 2.5 bedoelde bericht voor de berekening van het exact verschuldigde bedrag ‘afhankelijk te zijn van informatie van [gedaagde]’ en vermeldt verder: ‘Alle informatie, die partijen nu kunnen uitwisselen, is meegenomen. Anders komt die informatie wel in een rechtszaak naar boven.’ Het is echter in eerste instantie aan [eiseres] om haar (aanzienlijke) vorderingen deugdelijk te onderbouwen.   </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>In geschil is of [gedaagde] contractuele rente of wettelijke handelsrente verschuldigd is. [eiseres] stelt primair dat [gedaagde] de contractuele rente van 8% over 2007 en 10% vanaf 2008 verschuldigd is. Namens [eiseres] wordt gesteld dat haar bestuurder [naam 1] rentefacturen bij [gedaagde] persoonlijk heeft afgegeven en dat hij daar vanwege gezondheidsredenen ‘op een bepaald moment mee is gestopt’. Als verschuldigdheid van contractuele rente niet komt vast te staan is de wettelijke handelsrente volgens [eiseres] verschuldigd. [gedaagde] betwist rente verschuldigd te zijn. [gedaagde] betwist ooit een rentefactuur te hebben ontvangen en heeft nooit enig bedrag aan rente betaald. Ten aanzien van de rentevorderingen heeft [gedaagde] een verjaringsverweer gevoerd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <para>Voor zover zou komen vast te staan dat tussen partijen een contractuele rente van 8% rente in 2007 en 10% vanaf 2008 zou zijn afgesproken, dan geldt dat dit zag op de situatie dat het (uit vriendschap) geleende geld binnen korte tijd volledig zou zijn terugbetaald. Volgens [eiseres] was dat de bedoeling, dat het geld snel zou worden terugbetaald. Vast staat dat nooit een bedrag aan rente is betaald en dat [eiseres] voor het eerst een sommatie voor (onder meer) rente heeft laten versturen in juli 2023. Een dergelijk rentepercentage in het geval zoals dat zich nu voordoet, bij een langere terugbetalingsperiode, is absurd hoog en was niet de afspraak tussen partijen. Het beroep van [eiseres] op de contractuele rente, zo al vast zou komen te staan dat die is overeengekomen, acht de rechtbank naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. De gevorderde contractuele rente is daarom niet toewijsbaar.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Alleen wettelijke rente is toewijsbaar </emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7.</nr>
      <para>Ook de wettelijke handelsrente is niet toewijsbaar. Artikel 6:119a BW heeft alleen betrekking op de geldelijke tegenprestatie voor geleverde goederen of diensten op grond van een handelsovereenkomst. De lening moet nauw verbonden zijn met een handelstransactie en geen van partijen moet als consument handelen. Niet is gesteld dat aan beide zijden sprake was van een bedrijfsmatige activiteit in de zin van artikel 6:119a BW. Wel is verklaard dat het geld is verstrekt ‘uit vriendschap’; de wiellader is voor [naam 3] gekocht omdat hij hem zelf niet kon betalen en de lening in 2010 is verstrekt omdat [naam 3] ‘huilend voor de deur stond’. Dat betekent dat [gedaagde] over een eventueel openstaand bedrag enkel de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW verschuldigd zou zijn. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Verjaringsverweer </emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8.</nr>
      <para>Bij de beoordeling van het verjaringsverweer dat is gevoerd ten aanzien van de rentevorderingen stelt de rechtbank voorop dat voor de vordering tot betaling van de rente een verjaringstermijn van vijf jaar geldt, die aanvangt op de dag, volgende op de dag waarop de rentevordering opeisbaar is geworden (3:308 BW). Ratio van deze korte termijn is de schuldenaar bescherming te bieden tegen een te sterk oplopen van het door hem verschuldigde bedrag, doordat de schuldeiser de termijnen niet opvordert. De verjaring kan worden gestuit door een schriftelijke mededeling (3:317 BW) en door erkenning van het recht van de schuldeiser (3:318 BW). Erkenning door de schuldenaar is vormvrij. Elke handeling of gedraging van de schuldenaar waaruit blijkt dat hij de schuld erkent, stuit de verjaring. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.9.</nr>
      <para>Niet kan worden vastgesteld dat [eiseres] eerder dan 4 juli 2023 enige stuitingshandeling met betrekking tot openstaande rentevorderingen jegens [gedaagde] heeft verricht. Dat betekent dat de wettelijke rente tot 4 juli 2018 (vijf jaar voor de sommatiebrief van 4 juli 2023 waarin voor het eerst aanspraak op rente wordt gemaakt) is verjaard. Eerdere betalingen van [gedaagde] zijn geen stuitingshandelingen; immers, waar door [eiseres] vóór 4 juli 2023 geen aanspraak is gemaakt op betaling van wettelijke rente, kan in de betalingen van [gedaagde] geen erkenning van de rentevorderingen worden gezien. Voor zover [eiseres] stelt bij herhaling mondeling te hebben aangemaand, is dat onvoldoende. Openstaande rentevorderingen van vóór 4 juli 2018 zijn dus verjaard. Wettelijke rente over eventuele openstaande bedragen vanaf 4 juli 2018 zou toewijsbaar zijn. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Leningen </emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.10.</nr>
      <para>Vast staat dat [gedaagde] in ieder geval € 144.000,- aan [eiseres] heeft terugbetaald door middel van vijftien betalingen in de periode van 23 januari 2008 tot en met 20 juli 2018. Dat zou betekenen dat van de hoofdsom van € 168.232,50 een bedrag van € 24.232,50 onbetaald is gebleven. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.11.</nr>
      <para>
        [gedaagde] stelt dat [naam 3] in 2012, tijdens een verjaardagsfeest, € 25.000,- contant aan [naam 1] heeft betaald, omdat [eiseres] in financiële moeilijkheden verkeerde. Daarnaast zou [gedaagde] tussen 2018 en 2020 facturen voor een totaalbedrag van (iets minder dan) € 20.000,- aan een derde, [naam 4], hebben betaald voor juridische werkzaamheden die voor [eiseres] waren verricht. Tussen [gedaagde] en [eiseres] zou zijn afgesproken dat deze betalingen zouden gelden als betalingen aan [eiseres] ter aflossing van de leningen. [gedaagde] biedt daarvan getuigenbewijs aan. Het beroep van [gedaagde] op de gedane terugbetalingen is een bevrijdend verweer. Daarvan heeft [gedaagde] overeenkomstig de hoofdregel van artikel 150 Rv de bewijslast, nu voldoende is gesteld en [eiseres] het gestelde gemotiveerd heeft betwist. De in dit kader overgelegde producties, waaronder ondertekende verklaringen, leveren niet al het doorslaggevend bewijs van de juistheid van de stellingen van [gedaagde]. [gedaagde] zal worden toegelaten tot bewijslevering van de gestelde betalingen. Iedere verdere beslissing zal in afwachting daarvan worden aangehouden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.12.</nr>
      <para>De rechtbank geeft de advocaat van [eiseres] in overweging om direct aansluitend aan het getuigenverhoor getuigen van de kant van [eiseres] te laten horen.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>laat [gedaagde] toe te bewijzen dat:</para>
      <para>- [gedaagde] in 2012 € 25.000,- contant heeft betaald aan [eiseres] en dat tussen partijen is afgesproken dat deze betaling in mindering op de leningen zou strekken;</para>
      <para>- [gedaagde] facturen aan [naam 4] heeft voldaan voor werkzaamheden die zijn verricht in opdracht van [eiseres], voor een totaalbedrag van € 19.770,50,- en dat tussen partijen is afgesproken dat deze betalingen in mindering op de leningen zouden strekken;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <parablock>
        <para>bepaalt dat als getuigen worden gehoord, de getuigen op een zitting van </para>
        <para>mr. P.M. de Keuning zullen worden gehoord in het paleis van justitie te Den Haag, Prins Clauslaan 60;</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>bepaalt dat [gedaagde] op de rol van <emphasis role="bold">28 januari 2026</emphasis> moet laten weten hoeveel getuigen zij wil laten horen met opgave van verhinderdagen van die getuigen, van partijen en van hun advocaten in de maanden <emphasis role="bold">februari, maart en april 2026</emphasis>. Daarna stelt de rechtbank de dag en het tijdstip van het verhoor vast. Dat gebeurt ook als de opgave onvolledig is; </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>bepaalt dat [gedaagde] de namen en woonplaatsen van de getuigen ten minste een week voor het getuigenverhoor aan de wederpartij en de rechtbank moet opgeven. Dat geldt ook voor [eiseres] als gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid aansluitend de getuigen aan haar zijde te laten horen;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5.</nr>
      <para>bepaalt dat een partij die tijdens het getuigenverhoor nieuwe stukken wil indienen, de rechtbank en de wederpartij daarvan uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting een kopie moet sturen; </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.6.</nr>
      <para>houdt iedere verdere beslissing aan.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. P.M. de Keuning en in het openbaar uitgesproken op</para>
        <para>31 december 2025.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>